Ontmoeting met Israël (5)
Van 17 tot 28 april maakte een groep van 19 predikanten en studenten, waaronder ds. C. den Boer, dr. S. Gerssen en prof. dr. C. Graafland, een onvergetelijke studiereis naar Israël. In een aantal artikelen vindt u enkele indrukken weergegeven, samengevat door enkele deelnemers van de groep.Mede omdat vanuit de gemeenten financieel is bijgedragen om deze levende ontmoeting met Israël mogelijk te maken, zijn deze artikelen bedoeld als een stukje verantwoording.H. de Leede, TwijzelerheideM. van Campen, PoederoyenW. van Laar, ZeistD. van Meulen, Goudriaan
b. Hoe lezen wij de Schrift?
Wanneer wij over Israël alleen kunneh spreken vanuit wat de Schrift ons daarover meedeelt, dan is vanzelfsprekend de volgende vraag die naar de goede leesregel. Hoe lezen wij de Schrift? Een wezenlijke vraag, waarmee een veld van problemen wordt opgeroepen.
Om een paar dingen te noemen: hoe zien wij de verhouding van Oude en Nieuwe Testament? Het is bekend dat het Oude Testament meer aandacht heeff voor de concrete, aardse dimensie van het heil dan het Nieuwe Testament. Het laat zien hoe het heil ingaat in de aardse werkelijkheid van de nationale, politieke, ethische en godsdienstige geschiedenis van Israël en hoe dit heil vorm krijgt tot in de meest alledaagse dingen toe. Daartegenover staat in 't Nieuwe Testament centraal, hoe de realisering van dit heil op aarde, onder de mensen mogelijk is gemaakt, namelijk door Christus en de Heilige Geest en via de christelijke gemeente. Welk gezag heeft nu voor ons het Oude Testament als 't gaat om deze concrete dimensies van ’t heil?
Moeten wij het Oude Testament geheel 'vergeestelijken' omdat het voor ons gevoel (te) aards, (te) ongeestelijk spreekt ten opzichte van het Nieuwe Testament? Duidelijk is, dat er dan voor het concrete Israël weinig ruimte overblijft in ons theologisch denken. Helaas heeft deze opvatting diepe wortels en een zeer lange traditie.
Het tweede probleem dat we hier aanstippen is: hoe zien wij de verhouding tussen verwachting (profetie) en vervulling.
De gedachte dat met de komst van Christus alle profetieën vervuld zijn is wijd verbreid. Maar doen we daarmee voldoende recht aan de Schriftgegevens? Is er ook niet zoiets als een onvervulde rest, een tegoed van het Oude Testament (K. H. Miskotte)? Ons inziens zit er veel waars in de stelling, dat de profetie in veel gevallen gelezen mag worden met een driedubbele bodem. Zij is allereerst gesproken tot Israël in haar historische situatie. Zij vindt haar geconcentreerde vervulling in Christus, maar tegelijk wacht zij nog op de uiteindelijke vervulling en onthulling, waarin ook Israël een plaats heeft.
Om één voorbeeld te noemen: Ezechiel 37, het visioen van het dal met de dorre doodsbeenderen. Er is geen enkel bezwaar tegen dit gedeelte te betrekken op het gebeuren van de opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest, met van daaruit de spits naar de gemeente en het persoonlijke geloofsleven. Maar allereerst en – zo mogen we zeggen – uiteindelijk is dit een profetie aangaande Israël. 'Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels.' (Ez. 37 : 11).
c. Vruchten voor de kerk
De ontmoeting met Israël kan voor de kerk grote vruchten afwerpen. Israël dwingt ons voortdurend kritisch te staan tegenover onszelf: tegenover ons verstaan van de Schriften, de prediking, de beleving van 't heil. Wanneer het heil door ons dermate vergeestelijkt is, dat wij Israël konden vergeten, zelfs een vrijbrief vonden Gods oude volk te vervolgen, worden wij gedwongen ons af te vragen of wij de Schriften ten aanzien van dit punt althans op de juiste wijze gelezen hebben.
Juist een theologie, die gereformeerd wil zijn en daarom van geen andere betekenis van het Schriftwoord wil weten dan de letterlijke, moet hier de hand in eigen boezem steken.
En áls Israël dan opnieuw in ons gezichtsveld komt, heeft dat dan ook geen consequenties voor de prediking? Juist een gereformeerde, theologie, die het verlangen kent de volle raad Gods te verkondigen mag dan toch in de prediking niet langer om Israël heen zien? En moeten wij de lijn dan ook niet verder doortrekken, ook naar het belijden der Kerk? In onze klassieke belijdenisgeschriften wordt over Israël niet zozeer gesproken. Is het verlangen naar een plaats voor Israël in het voortgaand belijden van de kerk niet legitiem? Een verlangen, waarin wij ons uitstrekken naar de Heilige Geest. Daarom is een krachtige opwekking tot verootmoediging en gebed om de doorwerking van die Geest, Die in de volle waarheid leidt, zo noodzakelijk (Joh. 14 : 26).
De ontmoeting met Israël kan voor de kerk ook deze vrucht afwerpen, dat wij opnieuw oog krijgen voor de concrete, aardse dimensie van het heil. Want 'vergeestelijking lijkt verrijking te zijn maar is in feite verschraling en verarming. Wij laten Israël niet alleen zodoende vallen, maar ook de veelkleurige wijsheid Gods, Die Zijn heil tot in de meest concrete, aardse en gewone gestalte van het leven in Zijn wereld en schepping wil laten doordringen' (C. Graafland, Het vaste verbond p. 172).
In ons beleven van het heil in Jezus Christus zullen geloof en werkelijkheid allernauwst op elkaar betrokken moeten blijven. Ons geloof moet geleefde werkelijkheid zijn en geen idee. Dogmatisch gesproken, we zullen volstrekt ernst moeten maken met de heiliging, met het nieuwe leven. Niet om daarmee in een wettische werkelijkheid te vervallen, maar zo verstaan als Paulus schrijft in Fil. 4 : 13: 'Ik vermag alle dingen door Jezus Christus.’
Op deze gebieden zouden wij de vrucht voor de kerk in de ontmoeting met Israël vooral willen zoeken. Er zou nog meer te noemen zijn. Wij denken aan de vragen rond de zending. Heeft de ontmoeting met Israël ook gevolgen voor de zending en de wijze waarop wij zending bedrijven onder de volken? Wat betekent het b.v. dat Psalm 87 spreekt over het ingelijfd worden van de volken in Israël?
Wij stippen slechts aan en willen het wat dit punt betreft hierbij graag laten.
d. Geen incident
De ontmoeting met Israël kan en mag geen incident zijn. Geen liefhebberij van enkele dominees en gemeenteleden en dan zeker geen liefhebberij die verder het geheel van onze theologie onberoerd laat. Het voorgaande heeft hopelijk voldoende duidelijk gemaakt, dat de bezinning aangaande Israël het hele veld van de theologie raakt. En niet alleen de theologie, het denken over Israël raakt ook het zijn van gemeente. In haar geloofsbeleving. En ook in haar concrete houding tegenover het huidige jodendom. Het is 'Gebot der Stunde' dat de gemeente van Jezus Christus zich wapent tegen allerlei vormen van anti-semitisme in de eigen gelederen en een profetisch protest doet uitgaan in onze wereld waarin wij op een verontrustende wijze de haat tegen de oudste broeder zien oplaaien.
Vanwege al dit bovengenoemde vraagt deze studie- en ontmoetingstijd om een vervolg. Het Bezinningscomité zoekt naarstig naar nieuwe mogelijkheden, opdat de bezinning op Israël dieper en breder zal doordringen in 't geheel van de Gereformeerde Gezindte.
Tenslotte
Wij hopen door deze artikelen enigszins een indruk gegeven te hebben van het rendement van onze studiereis. Onze vurige wens is vooral dat zij mogen bijdragen tot een diepere solidariteit met een intenser gebed voor Israël.
'Indien ik U vergeet, o Jeruzalem,
Zo vergete mijn rechterhand zichzelve.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's