De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Corruptie en medemenselijkheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Corruptie en medemenselijkheid

Medemenselijkheid

7 minuten leestijd

Het humane en het christelijke
Wij moeten nog wat verder ingaan op de vragen die we in de vorige bijdrage aan de orde stelden. Dankzij Gods algemene genade zijn er nog bewijzen van medemenselijkheid, hulpbetoon, zijn er nog liefdedaden in deze wereld. Wij mogen daarop niet afdingen en vervallen in een bodemloos cultuur pessimisme dat voorbijziet aan Gods zegeningen.
Anderzijds geven de resten van medemenselijkheid ons geen recht te komen tot een optimistische mensbeschouwing waarin de diepe tonen van het gereformeerd belijden inzake 's mensen verdorvenheid niet meer doorklinken. En juist dat laatste zien we vandaag de dag in allerlei bezinning rond humaniteit en medemenselijkheid maar al te dikwijls gebeuren. Ja, soms krijg je het gevoel dat zij die trouw willen blijven aan de reformatorische traditie inzake de val van de mens in het paradijs, en aan de belijdenis van de radicale verdorvenheid van de door God goed geschapen, maar door zijn ongehoorzaamheid gevallen mens, in een theologisch isolement verkeren dat zijn consequenties heeft voor allerlei praktisch-kerkelijk handelen.
Voor velen is het zo, dat zonde niet gezien wordt als radicaal bederf van de goed geschapen mens, maar als onvolmaaktheid en vertraging. Men geeft in zijn optimisme hoog op van de algemene humaniteit die mensen in staat stelt tot liefdevol, medemenselijk handelen, die hen inspireert tot vernieuwing en samenlevingsopbouw. Het humane handelen dreigt vereenzelvigd te worden met het christelijke. Bevordering van de menselijkheid door wie dan ook-christen, islamiet, marxist of humanist – is per definitie dienst aan het Evangelie, zegt men dan. Op de achtergrond leeft dan al of niet uitgesproken de gedachte dat ieder mens in de genade geschapen is en bondgenoot van God is, partner in Zijn Verbond.
Het gevolg is dat de menselijkheid – hoe dan ook ingevuld – norm en maatstaf van het handelen wordt. Gevolg is bok dat voor het christen-zijn niet meer bepalend is de geloofsband aan Jezus Christus, maar het medemenselijk handelen. Waar dat gevonden wordt daar is Christus present, daar is de kerk buiten de kerk aanwezig, daar kan men spreken van anonieme christenen. Van hieruit valt ook te begrijpen, dat velen zo geporteerd zijn voor de dialoog met moslims en marxisten, want men meent elkaar te kunnen vinden op de noemer van de praktische medemenselijkheid.
Nu moet ongetwijfeld gezegd worden dat het Evangelie niet anti-humaan is. Als we door Christus verzoend worden met God en door Zijn Geest vernieuwd worden naar Gods beeld, dan worden we weer mensen naar Gods bedoelingen; mensen Gods. Maar het menselijke als zodanig is daarom nog niet het christelijke.

Algemene en bijzondere genade
Ik kan dat ook nog van een andere kant benaderen. Toen Kuyper zei: De wereld valt mee en de kerk valt tegen, kwam dit bij hem voort uit een gegrepen zijn door de gave van Gods algemene, zondestuitende genade in deze wereld. Tegelijk bevatte dit woord ook een aanklacht aan de kerk die zo menigmaal gelijkvormig is aan deze wereld en door de wereld beschaamd kan worden.
Maar Kuyper onderscheidde nadrukkelijk de algemene, zondestuitende genadewerking en de wederbarende, bijzondere genade van God in de herschepping van de zondaar. Nu kan men bezwaren maken tegen het schema: algemeen-bijzonder. En ik meen, dat zodra het als schema gaat fungeren, we in de gevarenzone verkeren. Maar het motief is bijbels. Met deze onderscheiding wilde men erop wijzen dat de Here God ook de gevallen wereld en het in de zondeslavernij vervallen mensenleven niet uit Zijn hand laat vallen.
Wat zien we echter in de huidige nieuwe theologie? Men schuift de bijzondere genade a.h. w. over de algemene genade heen, en laat beide ineenvloeien, zodat men op die wijze de schepselmatige menselijkheid zo hoog kan waarderen en het menselijke als zodanig het christelijke is.

Niet te verontschuldigen
Daar is nog iets dat we in dit verband niet mogen verwaarlozen. Wij behoeven niet af te dingen op wat er buiten het geloof om aan liefdedaden, en blijken van medemenselijkheid gevonden wordt. Wij hebben dat alles wel te toetsen aan wat God in Zijn Woord van ons vraagt.
Of liever gezegd: Wij leven met dit alles voor Gods aangezicht die ons schuldig stelt en oordeelt. Wanneer in Romeinen 1 en 2 gesproken wordt over de kennis van God die er nog gevonden wordt bij de mens, over heidenen die tonen dat het werk der wet in hun harten geschreven staat, kortom over mensen die herkenbaar en aanspreekbaar zijn als schepselen Gods, juist in hun medemenselijk handelen, dan staat dit bij Paulus in de verbanden van de aanklacht, in dat aangrijpende requisitoir waarin de apostel elk mens. Jood en heiden, schuldig stelt voor God. Met name Berkouwer legt hier in zijn eerder genoemde studie over de mens als beeld van God nadruk op. Op blz. 205 schrijft hij: 'Hij (nl. de mens) is in het hem geschonken mens-zijn van Gods heerlijkheid vervreemd en in dat mens-zijn geldt het woord: Niemand is rechtvaardig ook niet één, er is niemand die verstandig is, niemand die God ernstig zoekt, alle zijn ze afgeweken. Deze mens is nergens onttrokken aan het gericht Gods.' De verwijzing naar de gebleven medemenselijkheid (Gods bewaring) is nimmer reden tot enige verontschuldiging. Integendeel voor Gods aangezicht wordt beleden dat wij temidden van al die geschonken gaven eigen wegen gaan.

Geen garantie
Wij zullen bovendien niet mogen vergeten dat de uitingen van medemenselijkheid en humaniteit geen garantie zijn tegen verwording en vervreemding. Ik herinner u nogmaals aan Handelingen 28. De bewoners van Malta worden ons geschetst als menslievende mensen, humaan handelend. Maar er schuilt in de meest letterlijke zin een adder onder het gras (vgl. G. v. Leeuwen, Om mens te zijn, blz. 67). Als Paulus door de adder gebeten wordt zijn deze menslievende heidenen nergens meer. Het ene moment verafschuwen zij de apostel, als voorwerp van de wraak van de Gerechtigheid. Het andere moment willen ze hem vergoddelijken. De medemenselijkheid slaat spoedig om in zijn tegendeel.
Dat is tekenend. Zeker, dankzij Gods bewaring is er nog menslievendheid en humaniteit. Maar de Schrift laat ons ook zien hoe dat geen waarborg is. Als God zijn hand terugtrekt en de mens overgeeft aan de duisternis van zijn eigen hart, neemt de vervreemding ontstellende vormen aan. Mattheus 24 en de Openbaring van Johannes leren ons dat wanneer de antichrist, de mens der wetteloosheid verschijnt, de liefdeloosheid hoogtij viert. Dan redden onze humaniteit en opofferingsgezindheid het niet. Er zal, zo lezen we in 2 Tim. 3 : 1vv, in het laatst der dagen nog wel 'liefde' zijn, maar het is de liefde tot het genot, in plaats van de liefde tot God.
Ik meen, dat we dat juist in onze geseculariseerde cultuur moeten bedenken. Tegen het dreigend nihilisme van een verwereldlijkte cultuur die hier en daar antichristelijke trekken aanneemt, baat geen beroep op menselijke goedheid. Prof. H. van Riessen beschrijft dit proces op indringende wijze in zijn boek Mondigheid en machten, dat ik u graag ter lezing aanbeveel. Hij wijst erop dat we nog allerlei 'aftreksels' van de ware, bijbelse naastenliefde tegenkomen. 'Maar als het gebod als zodanig verdwijnt over de horizont, dan loopt ook deze rest van liefde leeg. De ander, zegt Sartre, is de hel' (blz. 110).
Wij mogen niet uit pessimisme vervallen tot lijdelijkheid. Laten we, dankbaar voor Gods trouw en bewaring, werken zolang het dag is. Doen wat onze hand vindt om te doen. Dan zullen we van geval tot geval na hebben te gaan waar we als christelijke gemeente samen met anderen bezig kunnen zijn in hulpverlening, ontwikkelingswerk, samenlevingsopbouw, strijd tegen ontmenselijking, enz. enz. Maar laten we tegelijk waakzaam zijn. En de tendenzen ook in onze samenleving naar een antichristelijke samenleving niet veronachtzamen. Wat ons daarin staande kan houden is niet te vertrouwen op de humaniteit en de medemenselijkheid. Ons mens-zijn wordt alleen gered en is alleen veilig in de grote omkeer door de barmhartigheid en de mensenliefde die verschenen is in Jezus Christus (Titus 3 : 4vv.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Corruptie en medemenselijkheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's