De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jan Jakob Knap sr. (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jan Jakob Knap sr. (2)

Zij die bleven (25)

7 minuten leestijd

Vriendschap met Brummelkamp
Zijn collega in het nabij gelegen Hattem is voor ds. Knap geen onbekende: zijn oud-medestudent A. Brummelkamp. In Leiden had Knap zich in de kring, waarin Brummelkamp zich bewoog, niet thuisgevoeld en ook nu houdt hij hem bewust op een afstand. Als echter zijn schoonvader plotseling overlijdt en Knap voor enige tijd naar Amsterdam moet, zorgt zijn vrouw Katarina voor de preekbeurten en vraagt zij Brummelkamp een keer in Heerde te willen preken. Geschokt als zij is door het sterven van haar vader, wordt zij op een bijzondere wijze door zijn prediking aangesproken. Als haar man later thuiskomt, vertelt zij van wat er geschied is en hoe zij door de prediking van ds. Brummelkamp een verdieping in haar geestelijk leven ervaren heeft. Ds. Knap is er maar slecht over te spreken dat 'die fijne leeraar' van Hattem in Heerde is voorgegaan en moet zelfs zijn vrouw gezegd hebben: 'als hij weer komt, verbied ik hem het huis te betreden’.
Op zekere dag verschijnt voor de pastorie een koets. Ds. Brummelkamp stapt uit en wil zijn collega eens opzoeken. Ds. Knap zit op zijn studeerkamer en als zijn vrouw zegt wie er is, wil hij eerst niet meekomen. Later komt hij echter toch en het, zo stroef beginnend, gesprek wordt een hartelijk gesprek over de waarheid van Schrift en Belijdenis. Ze komen vaker bij elkaar, raken bevriend, en ds. Knap zet zich, mede door die vriendschap, tot de studie van de religie van het Belijden der Kerk. 'Toen', zo zegt hij, bijna aan het einde van zijn leven, 'behaagde het de Heere Zijn Zoon Jezus Christus in mij te openbaren'. Die geestelijke verandering wordt natuurlijk ook in de prediking duidelijk. Tot vreugde van velen, tot verdriet van enkelen in Heerde, die liever een 'moderne dominee' begeren. Men zegt zelfs dat éénmaal de politie er aan te pas moest komen, omdat die enkelen de kleine luiden in het dorp tegen de predikant opzetten en een rel veroorzaakten.
Hoeveel hij echter ook aan hem te danken heeft, en hoe goed hij ook met hem bevriend is, als Brummelkamp in 1835 afgezet wordt en de zijde van de Afscheiding kiest, kan ds. Knap niet met hem meegaan. Velen rekenden daarop, maar Knap had geen vrijmoedigheid die stap te doen. Na vier jaar in Heerde gestaan te hebben, neemt hij het beroep naar Aarlanderveen aan, waar hij 6 maart 1836 wordt bevestigd.

Aarlanderveen
Zeven jaren heeft ds. Knap de Aarlanderveense gemeente gediend, en niet alleen die gemeente. Vanaf 1835 begint de stroom van uitgegeven preken en andere geschriften te vloeien, die pas na zijn sterven zal ophouden water te geven. Behalve de preken, geven ook de vele 'gelegenheids-redenen' ons een blik in het hart van deze begaafde predikant. Soms spreekt hij naar aanleiding van rampen en dergelijke een waarschuwend woord tot land en volk, dan weer geeft hij een geschriftje uit waarvan de opbrengst bestemd is om ergens in de wereld nood te lenigen. Om maar een voorbeeld te noemen: als er in 1852 negen schepelingen op de rede van Hellevoetsluis verdrinken, geeft ds. Knap twee preken uit 'ten voordeelde der nagelatene betrekkingen'. Voordat de preken van de pers rollen zijn er niet minder dan 3020 inschrijvingen! Een teken hoezeer de preken van ds. J. J. Knap door velen in den lande werden hooggeacht. Zijn zoon schrijft later over de talenten van zijn vader: 'Van toen af aan (die verandering in Heerde) werden zijn predikgaven, die waarlijk meer dan gewoon waren, alleenlijk tot het doel gerigt om arme zondaren het heil aan te prijzen, dat in Christus gevonden wordt.’
De jaren in Aarlanderveen zijn voor het jonge gezin Knap verre van gemakkelijk. De gezondheid van ds. Knap heeft veel te lijden van het vochtige klimaat daar; hij heeft regelmatig aanvallen van benauwdheid. In 1841 worden twee van zijn kinderen zeer ernstig ziek; de gevreesde ziekte, de pokken, brengt de oudste, zijn naamgenoot Jan Jacob, aan de rand van het graf. Vader en moeder worstelen met God in het gebed om het behoud van hun kind. Van inenten wilde Knap niet weten, en hoewel doktoren en zelfs een Leidse professor de moed opgeven, ds. Knap niet! Het gezin Knap smeekt de Heere om uitkomst, na zes weken van spanning neemt de ziekte een keer en de jongen mag genezen. Ds. Knap laat een kunstenaar een 'gedachtenis-plaat' maken, waarop met sierlijke letter geschreven staat: 'Gedachtenis aan de wonderdadige redding Gods uit de kinderziekte betoond aan het oudste onzer kinderen, Jan Jakob Knap op het einde van het jaar 1841. – Die de valsche ijdelheden onderhouden, verlaten de weldadigheid die zij ondervonden hebben; maar ik zal met luiden dank U offeren; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des Heeren (Jona II : 8, 9) –'
Onder de vele beroepen die hij ontving, was er één naar die gemeente die later zijn laatste worden zal: Woudsend. Hij vertelt, bij zijn latere intrede daar, dat hij toen dat beroep niet durfde aannemen. Net voor dat hij de roepende gemeente bezoeken zou, vergaat het beurtschip Harlingen-Amsterdam; Knap kan er niet naar toe en hij ziet het als een vingerwijzing Gods, die hem een andere kant op zal zenden. Met beroepen heeft Knap het trouwens altijd erg moeilijk gehad, zo vertellen later zijn kinderen. Beslissen was voor hem een zeer verantwoordelijk werk. Dat blijkt ook uit zijn weggaan uit aarlanderveen. Een beroep naar Vollenhove wordt door hem aanvaard, maar als, door de langzame communicatie van die dagen, de gemeente Doornspijk van dit bericht onkundig, hem een beroep zendt, meent ds. Knap dat te moeten aanvaarden en doet hij Vollenhove bericht dat hij niet komen mag, omdat Gods weg hem naar Doornspijk zal leiden.

Doornspijk en Fijnaart
In Doornspijk hebben in de loop der eeuwen verschillende predikanten vele jaren achtereen gestaan. Knaps voorganger daar, ds. Bisschop, heeft achttien jaar aaneen deze gemeente als herder geweid. In die rij is ds. Knap een uitzondering. Hij bleef er slechts anderhalf jaar, van februari 1843 tot juli 1844. Niet dat hij het er niet goed gehad heeft; zijn afscheidspreek begint in ieder geval met deze woorden: 'Aandoenlijk, zeer aandoenlijk is voor mijn hart de tegenwoordige oogenblik. Ik sta aan deze plaats om voor u voor het laatst als uw Leeraar het Evangelie te verkondigen, om u tevens vaarwel te zeggen. Ook aandoenlijk is deze oogenblik voor u, want ik ken u; ik weet en zal het nooit vergeten, wie gij voor ons waart en poogdet te zijn.' Hij brengt de gemeente dank voor de vele bewijzen van hartelijke toegenegenheid aan hem en zijn gezin bewezen, vooral in de dagen van ernstige ziekte. 'Wel wierp eene ernstige ziekte mij op het krankbed ter neder; doch de Heer had nog geen lust in mijnen dood. Hij hoorde het gebed mijner betrekkingen, het mijne, het uwe. De middelen, door de hand eens kundigen en trouwen geneesheers voorgeschreven, werden gezegend en, betrekkelijk spoedig, stond ik weder voor uw aangezigt, om u het getuigenis van Christus te verkondigen.’
Als tekst voor zijn afscheid heeft ds. Knap een zeer gepaste gevonden nl. Handelingen 18 : 11 'En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord Gods.' Zoals Paulus weer uit Corinthe weg moest om Gods raad te dienen, zo moet voor zijn gevoel ook ds. Knap weer verder om aan Gods bedoelingen dienstbaar te zijn. Eerlijk zegt hij: 'Hadt gij langer bij ons gebleven! Ik weet het; zoo spreekt gij thans gevoelvol bij uzelven, gij hebt dit meermalen mij gezegd. Doch wat doet gij, dat gij mij week maakt! Neen stervelingen vermogen niet de toekomst te schikken naar hun wensch! Gods raad moet bestaan!’
De reis gaat nu naar Fijnaart en Heiningen een gemeente, die hem voor de tweede maal beroepen heeft. Hij is daar net twee maanden als zijn vorige gemeente Doornspijk al weer een beroep op hem uitbrengt. Hij bedankt, maar na net een jaar in Fijnaart gediend te hebben, meent hij nu van de vele beroepen, die op hem uitgebracht worden, er één te moeten aannemen. 12 oktober 1845 neemt hij afscheid om nu naar het hoge Noorden te reizen naar een gemeente waar hij langer zal blijven en waar hij, naar de mens gesproken zijn beste jaren zal beleven: de gemeente Heeg in Friesland. Voor de Friezen immers leeft ds. Knap, ondanks het feit dat hij nog elf andere gemeenten diende, in de herinnering voort als 'dûmny Knap ùt Heech’.

H. Harkema, Brakel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Jan Jakob Knap sr. (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's