Belijdenis der Hugenoten (10)
De Confessio Gallicana
Art. 21 Wij geloven dat wij in het geloof verlicht worden door de verborgen genade van de Heilige Geest. Het geloof is een onverdiende, bijzondere gave welke God uitdeelt aan wie Hij wil. De gelovigen kunnen zich bij het ontvangen van deze gave op niets beroemen. Daar zij boven anderen voorgetrokken zijn, zijn zij een dubbele dankbaarheid verschuldigd. Het geloof wordt, hun ook niet op één keer geschonken, om ze daarmee op de goede weg te brengen, maar ook om ze op die weg te doen voortgaan, tot het einde toe. Gelijk het Gods werk is een begin te maken, zo is het ook zijn werk het te voleindigen.
Het geloof als genadegave
De mens is arglistig, roemt hij niet op zijn goede werken dan kan hij roemen op zijn geloof. Maar ook het geloof is genáde. Dat hebben de Hugenoten willen belijden hier in dit artikel.
Het is de Heilige Geest die deze genade schenkt, het geloof in de harten der uitverkorenen werkt.
Zijn werk in de harten heet hier 'een verborgen genade'. Het werk van de Geest is verborgen. Dat mag ieder dienaar des Woords als hij voor de gemeente staat en het Woord verkondigt moed geven. Al zien of horen wij geen opzienbarende dingen de Geest kan in het verborgen de gave des geloofs uitdelen, en Hij dóet dat ook.
Alle roem op eigen wil en werken is uitgesloten. Het is niet desgenen die wil maar des ontfermden Gods, zegt de apostel Paulus. Hij is het die trekt, de harten neigt, ze tot gehoorzaamheid brengt en ze vernedert en verhoogt. God geeft deze gave aan wie Hij wil. Eigenlijk staat er in de Franse tekst: aan wie het Hem goeddunkt. De genade Gods is vrij. Hierin is God alleen maar te aanbidden.
Niet in één keer
Niet in één keer is de zondaar waar Hij wezen moet. Het leven des geloofs is 'een weg'. Het zetten van de mens op die weg is een werk van God, maar het voortgaan van de mens op die weg is ook een werk Gods. Zo is het hele leven van de christen één en al genade.
Dát is het ook eigenlijk wat de gereformeerde vaderen in dit artikel hebben willen belijden. Om zo de mens, ook de christen, klein te houden en God alle lof en eer te geven.
Art. 22 Wij geloven dat wij door dit geloof wedergeboren zijn in vernieuwing des levens; terwijl wij van nature de zonde onderworpen zijn. Door het geloof ontvangen wij de genade heilig en in de vreze Gods te leven; immers wij nemen aan de belofte die ons in het Evangelie geschonken is, dat God ons zijn Heilige Geest geven zal. Het geloof laat dus niet alleen maar de begeerte tot een goed en heilig leven in ons niet verkillen, maar werkt en wekt die begeerte ook in ons, omdat het noodzakelijkerwijs goede werken voortbrengt. Overigens; wij belijden dat hoewel God, om ons heil te voleinden, ons wederbaart, en ons vernieuwt tot goed doen, toch de goede werken, die wij onder leiding vdn de Heilige Geest volbrengen, nier in rekening komen om ons te rechtvaardigen, of om te verdienen dat God ons voor zijn kinderen houdt. Wij zouden steeds in twijfel en onrust heen en weer geslingerd worden als ons geweten niet steunde op de genoegdoening waarmee Jezus Christus ons verlost heeft.
Geloof en wedergeboorte
Nog steeds zijn er kringen binnen de Gereformeerde Gezindte waar men de wedergeboorte zet vóór het geloof. Calvijn en de gereformeerde vaderen hebben anders gedaan. Zij stelden het geloof voorop, dan de wedergeboorte. Men vindt dat in de NGB, men vindt het ook hier in de CG.
Nu kan men zeggen: Er is een wedergeboorte in engere en in ruimere zin; de wedergeboorte in engere zin gaat aan het geloof vooraf, en die in ruimere zin volgt op het geloof. Maar dan is ons weerwoord: Deze onderscheiding moge in de dogmatiek ingeburgerd zijn, zij komt niet voor in onze Confessie. In onze Confessie is de wedergeboorte één en ongedeeld. Zij omvat het begin en de verdere voortgang. En zo is het ook in de theologie der reformatoren.
De Reformatie heeft het gelóóf centraal gesteld. Dat betekent niet dat zij niet wist van de wedergeboorte, maar die gaf zij haar plaats ná het geloof. Waarom? Omdat Gods belofte het zwaarste weegt, en die belofte kan alleen in het geloof worden aangenomen. De Reformatie zette niet in, als wij het zo mogen uitdrukken, bij het 'subjectieve' (de ervaring der wedergeboorte) maar bij het 'objectieve', het Woord en de belofte Gods. En op dat Woord en die belofte kan alleen het geloof corresponderen.
Het ware geloof is echter geen dood maar een levend geloof, en daar hebt u dan de wedergeboorte. Het laat de mens niet ledig. Het wederbaart, het vernieuwt hem. En zo komt het tot berouw en tot liefde jegens God en de naaste en tot goede werken. Die zijn allen 'vruchten' van het geloof. De boom moet eerst goed zijn, d.w.z. men moet geloven in Christus, en dan pas kunnen er vruchten.zijn die goed zijn. Luther heeft dat eindeloos herhaald; en het was eveneens de overtuiging van de andere reformatoren.
In de ziel der reformatoren stond gegrift: Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen (Hebr. 11 : 6). Daarmee is een wedergeboorte die aan het geloof vooraf zou gaan veroordeeld.
Men kan zeggen: Maar Calvijn weet toch van een 'zaad des geloofs'. Zeker, maar dat is dan het Woord. Het Woord Gods is bij hem het zaad des geloofs, of der wedergeboorte, precies zoals ook de Schrift zegt (1 Petr. 1 : 23).
Men is in later tijd gaan 'speculeren' over wat in de mens allemaal zou kunnen zijn vóór hij in Christus gelooft. Kuyper deed het op zijn manier en anderen op hun manier. Omdat men uitging van het 'subjectieve' raakte men het spoor bijster. Ook in de verbondsleer. Het subjectieve mag zeker niet verwaarloosd worden maar het mag geen uitgangspunt zijn. Wat van God is, daar moet men mee beginnen: Zijn Woord, Zijn belofte, Zijn verbond. Zijn Geest, en dan zo naar de mens toe, naar de bevinding toe, naar de wedergeboorte toe, naar de goede werken toe. Zó vindt men het in onze Belijdenisgeschriften, en ook hier in de Gallicana.
Twijfel en onrust
Aangrijpend is de laatste zin van dit geloofsartikel. Lees hem nog eens. Zij spreekt van een heen en weer geslingerd worden in twijfel en onrust. Wij zullen moeten erkennen, dat vele christenen zich daarin zullen kunnen herkennen. Wat is de oorzaak?
De CG zegt: Het niet steunen op de genoegdoening van Christus. Dat is weer datzelfde subjectivisme waar wij het straks over hadden. Men werpt het anker van het levensschip niet buiten boord op de vaste bodem van de genoegdoening van Christus, ons in het Woord Gods aangeboden, maar op de bodem van het eigen scheepje, de wankele ervaringen van het eigen hart.
Het ware geloof keert de mens binnenstebuiten. Het opent de ogen voor het onbetrouwbare van alles wat van onszelf is. Wij zijn aartsbedriegers, ook zelfbedriegers. Er is in ons geen goed.
Het ware geloof kan geen rust en vrede vinden dan alleen bij Christus, in zijn genoegdoening. De CG spreekt van 'ons geweten'. Dat is een beschuldigend, aanklagend geweten. Het is niet te sussen. Het móet tot rust komen. Alleen het Evangelie kan uitzicht bieden. Het is de beker koud water voor de dorstige ziel. En dat Evangelie wijst ons niet terug naar onszelf, maar naar Hem die het buiten ons en voor ons deed. In Hem vinden wij de rust.
Het is geen wonder dat deze dingen in onze belijdenisgeschriften aan de orde worden gesteld. De strijd met Rome in de 16e eeuw liep vooral ook over deze zaak. Rome kweekte permanent onzekerheid, twijfel. Zij wierp de zondaren op zichzelf terug. In het platte en vulgaire katholicisme van die dagen op een aantal goede werken als vasten, ter bedevaart gaan, enz.; en in het meer verheven, inniger, mystieke katholicisme op 's mensen geestelijke ervaringen en oefeningen. Maar de christen bleef ónzeker. Het Woord, de Belofte, het Evangelie, de genoegdoening van Christus ontbrak.
Het is in feite het aanhangen van de oude roomse dwaling wanneer ook heden nog binnen het reformatorisch christendom sommigen de onzekerheid voeden door niet de mens te wijzen op wat buiten hem is.
Luther heeft jarenlang strijd moeten voeren eer hij helder voor ogen had waar de ware zekerheid te vinden is. Maar vanaf toen was dan ook onverminderd en onveranderd zijn boodschap: In het Evangelie, in Christus!
Bij Calvijn laat de bazuin ook in dit opzicht waarlijk geen onzeker geluid horen. De respons daarvan beluistert men hier in de Gallicana.
Alleen de genoegdoening van Christus zal houdbaar zijn als wij staan in het goddelijk gericht. De rest zal wegstuiven als kaf voor de wind.
Ons geweten vastzetten op die genoegdoening van Christus is de eerste levensopdracht van de christen. Zij zal hem strijd genoeg kosten. Maar boven dat alles uit zal hij toch zeggen mét de gereformeerde hugenoten, die waarlijk ook wel hun aanvechtingen hadden, en menigmaal oog in oog met de dood stonden: Wij zouden steeds in twijfel en onrust heen en weer geslingerd worden… Wij zouden, dus, Gode zij dank, is het tóch niet zo. Waarom niet? Omdat ons geweten steunt op niets anders dan op de genoegdoening waarmee Jezus Christus ons verlost heeft. Amen.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's