De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mens zijn met de ander

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mens zijn met de ander

Medemenselijkheid

8 minuten leestijd

Genesis 1 en 2
De vorige keer zagen we dat we de rechte kijk op de medemenselijkheid pas ontvangen als we de mens zien voor het aangezicht van God. We bemerken dat al zo duidelijk op de eerste bladzijden van de Bijbel. De eerste hoofdstukken van Genesis bevatten voor de bezinning op het mens-zijn fundamentele gegevens. In Genesis 1 : 26 is sprake van de schepping van de mens door God naar Zijn beeld. En God roept deze mens die naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen is tot de dienst der liefde, tot een leven in gemeenschap met Hem, om Hem te loven en te prijzen, om te heersen als koning bij de gratie van God over het geschapene. Nu voegt Genesis 1 : 27 aan de woorden: naar het beeld van God schiep Hij hem, toe: man en vrouw schiep Hij hen. Het gaat m.i. te ver om het beeld Gods zijn van de mens alleen te verstaan vanuit het man en het vrouw zijn van de mens. Maar ongetwijfeld is hier een wezenlijk stuk van het mens-zijn aan de orde: De mens is niet eenvormig, maar tweevormig, niet eenzaam, maar tweezaam. De geslachtelijke verscheidenheid is dus met de schepping gegeven. Zo heeft God het gewild. Samen zijn zij – man en vrouw – beelddrager Gods (vgl. G. Boer, Ik ben de Alpha, Huizen z.j. blz. 130 vv.).
Slaan we Genesis 2 op dan lezen we in vers 18 van Gods besluit dat het niet goed is dat de mens alleen zij: 'Ik zal hem een hulp maken die als tegenover hem zij.' Het woord 'hulp' heeft hier bepaald geen minderwaardige klank als zou de vrouw de dienstbode, de slavin, het 'hulpje' van de man zijn. Het hebreeuwse woord betekent ook vaak 'helper'. Zulk een helper is niet ondergeschikt, maar staat zelfstandig naast de geholpene. De vrouw zal, hoewel onderscheiden van de man, hem volkomen gelijkwaardig zijn. De een mag de ander aanvullen, completeren. Nu is het ongetwijfeld waar dat hier in de allereerste plaats de man-vrouw verhouding aan de orde is. Wij ontvangen hier Goddelijk onderwijs aangaande het wezen en de bedoeling van het huwelijk naar Gods inzetting.
Toch heeft de christelijke ethiek hier terecht één van de pijlers gevonden voor de stelling dat mens-zijn ook betekent mens-zijn met de ander, mens-zijn in gemeenschap. Berkhof noemt het huwelijk voorbeeld en oefenschool voor het leven in gemeenschap op alle levensgebieden (De Mens onderweg, blz. 35). Wij hebben de ander nodig en de ander heeft ons nodig. In die ontmoeting roept de ander mijn gaven op en vult die aan, mag ik mijn gaven besteden ten dienste van hem en wordt ik omgekeerd verrijkt door zijn gaven en mogelijkheden. Daarom is hulp vragen of ontvangen niet iets vernederends, alsof de een voor de ander maar een 'hulpje' zou zijn.
Dat geldt zowel in persoonlijke verhoudingen als in grotere verbanden. De Bijbel kent waarde toe aan de eigenheid, de individualiteit van elk mens. Maar de Schrift veroordeelt een individualisme waarin de een de ander niet meer ziet, als hulpe tegenover hem.

Oog en oor
Hoezeer de communicatie en de gemeenschap met de ander wezenlijk is voor ons mens-zijn heeft de Oudtestamenticus Hans Walther Wolff aangetoond in zijn prachtige boek over de anthropologie van het Oude Testament. Wolff wijst erop dat begrippen als oog en oor in de Schrift zo'n grote betekenis hebben juist met het oog op de ontmoeting van de ene mens en de andere. Talloze malen is er sprake van het aangezicht van de mens. Het hebreeuwse woord is een meervoud (panim) dat herinnert aan de veelvuldige 'toewendingen' van de mens tot zijn partner. In het aangezicht zijn de communicatieorganen samengebracht: oog, oor, mond. Gelaatstrekken drukken uit wat er leeft in het hart (Gen. 4 : 5). De uitdrukking van het aangezicht is voor de ander veelzeggend (Gen. 31 : 2, 5). In Psalm 38 horen we de dichter klagen: 'Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.' Dat is meer dan een handicap. De dove en de stomme is bedreigd in zijn mens-zijn. Wezenlijk voor de mens is immers dat hij een sprekend en een horend wezen is, dat via het woord in contact treedt met de ander. Prof. G. v. Leeuwen herinnert er in zijn boek Om mens te zijn (blz. 70 vv) aan hoe het zien van de ander een grote rol speelt in het ontmoetingsgebeuren. In de ontmoeting van Jezus Christus met mensen lezen we telkens: Jezus ziet de schare, Zacheus, Petrus.

En als Hij de schare ziet, wordt Hij met ontferming bewogen. Het is allerminst een neutrale blik. Een mens echt zien is een mens ontmoeten. Het klinkt trouwens nog door in ons spraakgebruik. Als we bijvoorbeeld zeggen: Die man is het aankijken niet waard, dan bedoelen we, dat we geen contact met hem wensen. Blikken kunnen iemand vernietigend treffen. En als in een gesprek de ander onze blik ontwijkt, hebben we het gevoel dat er iets wezenlijks schort aan het contact, de communicatie. Naast oog en oor is ook de mond, het spreken, de taal, wezenlijk voor het mens-zijn met de ander. Ontmoeten betekent: de ander aanspreken en aangesproken willen worden. Ontmoetingen kunnen de mist ingaan en contacten kunnen stukbreken omdat er geen wezenlijk gesprek tussen twee partners of twee groepen mensen tot stand kwam. Het is bedreigend en gevaarlijk als mensen elkaar niets meer te zeggen hebben. En terecht schrijft Van Leeuwen: 'Toespreken is geen aanspreken. Het woord dat geen echt wederwoord oproept, dat wil overdonderen, de propaganda, is inhumaan en een belediging voor de menselijkheid' (blz. 74).

Niet los van de relatie tot God
Ik keer nog even terug naar de eerste hoofdstukken van Genesis. Daaruit blijkt overduidelijk dat de ontmoeting met de ander niet los staat van de relatie tot God. Genesis 1 begint immers met de openbaring van de sprekende God. En het mag ons niet ontgaan dat in Genesis 2 : 18 het woord van God over de hulp tegenover de ander volgt op het gebod niet te eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Eva is niet zo maar een hulp tegenover Adam, maar de hulp is er ook op gericht de andere te bewaren bij de liefdedienst en de gehoorzaamheid jegens onze Schepper.
In de verhouding tot de naaste hebben we ook te maken met de verhouding tot God. Leerzaam is in dit opzicht Leviticus 19. Daar wordt ons heel concreet de roeping ten opzichte van de medemens op het hart gebonden, de arme, de vreemdeling (vs. 9, 10), de arbeider (vs. 13), de dove en de blinde (vs. 14), de broeder (vs. 17), de bejaarde (vs. 32). En telkens klinkt dan als een refrein: Ik ben de HEERE. Voor het aangezicht van Hem Die de Heilige is, de gans-Andere hebben we ook in onze omgang met de ander te leven in een heilig, afgezonderd leven. Dr. Maarsingh noemt dit steeds terugkerend refrein een hoogheidsformule die Israël er aan herinnert dat het in de relatie tot de medemensen altijd weer gaat om het in acht nemen van de inzettingen van de Heere God, om een leven in de vreze des Heeren. (vgl. Leviticus, De Prediking van het O.T., t.p.).
Ook het dubbelgebod der liefde laat ons die samenhang zien. Het eerste en grote gebod is God lief te hebben boven alles, en het tweede daaraan gelijk – of zoals we letterlijk mogen vertalen: daarop gelijkend, dat weerspiegelend –, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Die liefde tot de ander in daden van medemenselijkheid bloeit op uit de liefde tot God. Omgekeerd heeft de verhouding tot de Heere alles te maken met de relatie tot de ander, de broeder in nood. Ik herinner alleen maar aan de aangrijpende gelijkenis van Mattheus 25, waar gezegd wordt: 'Voorwaar, Ik zeg u: Voorzoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt ge dit Mij gedaan' (vs. 40).
Nu moeten we wel waken voor eenzijdigheden. In het verleden is vaak eenzijdig alle nadruk gelegd op het eerste deel van het dubbelgebod der liefde. De naaste, de ander kwam nauwelijks in het vizier.
De huidige trend in de theologie is om de relatie tot God te laten opgaan in de relatie tot de ander. En niet alleen in de theologie. Ik meen dat ook in de bezinning op het christelijk onderwijs, met name daar waar de betrokkenheid op de maatschappij in het geding is, er alle reden is op onze hoede te zijn. Terecht wil men aandacht vragen voor samenlevingsvragen, maatschappijvernieuwing, democratisering enz. Maar het zal in het christelijk onderwijs toch om meer moeten gaan dan om een puur horizontale gerichtheid op de samenleving. We zullen niet mogen vergeten dat het verkeer met de Heere God in gebed en lofprijzing, in een leven bij Zijn Woord, een eigen plaats behoudt, en een eigensoortig karakter draagt. Vergeten we dat, dan wordt ons spreken over medemenselijkheid bloedeloos, schraal, en krijgt het bovendien iets wettisch-krampachtigs.
Misschien mag ik hier nog eens herinneren aan één van de punten uit het Getuigenis (uit 1971), waarin terecht geprotesteerd wordt tegen een reductie van het Evangelie tot medemenselijkheid. En positief wordt dan gepleit voor de waarde van de eredienst, de kerkgang, de liturgie, de persoonlijke geloof sverhouding tot God in gebed en meditatie. Hier klopt het hart van het geloofsleven van de christelijke gemeente. En van hieruit bloeit de ware medemenselijkheid op. 'Wij belijden dat de liefde tot de naaste alleen mogelijk is op grond van de liefde tot God. Het eerste gebod blijve het eerste en het tweede gebod het tweede.' Ik meen dat deze stelling ook nu nog niets van zijn actualiteit verloren heeft.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Mens zijn met de ander

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's