De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jan Jacob Knap sr. (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jan Jacob Knap sr. (4)

Zij die bleven (27)

9 minuten leestijd

Oud-Alblas
Ook in zijn zevende gemeente vindt ds. Knap goede ingang. De kerk kan al snel de toestromende gemeente niet meer bevatten en moet worden veranderd, zodat er meer zitplaatsen komen. In deze gemeente in de Alblasserwaard ontmoet ds. Knap heel anders geaarde mensen als op het Friese platteland. In Heeg moest hij zijn hoorders steeds weer wijzen op hun oppervlakkige leefwijze en hun wereldgelijkvormigheid. Zulken zijn er natuurlijk in Oud-Alblas ook en ds. Knap gaat onverminderd voort met waarschuwingen tegen de zonden van het met-de-wereld-meedoen. Nu komt er in zijn preken echter ook een ander front, waartegen hij strijden moet met het zwaard des Geestes: het Woord. Steeds meer valt hij ook tegen hen uit die, met al hun godsdienstigheid en rechtzinnigheid, zich tegen de genade Gods in Christus verzetten. In een, in 1854 uitgegeven, preek met de titel Welk oordeel rust er op die christenen, die den Heere Jezus Christus niet liefhebben? zegt hij bijvoorbeeld dit: 'Er zijn regtzinnige Godsdienstige lieden, ijverende voor de waarheid, zoo als zij in Christus is. Nu, indien zij ijveren met verstand, verdienen zij geen geringe lof. – Wat is dierbaarder dan de waarheid? Heeft de Heere zich niet even stellig de waarheid genoemd als den weg en het leven? – Maar ongelukkig de regtzinnig Godsdienstige, die een vijand is van de geestelijke Godsdienst, die een hart in den boezem omdraagt, koud voor den Heere Jezus. Zal hij met zijne regtzinnigheid voor God kunnen bestaan? Zal zij hem troosten in het gezigt van den dood en de eeuwigheid? Behoeft hij niet eene andere geregtigheid en ten blijke dat hij hij deel aan haar verkreeg, een hart brandende van liefde tot den Heere, die haar verwierf? Och! dwaalt niet…’
In Heeg bestreed hij de zondige genoegens van zijn gemeenteleden; in Oud-Alblas bestrijdt Knap de wettische leefwijze van velen die menen dat de dienst des Heeren alle blijdschap en vreugde in dit leven uitsluit. 'Ik weet het, velen stellen zich de dienst van Jezus voor als eene treurige, als eene naargeestige dienst.' Ds. Knap beantwoordt de vraag 'moeten wij dan alle genoegens des levens verzaken? moeten wij dan een doodshoofd op onze tafels zetten?' zeer radicaal: 'Neen, dat behoeft gij niet. De liefde van Christus veroorlooft niet slechts schuldelooze genoegens, maar heiligt ook derzelver genot, daarenboven geeft zij de heerlijkste en zaligste te genieten. Er is vreugde in Jezus' nabijheid…' Ook aan hen, die in hun godsdienstigheid geen gezicht op Christus' heerlijkheid hebben, verkondigt ds. Knap met bewogenheid de liefde van de enige Zaligmaker van zondaren.
Een andere zaak, dan de scherpte van het Woord, bezorgt ds. Knap in Oud-Alblas verschillende tegenstanders. In die jaren wordt het gebruik dat de predikanten in de Hervormde kerk op de kansel een toga dragen; het kleed dat verbonden is aan de universitaire opleiding. Ook ds. Knap ruilt, met zijn ringcollegae, de oude preekjas voor de nieuwe toga. Dat levert hem nogal wat bespotting op. Men zegt dat sommigen in Oud-Alblas de eerste zondag dat ds. Knap met zijn nieuwe ambtsgewaad de kerk betrad, tegen elkaar gezegd hebben: 'Nu staat Sinterklaas op de preekstoel.’
Na anderhalf jaar de gemeente in het Woord gediend te hebben, verlaat ds. Knap Oud-Alblas, omdat hij, na bedanken voor vele beroepen, het beroep naar Putten op de Veluwe heeft aanvaard.

Putten en Opheusden
Het verblijf in Putten is niet van lange duur. Niet dat hij het in deze gemeente met de mensen niet vinden kan. Integendeel, men is trouw in de opkomst en ds. Knap wordt er met hartelijkheid en liefde omringd. Wel valt het hem, in een tijd dat er nog geen versterkers etc. zijn, erg zwaar in de grote, goedgevulde Puttense kerk te preken. Bovendien is de gemeente, toen een éénmans-plaats, erg uitgestrekt en dat vraagt erg veel van zijn krachten. Ds. De Hoest van Nijkerk heeft hem daar 11 november 1855 bevestigd met de tekst: Matth. 23 : 8 'Want Eén is uw Meester namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.' De afscheidsdienst is reeds anderhalf jaar later en wel op 3 maart 1857. Dat ds. Knaps prediking in Putten iets achterliet blijkt wel uit de rouwadvertentie, die de kerkeraad van Putten, na de dood van ds. Knap in het blad Stemmen voor Waarheid en Vrede plaatst: 'Heden werd ons het treurige berigt medegedeeld van het plotseling overlijden van Ds. J. J. Knap… Zijne Evangelieprediking, van zoo korte duur in ons midden, van 11 november 1855 tot 3 maart 1857, was voor velen tot zegen.’
De gemeente Opheusden, zijn negende standplaats dus, heeft ds. Knap van al zijn gemeenten het kortst gediend. Hij stond daar nog geen negen maanden, en wel tot 29 november 1857. Zijn kinderen vertellen later, aan dr. Wumkes, dat vaders vroege vertrek uit die gemeente vooral daar zijn oorzaak in vond dat ds. Knap met veel verdriet het grote verschil tussen leer en leven van vele Opheusdenaars opmerkte. Wat daar van waar is, kan ik niet achterhalen. Wel valt mij op dat hij voor de afscheidsdienst een opmerkelijke tekst kiest (Num. 27 : 15-17): 'Toen sprak Mozes tot den Heere, zeggende: Dat de Heere, de God der geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering. Die voor hun aangezicht uitga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering des Heeren niet zij als schapen, die geen herder hebben.’
Om het geld is ds. Knap in ieder geval niet uit Opheusden weggegaan. Bij de opvolging van zijn beroep naar Vlissingen, zakt zijn traktement van ƒ 2.000,– tot ƒ 1.400,– per jaar!

Vlissingen
De oude Zeeuwse handelsstad en marinehaven Vlissingen heeft ds. Knap in de tweede predikantsplaats beroepen. Dit beroep is door hem noch gezocht, noch begeerd, maar als hij beslissen moet, meent hij er niet voor te mogen bedanken. 6 december 1857 wordt hij, in de monumentale Jacobskerk, door zijn ambtgenoot ter plaatse, dr. J. J. van Toorenbergen als Vlissingse pastor bevestigd. De vriendschap tussen die twee is niet altijd zo gebleven, als die zondag van bevestiging en intrede. Menige keer heeft het later tussen hen gespannen. Echter niet over de vraag of de Schrift en de Belijdenis gezag hebben. Daarin zijn Van Toorenenbergen en Knap het roerend eens. Reeds bij zijn intrede verklaarde de nieuwe Vlissingse predikant de leer, vervat in de drie formulieren van enigheid, te zullen prediken en, waar het moet, te verdedigen. Dat moet collega Toorenenbergen uit het hart gegrepen zijn. Ook hij staat immers bekend wegens zijn ijveren voor herstel van de Vaderlandse Kerk op de grondslag van haar belijdenis. Bij de heruitgave van de Nederlandse Geloofsbelijdenis verzucht hij (om maar één voorbeeld te noemen): 'Zoo is op waardige wijze het driehonderdjarig bestaan van de twee oudste symbolen onzer Nederlandsche Kerk gevierd. Moge de rechte waardering van de grondslagen dier Kerk daarmede bij toeneming hand aan hand gaan.’
De spanningen met de plaatselijke collega zijn mijns inziens te verklaren uit het zeer menselijke feit dat een tweemansplaats altijd het gevaar van moeilijkheden tussen de collegae in zich draagt.
Een zware slag voor ds. Knap en zijn gezin is het plotselinge overlijden van zijn vrouw Katarina. Veel heeft hij in haar verloren. Niettemin weet ds. Knap zich gesterkt en getroost in het geloof. Als de moeder, na een betuiging dat haar hoop enkel gevestigd is op de liefde Gods in Christus, gestorven is, zegt de vader tot zijn kinderen: 'Laten wij nu lezen over het leven in de hemel.' Hij neemt de Bijbel en leest Openbaring 22 voor. Juist in die tijd geeft, hij een preek uit, met als titel De onafscheidbaarheid der geloovigen van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus.
Al noemt hij daarin het sterven van zijn vrouw niet met name, het is duidelijk dat dit woord uit Rom. 8 hem persoonlijk vertroost heeft.
De werkzaamheid van ds. Knap is in Vlissingen vooral op het evangelisatiewerk gericht. Hij bezoekt regelmatig het ziekenhuis en vooral ook de marineschepen, die daar in de haven liggen. Telkens vraagt hij de commandanten tot de manschappen te mogen spreken, en ondanks vele spottende opmerkingen, verkondigt hij de zeelieden het Woord der genade met grote vrijmoedigheid. Hij houdt apart catechisatie voor de soldaten en matrozen. Blijkens vele later ontvangen brieven, hebben die uren voor heel wat jonge mensen zeer veel betekend. Eens moet hij thuisgekomen zijn en gezegd hebben: 'Ik heb een paar heerlijke uren bij mijn soldaten doorgebracht; nu wordt het mij duidelijk waarom ik naar Vlissingen moest.’
Dit werk vraagt erg veel van zijn krachten. Steeds zwakker wordt nu zijn gezondheid en ds. Knap vreest dat de tijd dichtbij is, waarop hij zijn ambt zal moeten neerleggen. In die tijd komt er een beroep naar het Groningse Losdorp, een kleine en rustige gemeente. Ds. Knap neemt die roeping aan, in de hoop dat God hem daar weer nieuwe kracht zal schenken.

Losdorp
11 maart 1860 wordt hij er, door de consulent, bevestigd. De twee jaren, die hij daar doorbrengt, doen hem goed en het oude vuur gaat weer in hem branden. Dankbaar horen wij hem in een preek uit die jaren zeggen: 'Het is het genoeglijkste werk van de Evangelisatiedienaars Jezus Christus te prediken en dien gekruist; de struikelende op te rigten en te versterken degenen die staan; het is de lieflijkste taak, hun te doen gegeven, den gevangenen loslating te verkondigen en den gebondenen opening der gevangenis.’
De tijdredes keren weer terug onder zijn uitgegeven preken en met dezelfde bewogenheid als voorheen waarschuwt hij land en volk. Naar aanleiding van een watersnood in Gelderland en Noord-Brabant in 1861 preekt hij over Rom. 2 : 4 en 5 en zegt daarbij o.a.: 'Ik zeg telkens bij mijzelven: heden trof het zuidelijk gedeelte van ons Vaderland dat onheil, morgen soms een ander. Ik beef voor de toekomst. Nog is het einde niet. Och of zij, die de hand des Almagtigen sloeg, en wij, die nog verschoond bleven, ons vernederden onder de krachtige hand Gods; dat wij ons vereenigden in de gemeenschappelijke erkentenis: Heere! Gij zijt gezeten over den watervloed. Gij zijt regtvaardig in uw oordelen en rein in uw rigten; dat wij en geheel Nederland de boetbazuin hoore, die door den watervloed met eene stem van Majesteit gestoken wordt.’
25 mei 1862 neemt hij voor het laatst in een kerkdienst afscheid van zijn gemeente. Hij heeft immers een beroep aangenomen naar de gemeente, die zijn laatste standplaats worden zou: Woudsend. De tekst voor dat laatste woord tot de gemeente Losdorp is Pred. 12 : 13: 'Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.’

H. Harkema, Brakel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Jan Jacob Knap sr. (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's