De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een halve eeuw predikant

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een halve eeuw predikant

19 minuten leestijd

Levensloop
Ds. Jacob Vermaas werd 17 mei 1902 te Heinenoord in de Hoekse Waard geboren, volgde na de lagere school de Mulo in Oud-Beijerland en daarna de normaalschool voor onderwijzer, eveneens te Oud-Beijerland. Na vier maanden in Delft onderwijzer te zijn geweest kwam hij – na privaatlessen – in de zesde klas van het Marnixgymnasium te Rotterdam waar hij eindexamen deed om vervolgens in Utrecht theologie te gaan studeren (1925-1929). Vicariaat en seminarie behoorden toen nog niet tot de opleiding, zodat aan het eind van de studie direct de weg naar de gemeente open lag. Na de eerste gemeente Ter Aa (1929-1932) volgden de hervormde gemeenten van Hoogeveen (1932-1936), Huizen (1936-1946), Amersfoort (1946-1951), Bodegraven (1951-1956), Veenendaal (1956-1962), Huizen (1962-1967), in welke laatste gemeente hij in 1967 met emeritaat ging en vervolgens een pastorale opdracht kreeg voor het bejaardencentrum Voor Anker, een taak die hij tot heden mag verrichten.

Heinenoord-Oud-Beijerland
Heinenoord – de geboorteplaats – was niet wat we dan noemen een Gereformeerde Bondsgemeente. In zijn tijd stond er de ethische dominee De Jong en verder ds. Lyteyn, ds. Wessels en de bekende confessionele dr. G. J. Streeder. Het gezin Vermaas kerkte daar trouw maar de eigenlijke basis voor het leven werd voor ds. Vermaas gelegd in de gemeente Oud-Beijerland, waar hij op school ging en ook op de J.V. is geweest. 'Toen ik voor het eerst als jongen zo'n Beijerlandse dominee hoorde preken, dacht ik bij mezelf: dát is het.' Wel spreekt hij ook met respect over ds. Luteyn, bij wie hij de catechisaties volgde en hij de catechismus leerde. Ds. Luteyn, die rechts-confessioneel was, sprak waarderend over de Gereformeerde Bond: 'ze kunnen er wat mij betreft wel één geheel van maken’.
De gang naar de kerkdiensten in Oud-Beijerland en naar de J.V. in Oud-Beijerland was intussen eigen keus. Het was 'leiding' maar het zat er ook in; intuïtief werd aangevoeld, dat de gereformeerde prediking, zoals hij die bijvoorbeeld hoorde van de predikanten Pot, Van Hof en Koolhaas, het echte was. Ds. J. D. van Hof zou hem dan ook in zijn eerste gemeente Ter Aa bevestigen, wat geschied is met de tekst 'Geef gij hun te eten' en 'Ik ben het brood des levens'. Bij die gelegenheid gaf ds. Van Hof een schilderij over deze tekst.
Door de geestelijke sfeer in Oud-Beijerland is de jonge Vermaas dus helemaal gevormd en – naar zijn eigen getuigenis – is daar sindsdien geen verandering meer ingekomen. Op 16-jarige leeftijd schreef hij voor zichzelf een preek over de tekst 'Zie het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt'. In stijl zou het vandaag wellicht anders gezegd zijn maar niet qua inhoud. Met op de achtergrond deze geestelijke vorming werd de studie ter hand genomen voor het wondere ambt. Waarmee intussen bevestigd werd een tot heden bewaarde brief uit vroeger dagen, dat uit het geslacht Vermaas nog 'leraars' voort zouden komen.

De studie
Uit de studietijd noemt ds. Vermaas de hoogleraren Brouwer (die van de bijbelvertaling), Obbink, Visscher, van Leeuwen, Noordtzij. Brouwer had 'die typische opvatting over de verzoening', namelijk dat Christias stierf 'ten behoeve van anderen', niet 'in de plaats van anderen'. Daarom heeft ds. Vermaas door de jaren heen nogal eens gezegd in de prediking 'ten behoeve én in de plaats van anderen'.
Van professor J. A.C. van Leeuwen herinnert hij zich de colleges over de Romeinenbrief, die op verzoek van hem en anderen bij Kok zijn gebundeld in de serie 'Korte Verklaring van de Heilige Schrift'.
Prof. Visscher was behalve gewoon hoogleraar ook buitengewoon hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond en gaf in die laatste functie twee praktische uren in het oude Domhotel, met overigens niet al te veel studenten. Behandeld werden daar: het gezag van de Heilige Schrift, de Catechismus en later Calvijn. Aardig detail: bij het koffiedrinken schepte de prof. altijd zijn suiker met een lepeltje uit het kopje!


Deelgenomen werd verder aan het verenigingsleven binnen de theologische studentenvereniging Voetius, waar in die tijd de discussie ontstond over de vraag wie men voor Voetius moest laten spreken: alleen mensen uit eigen kring of ook van daarbuiten? Vermaas ijverde voor het eerste; dáár was Voetius immers voor opgericht: 'die anderen hoor je aan de universiteit tóch genoeg.' Ook in die tijd al waren er in Voetius studenten die in hervormd gereformeerde gemeenten terecht kwamen óf in confessionele gemeenten.


De afronding van de studietijd kwam met de proefpreek in de Pieterskerk, onder voorzitterschap van prof. Brouwer, die 'een kruisje zette bij het feit dat ik alleen maar psalmen opgaf'. Dat uitsluitend zingen van de psalmen was overigens ook een bewuste keuze: 'ik weet wel dat ik als jongen al geen gezangen meezong', t.w. in de óók gezangen zingende gemeente Heinenoord. Het was niet alleen een bewuste keuze, het was ook 'een keuze vanzélf, omdat hij wist: 'dat is het, daar ben je bij thuis', bij dat hele geestelijke loven dat er in doorstraalt, samenhangend met de hele wijze van preken.
Desgevraagd formuleert ds. Vermaas dit geestelijk klimaat aldus: 'de werkelijke doodsstaat, de verdorvenheid van de mens, zonder dat hij zijn verantwoordelijkheid verliest; en daarbij de totale verlossing in Christus; dus die twee polen heel sterk benadrukken en goed laten zien hoe God die twee polen nu bij elkaar brengt, hoe die totale verlossing bestemd is voor die totaal verloren mens, en daar geen geschipper tussen maar dat ook de mensen duidelijk zeggen.'
En passant voegt ds. Vermaas er aan toe, dat hij tegen bepaalde prediking wel eens heeft, dat het element van de schuld, de verlorenheid wel eens te weinig tot zijn recht komt, 'waardoor de rijkdom van het verlossingswerk van Christus en dus ook het werk van de Geest te weinig uit de verf komt'.
Als candidaat heeft Vermaas intussen ook een keer in Heinenoord gepreekt, op verzoek van dr. Streeder, die hem daarna een boek van prof. W. J. Aalders cadeau gaf. De liturgie bevatte toen ook uitsluitend psalmen.

De gemeenten
Ds. Vermaas vertelt vervolgens over de gemeenten die hij dienen mocht. Van de negen beroepen neemt hij het beroep naar de gemeente Ter Aa aan. Het is een aparte ervaring om te gaan beslissen voor een beroep. De vraag komt op: waar wil God me hebben? 'En dan stelde ik me dat meestal zó concréét voor: als ik nu straks daar voor die preekstoel sta, als ik bevestigd word, dan kan ik wel zeggen: ik ben door de gemeente en deswege van God beroepen, maar moet dat voor mij nu déze gemeente zijn?' 'Als ik daar ja op kon zeggen dan zei ik: dan is het die gemeente.’


Begonnen werd in de 'kleine' gemeente Ter Aa, een gemeente waar slechts één gezin niet ter kerk ging, 'dus evangelisatiewerk behoefde je daar niet te doen'. Een minder goede ervaring was daar, dat een diaken er met de hele diakoniekas vandoor ging, 'maar het heeft toch nooit de verhouding met die gemeente of die familie geschokt'. Ds. Vermaas is er maar twee jaar geweest, maar bij vertrek had hij het gevoel dat hij uit de gemeente losgescheurd werd. Met de tilbury ging hij er op huisbezoek; 's morgens drie bezoeken, 's middags drie en 's avonds drie. Bij het eerste bezoek zei de ouderling, die meeging, tegen mevrouw Vermaas: 'ik moet eerst eens zien hoe dat ventje van jou eruit ziet', namelijk of hij wel zijn witte strikje voor heeft en de hoge hoed op. De hoge hoed was er, maar het strikje is er nooit gekomen.
Intussen trok men zo in vier maanden de hele gemeente rond. 'Ze waren in Ter Aa een goede bijbelse prediking gewend', zegt ds. Vermaas en passant. Hij voegt eraan toe, dat ds. Six Dijkstra er had gestaan, die politiek bij de H(ervormd) G(ereformeerde) S(taatspartij) was.
Toen ds. Vermaas al uit deze gemeente weg was liep hij er nog eens een keer te wandelen, waarbij de vraag op hem af kwam of – bij alle zegen die er op de prediking geweest was – er wel eens iemand onder de prediking tot bekering zou zijn gekomen. Toen hij kort daarop in Zegveld preekte, in een doordeweekse dienst, kreeg hij daarna een brief van een oud-gemeentelid uit Ter Aa, die zich gedrongen voelde te zeggen, dat zij onder de tweede preek, die hij in Ter Aa hield, tot verandering was gekomen. 'Dat zijn toch hele treffende dingen', zegt hij. De preek had gehandeld over de tekst 'Wilt gijlieden ook niet heengaan?’


Op een wonderlijke wijlze ging ds. Vermaas uit Ter Aa naar Hoogeveen. Niet wetend hoe te beslissen ging hij met de bedankbrief op zak naar het postkantoor, waar de brief vóór een bepaalde tijd gepost moest worden, want de termijn liep af.
Bij het postkantoor gekomen kon hij er niet binnengaan. Verder gereden was het alsof iemand met kracht zei: 'Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.' Het was het antwoord om Hoogeveen, waar hij vanwege de grootte tegenop zag, aan te nemen. 'Dank u wel Heere', was het verwonderde antwoord. Thuis gekomen zat er een commissie uit Krimpen a/d Lek met een lijst met 500 handtekeningen om er uitdrukking aan te geven, dat men hem graag in die gemeente als dominee had. Maar de beslissing was gevallen. Zijn vrouw wist het nog niet eens.


Al spoedig werd in Hoogeveen duidelijk, dat daar een brandende vraag was: kom je alleen bij de hoge heren of ook bij de minder bedeelden? Bemerkte men, datje ook bij hen kwam 'dan gingen ze voor je door het vuur'. Met groot genoegen heeft hij er gewerkt. Ds. Vermaas gewaagt van de romantiek als op door hem begonnen weeksamenkomsten in de Kremboom de mensen met 'stormlantaarntjes' uit de buitenwijken ter kerke kwamen. Gepreekt werd dan met een petroleumlamp achter het hoofd, hetgeen de transpiratie bepaald bevorderde.
Verder was er de kerkelijke trommelslager. De eerste roffel was 's morgens om zeven uur voor de pastorie en precies een minuut voordat de dienst moest aanvangen was hij terug van zijn laatste ronde en dan begon het voorgebed in de consistorie.
In de buitenwijken woonden de mensen, die arm waren. In de prediking kwam dan ook het sociale element aan de orde, terwijl ds. Vermaas ook voor vakbondsvergaderingen sprak. Het was in de crisisjaren, waarin ook mevrouw Vermaas zich beijverde om kleding te bezorgen bij de mensen. Er werd vanuit de kerk ook veel gedaan voor de werklozen. In die tijd staakten in Amsterdam een aantal werknemers. Zeven Amsterdamse dominees stelden zich achter die stakers. Toen kwamen trouwe kerkgangers uit Hoogeveen aan ds. Vermaas vragen: 'dominee, zou u ook geen adhesie willen betuigen met die staking, want dat s toch ook onze nood en we zitten daar maar mee.' Met de nóód voelde ds. Vermaas mee, maar hij achtte het onjuist om zich achter zo'n Amsterdamse staking te stellen.


Van Hoogeveen naar Huizen. 'Dat was een heel bijzondere tijd.' De oorlogsjaren werden er doorgebracht. 'Het bijzondere van Huizen was, dat je er – in de lijn der geslachten – veel godvrezende mensen trof' en dat het geestelijk leven zo open lag. (De Drent was stiller).
In de oorlog, toen er 's avonds geen kerk kon worden gehouden, werden de wekelijkse bijbellezingen overdag gehouden. In die tijd moest ook bericht worden gebracht aan familieleden, dat verwanten waren omgekomen, terwijl zij soms net bericht hadden gehad, dat alles goed was.
Toen – tegen koninginnedag – in de Oude Kerk 's morgens en in de Nieuwe Kerk 's middags spontaan het Wilhelmus was gezongen kreeg de gemeente van de bezetter een boete van ƒ 60.000,–. Een rondgang door de gemeente leverder ruim ƒ 30.000,– op. Na beraad in de Haag – samen met ds. G. J. Koolhaas – bleef het bij de afdracht van ƒ 30.000.
In alle diensten werd overigens in de oorlogsjaren voor de koningin gebeden. En toen de bevrijding kwam stroomden de mensen spontaan naar de kerk. De schildwacht stond no op de toren. In een stampvolle kerk werd de bevrijding gevierd met de tekst 'Heere ga uit van ons want wij zijn zondige menzen'. Ds. G. Lans had voor die gelegenheid een groot gedicht gemaakt, dat later in druk is uitgegeven.
De kerkdiensten in Huizen – hoewel overal – zijn voor ds. Vermaas onvergetelijk geweest. Ds. Vermaas memoreert intussen hoe belangrijk de steun van zijn vrouw en gezin ook in die tijd is geweest, zodat al het werk kon worden verricht.


Van Huizen naar Amersfoort, waar ds. Vermaas een gemeente trof met een luisterend oor. Hier vond een stuk evangelisatiewerk plaats, met name in de achterbuurtwijken. In Amersfoort is het voorgekomen, dat er jaren waren met 300 catechisanten, inclusief dan de belijdeniscatechisanten. De tijd in Amersfoort was nog vóór de aanneming van de nieuwe kerkorde. Er vonden nog grote kerkeraadsvergaderingen (van alle wijken) plaats met ruim 80 leden. Daar werden ook de kwesties, die de modaliteiten verdelen, besproken, soms in alle scherpte. Maar verder was de verhouding van de modaliteiten 'geregeld'. Eénderde was om zo te zeggen voor de Gereformeerde Bond, in de verschillende aspecten van het gemeentelijk leven.


In Bodegraven, de gemeente ná Amersfoort, kwamen de gesprekken met de confessionelen op gang, die later ook een predikantsplaats hebben gekregen. De lidmatenkringen, waar de mensen zelf inleidingen hielden, trokken in deze jaren veel belangstelling.
In Veenendaal (ná Bodegraven) was er een uitermate goede werksfeer tussen de collega's. Voor ds. Vermaas is Veenendaal altijd een 'dynamische gemeente' geweest. Veenendaal is een centrum, zodat alle mensen uit de omgeving daar komen winkelen. Vandaar het drukke winkelcentrum.
Veenendaal, een gemeente die stimuleert tot werken, vindt ds. Vermaas. In Veenendaal was alles heel wijksgewijs geregeld, bijvoorbeeld per wijk een jongelingsvereniging.


En dan nóg een keer Huizen. Daar kom je dan met een bepaald verwachtingspatroon, gezien de eerste keer, zo luidt mijn vraag. Maar ds. Vermaas wil nu juist 'sterk benadrukken' dat dit niet het geval was. In de intredepreek heeft hij gezegd, dat hij weer gekomen was omdat het zó moest, maar niet 'om de draad weer op te nemen', die hij vroeger los moest laten. Met de intredetekst 'Want het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan' heeft hij aangegeven in welke stroom hij ook de tweede keer in Huizen wilde staan. Hij begon derhalve alsof hij er niet eerder had gestaan en denkt intussen met dankbaarheid terug aan de collegiale verhouding en geestelijke contacten met de predikanten Cirkel, van Kooten, den Besten, Boer. In deze jaren werd de nieuwe Zenderkerk gebouwd en geopend met de tekst 'Uw goedertierenheid zal eeuwig gebouwd worden'.

Synode
In zijn Veenendaalse tijd was ds. Vermaas lid van de generale synode en daarin van het breed moderamen. Voor dat breed moderamen heeft Hij op een bepaald moment bedankt. Hij meende toen de verantwoordelijkheid niet langer te kunneri dragen inzake enerzijds de behandeling van de zaak Smits ('geef mijn portie maar aan fikkie' terzake van de verzoening door voldoening) en de behandeling van de kwestie van een Utrechts predikant die een verhouding had met een andere vrouw. Laatstgenoemde mocht zich na diens scheiding weer beroepbaar stellen ('hij kan nu weer helemaal mens zijn', aldus een moderamenlid). Waarom mag die man nu geen dominee weer zijn?, vroeg iemand. 'Die man heeft een vrouw, die hij niet hebben mag', was het antwoord. Zo zei Johannes het ook tot Herodes. Het was al met al voor ds. Vermaas de druppel, die de emmer deed overlopen en hij bedankte. Wel bleef hij lid van de synode. Daar stond hij overigens middenin.
Hij memoreert de hoogstaande besprekingen op de synode over de Uitverkiezing, waarover toen een rapport is uitgegeven. Prof. Berkhof heeft toen opgemerkt, dat uit die bespreking op de synode méér was gekomen dan uit het beraad van de Raad voor de Zaken van Kerk en Theologie.
Ook een betoog van prof. dr. A. A. van Ruler over de Verzoening wordt met respect genccind. En dan nog een incident: toen prof. Van Niftrik een keer zei dat, aangezien Abraham Kuyper de mensen (hij zal wel bedoeld hebben niet alle, v. d. G.) niet mee had kunnen krijgen (de Hervormde Kerk uit), Severijn dat ook niet zou kunnen, liep synodelid ds. P. M. van Galen de zaal uit.
Al met al zijn het jaren geweest van een grote bewustwording in de zaken, die in de kerk aan de orde waren.

De bonden
Een belangrijk deel van zijn leven heeft ds. Vermaas deelgenomen aan het werk van de hervormd-gereformeerde bonden. In 1939 kwam hij in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, waarvan hij jarenlang penningmeester was. In 1942 werd hij bestuurslid van de Jongelingsbond, later de Hervormd Gereformeerde Jeugd Bonden, waarvan hij in 1942 direkt voorzitter werd; en verder was hij bestuurslid van de Hervormde Bond voor Inwendige Zending op g.g., waarvan hij eveneens een aantal jaren voorzitter is geweest.


In het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond kwam hij na een moeilijke tijd, namelijk toen de discussie Woelderink-Visscher (Kievit) de bond verdeelde. Toen Woelderink net zijn artikelen over het Verbond publiceerde – aldus ds. Vermaas – sprak dat zeer aan. Later rees de gedachte, dat het toch niet helemaal klopte: 'wordt het toch alles niet teveel verobjectiveerd?' Toen heeft ds. Vermaas voorgesteld, dat ook een ánder over het verbond zou schrijven. Dat heeft toen prof. dr. J. Severijn in een serie artikelen in De Waarheidsvriend gedaan.


In het begin van het lidmaatschap van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond ebde de vooroorlogse discussie nog wel even na. Er kwam echter al spoedig een 'opklaring in het hele gereformeerde gebeuren' en vervolgens is er door de jaren heen sprake geweest van grote eenstemmigheid. Het enige punt is geweest, dat men niet altijd heeft kunnen begrijpen, dat prof. Severijn, zélf tegenstander zijnde van de nieuwe kerkorde, toch zo'n werkzaam aandeel heeft gehad in de voorbereiding daarvan. Prof. Severijn wilde deze kerkorde – zo zei hij – in de kerk bespreekbaar maken.
Intussen memoreert ds. Vermaas nog eens nadrukkelijk hoe indrukwekkend prof. Severijn gesproken heeft op een bijeenkomst in Amsterdam terzake van Gemeenteopbouw over 'het dogma van God'.
Nog even terugkomend op Woeiderink zegt ds. Vermaas, dat ieder grote achting voor hem had, hoewel men hem tenslotte niet meer heeft kunnen volgen, zeker niet toen hij zich ging distanciëren van de Dordtse Leerregels terzake van de Uitverkiezing.
In de oorlogsjaren werd ds. Vermaas lid en – als gezegd – direct ook voorzitter van het hoofdbestuur van de Jongelings-Bond, in de plaats van ds. R. Bartlema. Tot 1962 (precies 20 jaar) is hij voorzitter geweest. Hij heeft nog net de fusie van de jongelings- en de meisjesbond meegemaakt. De bondsdagen met ongeveer 5000 jongeren in Utrecht worden met ere genoemd. In de begintijd was wél ter discussie of de jongeren wel evangelisatorisch bezig moesten zijn. Ze moesten het immers zelf nog leren.


En tenslotte de Hervormde Bond voor Inwendige Zending op g.g. Eerst behartigde deze bond de evangelisatieposten, die in feite bij de Gereformeerde Bond hoorden, namelijk de modaliteitsevangelisaties in niet-gereformeerde gemeenten. Dit was echter geen echt evangelisatiewerk. Later werd het werk echter inderdaad evangelisatorisch.
In alle bonden heeft ds. Vermaas met vreugde gewerkt. Hij denkt met dankbaarheid terug aan de goede sfeer en eenstemmigheid.

Afsluitende vragen
We sloten het gesprek met ds. Vermaas af met nog een paar vragen.
Is de situatie binnen onze kerk, met name wat betreft de verhouding van de modaliteiten, in de vijftig jaar dat u de kerk mocht dienen sterk gewijzigd?’
Ds. Vermaas: 'Het gaat nu wel eens over andere kwesties, bijvoorbeeld de maatschappelijke en politieke vragen, maar ten aanzien van de functie van de belijdenis is er niet zoveel verschil. Het wordt moeilijker, omdat de verschillen in het Schriftgeloof groter zijn geworden. Als je het gereformeerde Schriftgeloof niet hebt kom je bij het vrijzinnige Schriftgeloof uit, zei prof. dr. H. Visscher. En wat het gemeentelijk leven betreft er zijn kwesties bijgekomen die het moeilijker maken, bijvoorbeeld de Nieuwe Vertaling, de Nieuwe Berijming, de vrouw in het ambt. Ik denk wel eens: ik kan, nu ik aan het eind sta best een standpunt innemen, maar wat moeten de jonge predikanten die er nog helemaal voor staan.’

‘Wat vindt u het wezenlijke van de gereformeerde prediking?’
Ds. Vermaas: De diepte van de gereformeerde prediking wordt bepaald door de verlorenheid van de mens, door zijn schuld voor God, zodat, een mens helemaal op genade is aangewezen. Dat kan enerzijds wel eens wat vervlakken in de prediking, waarbij als reactie dan weer op een zeer eenzijdige manier gepreekt wordt, zodat Christus als een pro-memorie nog slechts aan de orde komt, of zodat de preek voor 95 procent bepaald wordt door hoe het niet is en voor vijf procent hoe het wel is. Echte reformatorische prediking doet terugvallen op het enige fundament, op het volbrachte werk van Christus, die ons gegeven is tot 'wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing' (1 Kor. 1 : 30). Het waarachtige leven van de genade moet, in de weg der ontdekking, gestalte krijgen in de zondaar. Dan zal het ook gaan om de heiligmaking, om het leven in de vreze Gods. Want in de christen wordt zo ook het werk Gods verheerlijkt.’

'Hebt u ooit de aanvechting gekend om vanwege de situatie in de Hervormde Kerk heen te gaan naar een andere kerk?’
Ds. Vermaas: 'Nee, nooit. Wel is het me steeds een grote zorg geweest, dat de zaken, waarom het in ons gereformeerd belijden gaat, écht op tafel komen, ook in het jongerenwerk, ook in het evangelisatiewerk en dat die met name op de tafel van de ambtelijke vergaderingen komen. Maar afscheiding, nee! Er is in andere kerken wel zegen geweest maar de oplossing van het kerkelijk vraagstuk is met de scheidingen ook niet gegeven.’

'Als u ter afsluiting iets zou moeten zeggen tegen hen die nog aan hun ambtelijke dienst moeten beginnen of er pas aan begonnen zijn?'
Ds. Vermaas: 'Bidden om de kracht van de Geest om door het Woord geleid te mogen worden en dat alleen uit te dragen, in de lijn van de gereformeerde belijdenis. Daarbij mogen we het oog gericht houden op Christus die Zélf zijn gemeente bouwt. We behoeven er niet overspannen van te raken. Uiteindelijk blijft er geen plaats onbezet. Ik laat vaak zingen in de diensten:
'Ik weet hoe 't vast gebouw van uwe gunstbewijzen
naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen.’
(Psalm 89 : 1)

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een halve eeuw predikant

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's