De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bernardus Smytegelt en het candidatenoverschot

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bernardus Smytegelt en het candidatenoverschot

9 minuten leestijd

Smytegelt, die naam is een begrip. Deze prediker uit de tijd van de Nadere Reformatie heeft zich uitsluitend in Zeeland opgehouden. Hij werd geboren in Goes (1665) en overleed te Middelburg (1739). Hij was, na zijn studententijd in Utrecht, waar hij de invloed onderging van Witsius, predikant te Borssele, Goes – zijn geboorteplaats dus – en Middelburg, waar hij liefst veertig jaar predikant was, te weten van 1695 tot 1735, in welk jaar hij emeritus werd. Ook in die tijd was er kennelijk al een verplichte leeftijd voor emeritaat. Smytegelt preekte – zo zegt dr. S. van der Linde in de Christelijke Encyclopedie (Kok, Kampen) – 'voor de vuist'. Maar sommige luisteraars, bijvoorbeeld Maria Boter, tekenden het gehoorde op, zodat veel preken van Smytegelt bewaard gebleven zijn, zoals zijn 'Heidelberger Catechismus', 'Des Christens Heil en Sieraad', 'Een woord op zijn tijd' en het vooral bekende, tweedelige 'Het gekrookte riet'. De 145 preken over de bekende tekst uit Jesaja, over dit gekrookte riet, zijn overigens opgetekend uit zijn gehele ambtsbediening; ze zijn niet na elkaar gehouden, zoals wel eens gedacht wordt.
Smytegelt was 'een trouw pastor, daarnaast een populaire prediker', aldus opnieuw prof. v. d. Linde. Hij had een zeer bevindelijke trek in zijn prediking en probeerde vooral de kleinen in het geloof te hulp te komen, al predikte hij daardoor niet zo krachtig de zekerheid des geloofs.
Waarom dit alles opgehaald? Wel, Smytegelt was, gezien zijn hele instelling – pastoraal als deze was – toch bij uitstek de man om, zodra hij beroepbaar was, een serie beroepen in ontvangst te nemen? De gemeenten zaten om zo te zeggen op zo'n man, die tot het hart van de mensen kwam, te wachten. Tóch moest hij twee jaar wachten, alvorens hij een beroep kreeg. De reden was: een candidatenoverschot! Er kwamen méér candidaten vrij dan er beroepende candidaatsgemeenten waren. Smytegelt was ongehuwd toen hij beroepbaar was – hij is dat zijn hele leven ook gebleven – en stond dus nog niet voor de zorg voor een gezin, maar het is heel wat voor hem geweest om als geroepene tot de dienst des Woords twee jaar te moeten wachten alvorens er een roepende gemeente kwam. In grote moedeloosheid wilde hij naar Schotland gaan om daar een gemeente te gaan dienen toen dan de gemeente Borssele hem beriep.

Actueel
Waarom dit verhaal over Smytegelt? Wel, een candidatenoverschot, zoals dat in zijn tijd voorkwam, lijkt zich ook nu aan te dienen.
We mogen uit de tijd van deze prediker van de Nadere Reformatie overigens allereerst leren, dat het niet abnormaal is, dat de Heere God voldoende arbeiders roept in Zijn wijngaard, dat Hij zorgt voor regelmatige bearbeiding van Zijn gemeente(n).
Het Woord wil gepredikt zijn in alle gemeenten. Tegelijkertijd is echter duidelijk, dat het voor kan komen, dat ook in de kerk de 'arbeidsmarkt' verzadigd kan zijn.
In die situatie raken we nu, als gezegd, althans in onze hervormd-gereformeerde gemeenten, naar het schijnt.
De candidaats-gemeenten in hervormd-gereformeerde kring lopen vol. Dat is de realiteit, waarvoor we staan. Er zijn, in ruime zin genomen, nog geen vijftien candidaatsgemeenten en binnen afzienbare tijd – dan reken ik tot ongeveer de helft van het volgende jaar – komen er minstens zoveel candidaten af. Natuurlijk is er nog enige doorstroming vanúít candidaatsgemeenten naar grótere, vacante gemeenten. Maar ook het aantal vacatures in de grotere gemeenten is niet meer dan twintig. Dán zijn er natuurlijk nog de predikanten, die met emeritaat gaan en derhalve plaats moeten maken voor jongeren. Maar in de leeftijdscategorie van 59 jaar tot 65 jaar zijn er dat niet meer dan vijftien, dat wil zeggen ongeveer drie per jaar, 59 jaar (2x), 60 jaar (3x), 61 jaar (2x), 62 jaar (4x), 64 jaar (géén), 65 jaar (2x), 66 jaar (1x) nog in dienst van de gemeente.


Nu is het natuurlijk wél zo, dat niet alleen déze cijfers gelden. Er zijn ook predikanten, die in 'algemene dienst' gaan, als godsdienstleraar of legerpredikant, of in dienst van een kerkelijk orgaan. Verder vallen regelmatig óók predikanten weg, nog vóórdat ze de emeritaatsleeftijd bereikten. Maar alles bij elkaar wordt het beroepingswerk toch vooral bepaald door de kwestie van vraag en aanbod vanuit de normale doorstromingssituatie. En dan moeten we op grond van bovenstaande gegevens zeggen, dat binnenkort een candidatenoverschot ontstaat. Men kon het de laatste tijd al merken aan het verminderde aantal beroepen, dat op de candidaten werd uitgebracht. Men kon het óók merken aan de geringere verplaatsingsmogelijkheden van de dienstdoende predikanten. Maar we zien nu, dat de situatie zich gaat toespitsen.

Problemen
Eén en ander schept uiteraard de nodige problemen. Enerzijds is het voor gemeente en predikant niet goed als er onvoldoende doorstromingsmogelijkheid is. Toegegeven: er zijn predikanten – en Smytegelt is er ongetwijfeld één van geweest – die tien, twintig, dertig of meer jaren een gemeente kunnen dienen zonder 'uitgepreekt' te zijn. Maar de normalere gang van zaken is, dat de predikant met zijn eenzijdigheden én de gemeente met haar eenzijdigheden, van tijd tot tijd verwisseling van respectievelijk gemeente en voorganger krijgen. Dan wordt én de predikant én de gemeente geoefend in de veelzijdigheid van het evangelie.


Voor de candidaten wordt het geringe(re) aantal vacatures intussen een gróter probleem. Zij zijn het, die nog gehéél aan het begin staan, in feite nog hun vorming in de gemeente, na hun scholing aan de universiteit, moeten ontvangen. Voor hen kan het nu gaan voorkomen, dat de weg naar een hervormd-gereformeerde gemeente geblokkeerd is. Daarbij voegt zich dan het gegeven, dat gemeenten, die tot heden geen predikanten van hervormd-gereformeerde signatuur hebben beroepen, zich tot hen gaan richten. Er is immers een steeds toenemende tendens in deze richting. Men kan het in de rubriek van de beroepingsberichten constateren. Het komt nu eenmaal in toenemende mate voor, dat niet-hervormd-gereformeerde gemeenten óf niet meer de man van hun confessionele keuze kunnen vinden óf naar rechts opschuiven en zo terecht komen bij de hervormd-gereformeerde candidaten. Praktisch gezien is dat dan al een punt voor die candidaten, die al voor de verzorging van een gezin staan. Ik denk dat in dit opzicht de zaken heel anders liggen dan in de tijd van Smytegelt. Maar ook principieel gezien liggen hier vragen. Er is immers de kwestie van de eigen identiteit, als het gaat om de liturgische vragen, om punten als de vrouw in het ambt en andere zaken, die samenhangen met de identiteit van de herv.-gereformeerden in de Hervormde Kerk. Als dan de prediking gewenst is in de betreffende andere gemeenten, wat moet men dan? Voor deze vragen komen candidaten – en ook predikanten – te staan. Moet het dan in de eerste plaats gaan om de verbreiding van de waarheid in de Nederlandse Hervormde Kerk – de ene doelstelling van de Gereformeerde Bond – of louter om de verdediging van deze waarheid (de andere doelstelling)?
Hier ligt in ieder geval een duidelijk spanningsveld. Wij willen als hervormd-gereformeerden enerzijds de hele kerk op het oog hebben en anderzijds met een eerlijk geweten de kerk kunnen dienen als het gaat om die dingen, die mede de identiteit bepalen. Een kwestie als de vrouw in het ambt blijft bijvoorbeeld een onoverkomelijk struikelblok in de praktijk van het kerkelijk leven.

Begrip
In de nabije toekomst zullen dunkt me in toenemende mate candidaten en ook predikanten te maken krijgen met deze moeilijke zaken. Dat proces is nu al aan de gang. Er zal ongetwijfeld in deze zaken verschillend worden beslist. Ik laat buiten beschouwing het gegeven, dat sommigen dankbaar van de gelegenheid gebruik zullen maken om opiruimer wiek te kunnen vliegen dan in de hervormd-gereformeerde gemeenten mogelijk is. Maar het gaat me nu om hen, die met het oog op de prediking en daarbij met het oog op het geheel van de kerk de spanning gaan ervaren van enerzijds het geroepen worden naar andere dan de zogeheten Gereformeerde Bonds gemeenten en anderzijds het daar aantreffen van een situatie, waarmee zij ook principieel moeite hebben op een aantal concrete punten. Anderzijds zullen er zijn die langer dan normaal op een beroep moeten wachten.

Het gaat mij er in dit stukje in hoofdzaak om de situatie, zoals die zich aandient, te schetsen. Me dunkt, dat het nodig is, dat we met elkaar gaan beseffen hoe moeilijk predikanten en candidaten het met deze zaken kunnen gaan krijgen en voor welke verantwoordelijkheid zij zich dan geplaatst zien. Het stelt ook kerkeraden van de tot heden hervormd-gereformeerde gemeenten voor grote verantwoordelijkheden in de toekomst als het gaat om het beroepingswerk. Al te gemakkelijk kunnen anders voorgangers, die in grote verantwoordelijkheid beslist hebben een bepaalde gemeente te gaan dienen met de gereformeerde prediking, geïsoleerd komen te staan. Anderzijds zullen roepende gemeenten, die zich nu voor het eerst gaan richten op hervormd-gereformeerde predikanten, moeten beseffen dat de aan te trekken predikant ook met een eerlijk geweten de gemeente moet kunnen dienen.


Tenslotte zij nog opgemerkt dat de Gereformeerde Bond vaak verweten word, dat hij de macht zoekt in de Hervormde Kerk. Men zal moeilijk staande kiinnen houden dat dat hier geldt als het gaat om beroepingswerk. Dat is altijd nog een zaak, die door de gemeenten zélf geschiedt. En kennelijk komen dan nu in toenemende mate gemeenten bij hervormd-gereformeerde predikanten terecht. Het mag verheugend heten, dat gemeenten (blijven) vragen naar die prediking, die naar de Schrift en de Belijdenis der kerk is. Het blijkt daarbij ook voor te komen dat in gemeenten, die soms jarenlang verstoken zijn geweest van de rechte prediking, een grote honger naar het Woord ontstaat bij bearbeiding van de gemeente naar Schrift en confessie, dan in sommige gemeenten die deze prediking al jarenlang hebben.
Maar kort en goed, het gaat ook om de verbreiding van de Waarheid in onze kerk en dat geschiedt altijd nog primair via de kansel. Daarom mag deze zaak wel onze intense aandacht hebben.
v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Bernardus Smytegelt en het candidatenoverschot

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's