Een keerpunt in de Nederlandse politiek? (2)
Men kan niet zeggen, dat het antwoord dat Groen zocht op de vraag naar de mogelijkheid van christelijke politiek in een ontkerstende Staat, hem op eenmaal in de schoot is gevallen. Het is veeleer als een geestelijke vrucht langzaam gerijpt. Tot een heldere, systematische verwerking ervan is hij helaas ook niet gekomen. Daarom vraagt het veel studie en inspanning om er zicht op te krijgen. Waarschijnlijk is dat ook de oorzaak, dat voor de meesten de politieke stellingname van Groen na 1857 geheel onbekend is. Tot schade voor de christelijke politiek!
In 1862 is Groen uit het studeervertrek in 's Lands vergaderzaal teruggekeerd. Hij sprak toen de gedenkwaardige woorden als een beginselverklaring: 'Wij leven thans feitelijk in een godsdienstlozen Staat. Als zodanig kent de Staat geen godsdienst meer. Ik spreek dus voortaan niet meer van een christelijken Staat. Maar in de godsdienstloze Staat zijn christenen, en ik kom voor hen vragen de uitoefening van de vrijheid der christelijke plichtsbetrachting. Hebben thans de openbare instellingen het christelijk karakter verloren, daarnaast moet volkomen vrijheid ter ontwikkeling van individuele veerkracht voor een ieder bestaan. Daarom berust ik thans ook in de wet op het onderwijs, maar ik verlang eerlijke, nauwgezette, onpartijdige ten uitvoerlegging. De neutraliteit van de Staat mag niet straks vijandschap zijn’.
Deze woorden zijn uitermate belangrijk. Wanneer men ze goed tot zich laat doordringen, kan men er in zeer geconcentreerde vorm het antwoord in vinden, dat de theocratisch denkende Groen gevonden heeft op de klemmende vraag, die ook ons thans nog zo bezighoudt en benauwt: heeft de christen als politicus in de moderne, godsdienstloze Staat nog wel een roeping?
Beginselverklaring
Terwille van de actualiteit van die vraag veroorloof ik mij de beginselverklaring van Groen uit 1862 met mijn eigen woorden en in schematische vorm vrij weer te geven:
1e Onder de dwang van het tijdsgebeuren en daarom niet vrijwillig, maar onder protest, aanvaardt hij de liberale, godsdienstloze Staat. Gezien het massale en immer voortschrijdende ontkersteningsproces is het terwille van gewetensvrijheid en tolerantie, als voor een christen fundamentele waarden en rechten, onmogelijk om de Staat in te richten naar de eis van de twee tafels van de Wet.
2e Gezien de wereldwijde ontwikkeling van allerlei revolutionaire theorieën en de verbreiding van velerlei staatsgevaarlijke politieke heilsleren (ideologieën), is het de belangrijkste roeping van de christen als politicus, dat hij ervoor wake, dat de Overheid strikt neutraal en onpartijdig zij, en geen binding aanga met enige secte, filosofie of ideologie; ja, dat zij de burgers bescherme tegen de totalitaire aanspraken en terroristische activiteiten van dergelijke stromingen.
3e Binnen de godsdienstloze, liberale Staat met zijn tolerantie en gewetensvrijheid make de christen als burger gebruik van de hem geboden mogelijkheden op elk terrein van de maatschappij, om getuigenis af te leggen van het Evangelie in Woord en daad. In de eerste plaats geldt dat van de Kerk, maar daarnaast niet minder van de individuele gelovige.
Men geeft een vertekend beeld van Groen, als men zijn aanvaarding van de godsdienstloze Staat niet als oprecht en loyaal ziet! Geen verwijt ervoer hij als grievender, dan dat hij heimelijk toch staatsabsolutisme en gewetensdwang nastreefde. Zijn loyaliteit tegenover de democratische staatsorde blijkt opperduidelijk uit de verdediging der burgerlijke vrijheden. Zo ten aanzien van de rechten der Afgescheidenen maar ook van die der Rooms-Katholieken. Zo eveneens ten aanzien van hen, die uit overtuiging weigerden om een eed af te leggen. Zelfs kwam Groen op voor de rechten van de bedelaar. Wie een zwervend bestaan wil leiden als een vagebond, moet daartoe de vrijheid gelaten worden.
Het sterkste bewijs van Groen's trouw aan het democratisch staatsbestel is echter zijn volstrekte afkeer van de Bismarck-politiek en diens onconstitutionele optreden. Met verbijstering nam hij waar, hoe vele christenen met de Duitse kanselier sympathiseerden en zich verheugden over zijn successen. Hij kan niet begrijpen, hoe in Duitsland de orthodoxie winst zag voor het Protestantisme in de revolutionaire politiek van deze 'uitnemende leerling uit de Napoleontische school'. Zelfs Kohlbrugge was erdoor geïmponeerd!
Op grond van dit alles stellen wij vast, dat Groen's aanvaarding van de saeculaire Staat dus allerminst opportunisme betekende. Evenmin is er sprake van verinnerlijking van de profetie, of van lijdelijkheid. Integendeel! Hij zag de veranderde tijdsomstandigheden als een geweldige uitdaging en opvordering voor het christelijk geloof. Hoeveel mogelijkheden en kansen zijn de Kerk en de individuele gelovige niet gebleven, om het Evangelie in woord en daad te belijden! Dat zij die kansen en mogelijkheden dan nu moedig en krachtig aangrijpen en zo waarlijk zoutend zout zijn. Maar ook, welk een belangrijke taak is voor de christen als politicus weggelegd! Zijn roeping is het, om met een geestelijk gescherpt oog de ideologische gevaren te onderkennen, die in de ontkerstende wereld de Staat en de burger voortdurend bedreigen. Zijn opdracht is het, om een wachter te zijn op de muren van het democratisch staatsbestel, en te blazen op de bazuin en het volk te waarschuwen, wanneer gevaar dreigt.
Taak van een ‘Evangeliebelijder’
Met deze politieke instelling is Groen in 1862 in het parlement teruggekeerd. Men mist dan echter in hem het vroegere politieke élan. Na het befaamde onderwijsdebat was er in de Kamer van enig serieus, principieel debat nauwelijks meer sprake. De parlementaire arbeid verzakelijkte. In de neutrale, godsdienstloze Staat gaat het erom, zo min mogelijk 'vulling' te geven aan het regeringsbeleid en zich te onthouden van ingrijpen in het persoonlijke en maatschappelijke leven. In het politieke bedrijf is dan slechts ruimte voor pragmatici, niet voor profeten.
Voor Groen werd het daarom hoe langer hoe meer een vraag, of hij als Evangelie-belijder nog wel een taak had in het parlement en of hij 'het ganse overschot zijner afnemende krachten' aan de moeizame en weinig inspirerende parlementaire arbeid moest besteden. Op 25 augustus 1866 beëindigde hij zijn politieke loopbaan en trok hij zich terug in de Wartburg van zijn studeervertrek, om (zoals hij het uitdrukte) 'op een andere wijze te belijden', namelijk door woord en geschrift op kerkelijk en maatschappelijk terrein. Dáár immers zijn er mogelijkheden te over om een profetische Evangelie-belijder te zijn! De opkomst en bloei van de bijzondere, christelijke school en van zoveel ander christelijk maatschappelijk werk in de 19e eeuw is er het bewijs van. En hoe heeft Groen zich ingezet voor herstel van de Kerk!
Toch mag men de ervaringen, die Groen in de jaren 1862-1866 in het parlement heeft opgedaan, niet als maatstafgevend beschouwen voor de parlementaire arbeid. Onder invloed van de jong-liberalen en christen-socialen werd immers de strikt neutrale en liberale Staat allengs meer, tot de 'verzorgingsstaat', die zich ging bemoeien met het persoonlijke en maatschappelijke leven, en die de vrijheden van de individu inperkte. Dat bracht met zich mee, dat er spanningen ontstonden tussen overheid én organisaties of individuen, die werkzaam waren op maatschappelijk terrein. Daardoor kwamen opnieuw ingrijpende, principiële politieke vragen aan de orde. In de verzorgingsstaat is het immers de overheid, die de kaders (de structuren!) vaststelt, waarbinnen scholen, ziekenhuizen etc. hun taak hebben te vervullen. En welk een invalspoort kan dat zijn voor heilloze, politieke, revolutionaire ideologieën!
Gescherpt oog
Van de christen als politicus wordt daarom in zijn parlementaire arbeid in de huidige verzorgings- en welzijnsstaat meer dan ooit een geestelijk gescherpt oog gevraagd, dat ogenschijnlijk louter praktisch en zakelijke politieke kwesties doorziet als mogelijke vermommingen van ideologische infiltraties, waardoor de Staat, de Kerk en het individu in hun geestelijke vrijheid bedreigd worden. Het is van levensbelang, dat in de moderne welzijnsstaat zulke standvastige, inzichtige en moedige politici de wachters zijn op de muren van het democratische staatsbestel! Ik kan het mij daarom niet anders voorstellen, dan dat niet alleen Groen van Prinsterer, maar zelfs ook Kohlbrugge, in de huidige situatie niet slechts Kerk en christenheid zouden opgevorderd hebben, om op maatschappelijk terrein met woord en daad waarachtige Evangelie-belijders te zijn, maar ook de christelijke politici zouden gemaand hebben, om zich in hun parlementaire arbeid teweer te stellen tegen die ideologische gevaren, die de Staat en de burger bedreigen, en die elke christelijke plichtsbetrachting onmogelijk zouden maken!
Daarom sluit ik nu deze overwegingen af met de woorden, waarmee ik ook mijn rede in de Joriskerk beëindigde: Waar het in dit donkere Europa op aankomt is, of er thans in kerk en samenleving weerbare, inzichtige, moedige, geheiligde, waarlijk christelijke karakters gevonden worden, door wie de harten der afvalligen weer teruggewonnen zullen worden voor Christus. En dan denk ik met name aan dergelijke karakters onder de huisartsen, de wijkverpleegsters, de maatschappelijke werkers, de onderwijzers en leraren, aan vakbondsleiders, aan bedrijfsleiders en managers, maar ook aan jonggehuwden en aan de ouders van getrouwde kinderen. Waarlijk niet zozeer aan strijdbare helden hebben wij behoefte, maar aan karakters die door hun standvastige trouw aan eigen christelijke levensstijl, door hun onvervaarde moed, door hun fierheid en onafhankelijkheid bereid zijn om in deze ontkerstende wereld eenzame en onbegrepen wegen te gaan, zonder zich daarbij door de tijdgeest en de luidruchtige publieke opinie van de wijs te laten brengen of te laten intimideren. Zulke karakters dwingen respect af en zullen de andersdenkenden tot een gewetensvraag zijn. En zeker zullen zij op hun weg staat mogen maken op de voortdurende onderwijzing en vertroosting van de Heilige Geest.
In deze slotpassage vermeldde ik in Amersfoort met opzet de politici niet, omdat ik elk misverstand vermijden wilde van een reactionaire, contra-revolutionaire, onconstitutionele politiek, die bij zulke massa-bijeenkomsten zo makkelijk de geesten in haar greep krijgt. Maar nu, na deze uiteenzettingen, betrek ik ook hen erbij. En dus in de zin van de geestelijke theocratie van Kohlbrugge en Groen!
W. Aalders, 's-Gravenhage
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's