De vaste grond
Overwegingen bij kerkenconferentie
Door de Raad van Kerken is een kerkenconferentie georganiseerd. Dit zal aan de meeste mensen voorbijgegaan zijn. We hebben althans weinig belangstelling geconstateerd voor dit initiatief. Toch zijn er kennelijk ongeveer 400 'kerkenconferentiegroepen' bezig geweest met discussievragen over 'geroepen tot Hoop'. Er zijn tenminste 400 verslagen bij de coördinatoren van deze conferentie, ds. F. Mooi en J. van der Sar, binnengekomen. Deze verslagen geven zéker geen doorsnee van het gevoelen over geloofszaken in kerkelijk Nederland. Enerzijds houden diverse kerken in ons land zich afzijdig van de Raad van Kerken , die een koers vaart gelijk aan die van de Wereldraad van Kerken. Anderzijds is er ook binnen de wel aangesloten kerken sprake van duidelijke selectie. Grote groepen binnen deze kerken weten zich ook niet verwant met de achtergronden van de Raad van Kerken in Nederland. Uit hervormd gereformeerde en confessionele kring in de Hervormde Kerk bv. is de belangstelling voor deze kerkenconferentie – dat blijkt tenminste uit de teneur van het verslag van de twee genoemde predikanten – kennelijk miniem geweest. Het verslag ademt de geest van het 'midden' der kerken en is daarom typerend dáárvoor. Op één aspect van wat in het verslag als grondhouding gevonden wordt wil ik evenwel in het onderstaande nader ingaan. Want dat grijpt diep in in de geloofscrisis van vandaag. Het gaat om 'de vaste grond’.
Alleen maar houding?
Het merendeel van de groepen – aldus het verslag – 'stemt in met de stelling, dat geloven meer een kwestie is van levenshouding en keuze, dan het voor waar houden van een aantal formuleringen'. Geloven is niet iets statisch – zo héét het dan – maar iets dynamisch. Het gaat meer 'om de Heer dan om de leer', een uitdrukking overigens die in de vorige eeuw al sterk in zwang was.
Hoe dit alles concreet wordt uitgewerkt leert ons een passage in het verslag, waarin het gaat om het geloof in God. Gods nabijheid wordt door mensen ervaren in 'de stilte, het gebed, de natuur' maar anderen vinden God 'juist niet in de natuur', maar tijdens de kerkdienst, bij het bijbellezen, in de verkondiging. Maar wat betreft die beleving van Gods nabijheid, nl. tijdens de kerkdienst bij het bijbellezen en in de verkondiging wordt opgemerkt, dat dat maar voor betrekkelijk weinig(!) mensen, die aan het beraad van de kerkenconferentie deelnamen, het geval is. Het wordt ten aanzien van de kerk als instituut verder nog een keer zo gezegd:
‘Men acht de geloofsrelatie met de Heer van meer belang dan de band met de kerk als instituut.’
Onze belijdenis
Het zou best de moeite waard zijn om ook andere aspecten van het verslag nader te bezien, maar het gaat me hier nu om deze gedachten, waarmee het wezenlijke van het geloof wil worden getypeerd. We treffen hier een gans ander denkklimaat aan dan dat van de Schrift en de daaraan ontleende belijdenis van onze kerk.
Ik wil beginnen met op te merken, dat het weliswaar bijbels is, dat het geloof ook tot uitdrukking komt in onze levenshouding. Het geloof zonder de werken is dood, zegt Jacobus. En verder is het zeker ook waar, dat geloof, dat blijft steleen in 'het voor waar houden van een aantal formuleringen' de dood in de pot is. Zulk een geloof lijdt tot formalisme, tot leerstelligheid. En verder gaat het in het geloof zeker om de levende relatie met de Heere. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat hier, in dit verslag de vastheid van de leer der Schriften, van de gegevenheden in de klassieke leer van de kerk, wordt prijsgegeven aan dynamisch denken, waarbij de verkondiging, de kerkdienst – zoals ook werd gezegd – niet van zo wezenlijke betekenis meer zijn. 'Niet de leer maar de Heer', heet het dan in dit dynamisch denken.
De Heidelbergse Catechismus gebruikt in zondag 7 kláárder taal als het over het geloof gaat: een stellig weten of kennis, waardoor ik. alles voor waarachtig houd dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Wat mag het wel voor een geloof heten, dat niet meer in de Schrift zelf geworteld is, dat niet gegrond is op wat God ons heeft geopenbaard. Als op de kerkenconferentie slechts weinigen de functie van de verkondiging voor het geloof van belang achten dan kan men zich afvragen of hier dan niet veel meer sprake is van een algemene religiositeit – het oude verhaal van 'God is ook te vinden in de natuur', waarbij zich dan nu het element van de samenleving, de wereld voegt – dan van geloof, zoals dat in de Reformatietijd en daarna naar de Schriften is verwoord. De Catechismus spreekt ook over een vast vertrouwen, door de Heilige Geest, door middel van het evangelie in het hart gewerkt, dat niet alleen anderen maar ook mij vergeving van zonden is geschonken. 'Stellig weten' en 'vast vertrouwen', dat is de klare taal van de belijdenis der kerk. Wat hebben we in de kerk(en) niet tot schade van het geestelijk leven de catechismusprediking verloren. De Heidelberger, de eenvoudige Heidelberger, houd daaraan vast kinderen', zei Kohlbrugge op zijn sterfbed. Als in genoemd verslag gezegd wordt, niet de leer maar de Heer, dan zeggen we liever: wél de leer, namelijk deze leer des Heeren. Daarin zal het geloof gefundeerd moeten zijn, in de leer van apostelen en profeten.
Hebreeën 11
In Hebreeën 11 wordt gesproken over het geloof, dat een vaste grond is van de dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet. Wéér dat woord vast: vaste grond. Het geloof is geen misschientje, geloof naar zijn wezen is ook niet dynamisch, in de zin van 'steeds in ontwikkeling'. Al zal elke tijd haar eigen vragen hebben die vanuit het geloof om een levenshouding van de gelovige vragen, het wézen van het geloof ligt niet in de lévenshouding maar in de vaste gegevenheden, ons in de Schriften geopenbaard. Het dynamisch denken over het geloof, zoals in het genoemd verslag gebeurt, komt te veel op uit de gedachte dat het geloof vooral levenshouding is en niet zozeer met de leer te maken heeft. Het geloof heeft echter in zich het statische van de onwrikbare fundamenten, die God ons heeft geopenbaard in Zijn Woord. Daarin te geloven is echter intussen ook geen zaak van het louter voor waar houden van een aantal formuleringen. Het is het geloof, dat door de Heilige Geest wordt gewerkt, waardoor een mens aan de weet komt wie hij voor God is als zondaar, als verloren schepsel maar waardoor hij ook kennis krijgt aan de genade, die in Christus voor verlorenen is aangebracht. Dat is geen puur verstandelijke zaak, het is een zaak waar de mens met zijn hele existentie bij betrokken is.
Dr. R. Bartlema, al jaren geleden overleden, gaf in 1954 een prekenbundel uit onder de titel Wereldoverwinnend Geloof, dit naar aanleiding van Hebreeën 11 en 12 vers 1 en 2. Daarin zegt hij, naar aanleiding van Hebreeën 11 vers 1, waarin over het geloof als vaste grond gesproken wordt, alleréérst, dat dit woord ons misschien als een soort definitie in de oren klinkt, 'maar de Heilige Schrift is geen boek van definities en omschrijvingen'. En dan zegt hij o.a.
'En wat zegt de Apostel daar nu van? Allereerst, dat geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt. Hij noemt dus in één adem met het geloof de hoop. De levende hoop, de hoop van Gods kinderen, de Christelijke hoop.
Er is ook een andere hoop! De Heilige Schrift spreekt van een ijdele hoop, een hoop, die geen grond heeft en daarom dood is. Ach, wat is die er veel in het leven. Hoeveel ongeneeslijk zieken vleien zich met een ijdele hoop op beterschap. Hoevelen, die liggen voor de poorten des doods, stellen zich gerust met te hopen op Gods liefde, zonder iets te beseffen van Zijn heilig recht en de noodzakelijkheid van verzoening door Christus.
Onze hoop moet gegrond zijn, zal ze werkelijk een levende hoop zijn, die ons heendraagt door dit leven om straks over te gaan in de vervulling, die daar is als we mogen ingaan tot 'de onverderfelijke en onbevlekkelijke, onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard wordt, voor hen, die in de kracht Gods bewaard worden door het geloof, tot de zaligheid die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd' (1 Petrus 1 : 4 en 5).
In de tekst nu gaat het over de grond van de hoop van Gods kinderen. Want 'het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt', zegt de tekst.
De echte hoop ontspruit aan de wortel des geloofs. Alleen wie waarlijk gelooft, het zaligmakend geloof in Gods goedertierene beloften in Christus kent, die verstaat er ook iets van als de Apostel spreekt van 'in hope zalig te zijn geworden' (Romeinen 8 : 24).
Daarom kan men ook met recht zeggen, dat het geloof nooit teveel kan verwachten.
Er is wondere wisselwerking tussen geloof en hoop. In de dingen van het gewone leven gaat dat reeds op. Wanneer ons iets beloofd wordt en wij ons op die belofte verlaten, haar geloven, wat kunnen we dan ons vaak in blijdschap uitstrekken, naar wat beloofd is. Wat zijn we dan vaak bezig ons in ons hopen en verwachten in te leven in wat we geloven te zullen ontvangen.
Zelfs is er waarheid in het zeggen, dat de verwachting groter is dan het genot. De vervulling van wat beloofd is, valt ons hier haast altijd tegen. Dat doorleefden wij als kinderen. Ook als we ouder worden kwelt die ervaring ons vaak.
Maar gans anders is het met de dingen, die boven zijn, met het grote heil in Christus. Daarvan geldt niet, dat de verwachting groter is dan het genot. Neen, daarvan zal gelden: 'de helft is mij niet aangezegd’.
Geloof en hoop, hier in de tekst gezien in hun eigenaardig verband, hebben eigenlijk hetzelfde voorwerp. Het gaat in beide om hetzelfde heil. Alleen is er dit verschil: het geloof grijpt zich vast aan het woord, dat de zaligheid als in belofte voor ons doet oplichten, terwijl de hoop zich verlustigt in de zaligheden, die door het woord der belofte worden uitgebeeld.
En als dan gevraagd wordt, of die hope nu wel zeker en gewis is, of zij niet in de lucht hangt, dan antwoordt de Apostel in de tekst daarop met dat machtige: 'het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt', m.a.w. het geloof in Gods beloften is voor de hoop als een onderbouw, een stut, een steun, een fundament, een innerlijke zekerheid. Zo is het ware geloof zekerheid van binnen en 'ligt als een fundament onder de hoop’.
Hoor wat Calvijn in zijn verklaring van onze tekst hierbij aantekent:
'Nooit zullen wij de eindpaal des heils bereiken, indien wij niet met lijdzaamheid zijn begiftigd. Want de profeet verzekert, dat de rechtvaardige door het geloof zal overwinnen. Evenwel roept het geloof ons heen naar dingen ver verwijderd, die we nog niet in bezit hebben. Wij weten echter, dat onze hope zich niet uitstrekt naar de dingen, die onder ons bereik zijn, maar die tot nog toe verborgen zijn, of welker genieting verschoven is naar een andere tijd. Derhalve onderwijst ons nu de Apostel van hetzelfde als in de brief aan de Romeinen in hoofdstuk 8 : 24. Zo vermaant ons de Apostel dat wij niet geloof in God zullen, hebben met betrekking tot het tegenwoordige, maar met betrekking tot datgene, welks verwachting tot nu toe opgeschort is. Geloof, zo zegt hij, is een vaste grond, d.w.z. een stut, een bezitting, waarin wij onze voet plaatsen. Maar van welke zaken is dat geloof de bezitting? Van dingen, die afwezig zijn, die niet onder onze voeten liggen, maar verre uitgaan boven het bereik van ons verstand en vernuft’.
Graag geef ik deze klare taal van wijlen ds. R. Bartlema – in aansluiting ook op Calvijn – hier nog eens door. Hierbij zal de kerk meer welvaren dan bij vage formuleringen over dynamisch denken en bij relativerend spreken over de verkondiging als levensnoodzakelijk voor het geloof. En nogmaals: de Heidelberger, de eenvoudige Heidelberger, daarin flonkert het goud van de leer der kerk, de leer die naar de Schriften is.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's