De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jan Jacob Knap sr. (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jan Jacob Knap sr. (3)

Zij die bleven (26)

9 minuten leestijd

Volksprediker te Heeg
Met de woorden uit 2 Cor. 3 : 5 'Maar onze bekwaamheid is uit God' verbindt ds. Knap zich 19 oktober 1845 aan zijn nieuwe gemeente. Dr. Wumkes heeft, ruim zestig jaar later, in die plaats bij de mensen navraag gedaan naar de tijd van de ambtsbediening van ds. Knap. Men wist hem, veelal uit overlevering, legio anecdotes over deze dominee te vertellen. Over de vriendelijkheid van de 'dümny' bijv., die voor ieder, jong en oud, altijd een gemoedelijk woord had. Over de kerk, die in die jaren bij de diensten steeds voller werd. De mensen kwamen van heinde en ver om erbij te zijn als ds. Knap voorging. Sommige zaten twee en een half uur in een vensterbank of stonden in de paden, maar het was geen bezwaar; de tijd vloog immers, als hij bewogen en meeslepend de woorden Gods verklaarde? Tussen de diensten bleef men, in gezelschappen in Heeg over, en als de avonddienst voorbij was ging men in groepen zingend huiswaarts door het Friese land.
In zijn Heegse tijd houdt ds. Knap heel wat tijdredes, waarvan er velen bij de uitgeverij J. Campen in Sneek, in druk worden uitgegeven. In die preken tracht hij ons volk, en in het bijzonder zijn gemeente heel concreet te wijzen op –, en te waarschuwen voor de zonden. Een telkens opnieuw door hem fel bestreden volkskwaad is het gebruik van alcohol. (Een trek die zijn kleinzoon kennelijk van zijn grootvader geërfd heeft; ook J. J. Knap Czn. is geheelonthouder en schrijft verschillende brochures tegen het alcoholgebruik). Alles wat met herbergen te maken heeft, is uit de boze. Zeilwedstrijden, die in de kroeg eindigen, en kermissen zijn telkens weer het onderwerp van zijn waarschuwende preken.
Als zijn zoon, later na het overlijden van zijn vader, enige preken uitgeeft, kiest hij daarbij ook een preek uit Heeg, één uit 1850, waarin ds. Knap zijn gemeente waarschuwt niet aan de komende kermis mee te doen. De tekst voor de prediking is Ps. 45 : 4 en 5a. Ds. Knap zegt, doelend op het naderende dorpsfeest: 'Ik noem die bede ook allerprijzenswaardigst, omdat ze vooral in deze dagen ons, bewoners dezer plaats zoo zeer past. Neen ik wensch niet meer achter u aan te dringen, dan een herder betaamt, maar ook wensch ik mijn ziel te bevrijden. Is er iemand, die het ons ten kwade duidt, het zij zoo; wij leven thans onder levendiger indrukken dan ooit te voren, dat wij niet aan menschen, maar God verantwoording zullen te geven hebben.’
Over die kermis zelf zegt ds. Knap: 'Het zul­len dagen der ijdelheid zijn; het feest van den God dezer eeuw, die de zinnen der menschen verblindt, zal hier gevierd worden. Aandoenlijke gedachte! De vijand Gods zal openlijk gediend worden; menschen zullen met menschen zich vereenigen in het grootmaken van hem, die de bitterste vijand van Jezus Christus is. Dit zal geschieden op eene plaats waar biddag is gehouden, toen de vreeselijkste aller ziekten elders en in onze nabijheid woedde; op eene plaats in onderscheiding van anderen, hoog beweldadigd en gespaard. Waarlijk, zoo iets dat heet: zich mesten als slagtschapen tegen den dag der slagting; dat heet: zich toorn als ene schat vergaderen tegen de dag des toorns en der opbenbaring van Gods regtvaardig oordeel. Jongelingen en jonge dochters! Ik bid u bij uwer zielen zaligheid, bij het bloed van Jezus Christus, dat Hij eens voor zondaren heeft gestort, hebt geene gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis… Wat zou het eens zijn, als de God van hemel en aarde te midden van zang en spel, te midden van dartelheid uwe ziel van u nam?’
De ouders worden in die preek opgeroepen hun kinderen niet vrij te laten, maar hen te verbieden erheen te gaan. Eli is, zo betuigt ds. Knap zijn gemeente, het bijbelse voorbeeld van zwakte. 'Waar is uw gezag? Gebruikt het, want het is u door God gegeven, en laat het u niet ontwringen. Vermaant, bestraft met allen ernst.' De ernstige preek eindigt met de woorden: 'En zoo ik mijn last volbragt. Schoon in zwakheid, zocht ik te ijveren voor mijn Zender. Veelligt dat de God van hemel en van aarde op duidelijke en treffende wijze toont, dat ik in Zijn naam en door Zijn Geest heb gesproken. Hij doe Zijn welbehagen. Amen.' Men zegt dat het in 1866 in de gemeenteraad genomen besluit, dat er geen kermissen meer gehouden zullen worden in de gehele gemeente Wymbritseradeel, een gevolg geweest is van het heldere spreken van de pastor van Heeg. In ieder geval: ds. Knap zou, als hij toen nog geleefd had, het besluit met vreugde hebben begroet.

Bidstonden
In 1849 is er weer een epidemie van cholera. Deze ziekte maakt vele slachtoffers, ook onder de palingvissers van Heeg. Vele weken achtereen houdt ds. Knap op woensdagavond in Heeg en op donderdagavond in Woudsend, waar hij consulent is, bidstonden in de kerk. Van de toen gehouden preken heb ik er geen kunnen opsporen. Hij moet o.a. gepreekt hebben over Jer. 22 : 29 'O, land, land, land, hoort des Heeren Woord'. Een in 1853 uitgegeven boekje De cholera is teruggekeerd geeft ons echter wel een indruk van de ernst waarmee ds. Knap in die benauwde dagen zijn gemeente heeft toegesproken:
‘De cholera is teruggekeerd. Naar aanleiding van deze treurige gebeurtenis, waag ik het tot U, mijn Hervormde Landgenooten het woord te rigten. Duidt het mij ten goede. Ik wensch het heil uwer zielen. Ik zoek U geene ijdele vrees aan te jagen, maar – geven het de barmhartige God! – U te leiden tot dien Eenige en Dierbare, die ons in alles is gelijk geworden, uitgenomen de zonde, en die door den dood heeft te niet gedaan degene, die het geweld des doods had, dat is de Duivel, opdat Hij verlossen zoude al degenen, die met vreeze des doods, door al (hun) leven der dienstbaarheid onderworpen waren.’
De cholera, zo betuigt ds. Knap, is een uiting van Gods toorn over land en volk. 'Reeds lang waren 's Heeren kinderen met bevende harten eene bijzondere openbaring van Gods toorn wachtende.' In zijn preken tracht ds. Knap die dingen naar voren te halen uit het volksleven die Gods toorn hebben opgewekt. 'Landgenooten! Ik zie mij hier geroepen tot de vervulling van eene moeijlijke taak, te weten: tot de verkondiging van de zonden onzes volks. Ik doe dit met de nederige erkentenis, dat ik uw medezondaar ben, een man van onreine lippen.' De zonden die hij dan noemt zijn o.a. op maatschappelijk terrein de ontheiliging van de zondag, het vloeken en de meineed, maar vooral ook het, op kerkelijk gebied, verlaten van de leer der Belijdenis. De 'moderne Theologie' is vooral de oorzaak van het verval van ons vaderland. 'In Nederland, binnen den kreits der Hervormde Kerk, wordt door sommigen geloochend, ja bestreden, de onfeilbaarheid der Heilige Schrift, de leer der Drieëenheid, de schulduitdelgende kracht van Jezus' bloed, de noodzakelijkheid der hartveranderende genade; en zou God geen bezoeking doen over deze dingen?’
Wat ds. Knap verder te zeggen heeft. Iaat zich, raden. Verootmoedigt u onder die slaande hand Gods en keer tot Hem weder. Bij Hem is genezing, niet alleen van die vreselijke ziekte, door het bloed van Christus is er ook genezing van de daaronder gelegen kwaal, de zonde en onze afval van God en Zijn Woord.

Pastor
Een ander merkwaardig geschriftje uit de jaren in Heeg, dat ons bewijst hoezeer de predikant met zijn gemeente meeleeft, is De veeziekte, een gemoedelijk woord aan mijn Friese landgenooten, bij het hier en daar zich openbaren dier ziekte in dit gewest. Het boekje beleefde zelfs een tweede druk. Uit de Schrift laat ds. Knap zien dat de Heere God meerdere malen het vee met ziekten sloeg om de dwalende eigenaren tot bekering te leiden. Weer somt hij de zonden van ons volk op, die de oorzaak van Gods rechtvaardige kastijdingen zijn. Vervolgens vraagt hij: 'Wat middellen zal men aanwenden tegen de veeziekte? – De vraag is redelijk en tevens natuurlijk. Tot nog toe, zijn wij wel onderrigt, zocht men in de meeste gevallen naar een grondig antwoord op dezelve te vergeefs. – Friezen! Er is echter één middel tegen dit kwaad… Het is verootmoediging voor den hoogen God… Ja, door schuldbesef en aanbidding zullen wij gered worden uit iedere nood. Heil, driewerf heil ons, dat wij tot God mogen gaan. Zeker, Hij wacht om ons genadig te zijn.'
Deze gemeente te verlaten valt ds. Knap niet mee. In 1849 meent hij een beroep naar Oldebroek te moeten aannemen. Maar als dat besluit gevallen is, heeft hij er geen vrede mee en komt hij op zijn beslissing terug. De kerkeraad van Oldebroek vraagt natuurlijk naar opheldering, maar ds. Knap kan die niet geven. Hij moet in Heeg nog blijven. Een opmerkelijke bijzonderheid is dat later de zoon van ds. Knap twee weken voor het sterven van zijn vader hem vertelt dat hij een beroep heeft aangenomen naar… Oldebroek.
Als de gemeente Oud-Alblas voor de derde maal een beroep op hem uitbrengt, meent ds. Knap niet langer te kunnen bedanken.
Met moeite neemt hij van Heeg, 3 april 1853, afscheid; hij kiest als tekstwoorden voor die laatste dienst: 2 Cor. 6 : 1 'En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben.’
Ik proef iets van weemoed in zijn gemoed, als ik hem de volgende week bij zijn intrede te Oud-Alblas hoor zeggen: 'De gemeente die ik verliet, had mij over het geheel genomen, hartelijk lief. Van zeer velen aldaar viel het mij en de mijnen moeijelijk te scheiden.' Wat ds. Knap in Oud-Alblas doen wil, is al duidelijk uit de tekst voor de eerste preek daar (2 Cor. 4 : 5): Christus prediken. Niets meer, en niets minder. Over zichzelf merkt hij dan nog op: 'Gunst van menschen te bedelen, opgang te maken; – ik zoek het niet. Uiterst afkeerig gevoel ik mij van alles, wat in strijd is met het Gods-gebod: 'indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle menschen.' Mijne neiging is om in dit aangenaam oord, – in stilte te arbeiden en u ten nutte te zijn.’

H. Harkema, Brakel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Jan Jacob Knap sr. (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's