De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

De Ethiopische Joden
Regelmatig horen we in de westerse pers berichten over de lotgevallen van de Joden in de Sowjet Unie. Ook op andere punten waar Joden bedreigd worden richten we de schijnwerper. Ik denk aan Iran. Maar één plek blijft in het donker: dat betreft het moeilijke lot van de Falacha's, de zwarte Joden in Ethiopië, een gemeenschap die vernietigd dreigt te worden. In het juli/augustus nummer van het maandblad Israël wordt in een artikel over deze groep Joden het volgende verteld:

De Falacha's worden sinds eeuwen vervolgd, aangezien ze de joodse godsdienst belijden. Hun oorsprong is niet duidelijk. Men neemt aan, dat hun geschiedenis teruggaat tot de tijd van de vernietiging van de eerste tempel. In de 16e eeuw waren er ca. 500.000 Falacha's, die een deel van Ethiopië beheersten. Nadat ze de macht verloren hadden, werd hun verboden om grond te bezitten. In de loop van de eeuwen waren er talrijke pogroms en gedwongen bekeringen en het aantal, dat in de 19e eeuw nog 250.000 bedroeg was in 1900 tot 100.000 verminderd en is nu tot 28.000 gezonken. De meeste Falacha's leven in 490 geïsoleerde dorpen. Ze leiden een kommerlijk bestaan als landpachters en ambachtslieden en hun gemiddelde inkomen per jaar bedraagt slechts 60.– dollar per hoofd. De helft van de bevolking is jonger dan 18 jaar oud. In hun dorpen zijn er noch artsen noch ziekenhuizen. Voor de Falachakinderen bestaan 21 scholen, maar van de 60 onderwijzers heeft slechts een derde gedeelte de bevoegdheid om les te geven.
Elk dorp heeft een voorganger en een kleine synagoge. Er is een groot gebrek aan gebedenboeken en aan voorwerpen, die voor de godsdienst noodzakelijk zijn. De oorlog tussen de Ethiopische regeringstroepen en de opstandelingen in Eritrea vormt een grote fysieke bedreiging voor de Falacha's. Bijna 2000 werden gedood en meer dan 2000 zijn zonder dak. De honger heeft hen naar de steden gedreven. Ongeveer 1000 Falacha's zijn nu in vluchtelingenkampen in Djiboeti en in de Soedan. Het westen hebben berichten bereikt, dat velen in handen van mensenhandelaren gevallen zijn. Door de pro-communistische houding van de regering van Addis Abeba worden de Falacha's als verdachte bevolkingsgroep achtervolgd, mishandeld en worden ze tot willekeurige vrijheidsstraffen veroordeeld. Ook de mohammedaanse bevolking van Eritrea haat hen. Het enige redmiddel is emigratie naar Israël.
Tegenwoordig wonen er 300 Falacha's in Israël en hebben er werk gevonden. 75 dienen in het leger, 90 zijn studenten en een Israëlische Falacha werd onlangs rabbijn. Sinds 1977 is het bijna geen Falacha meer gelukt om naar Israël te emigreren. Zowel Israël als de joodse gemeenschappen in de wereld zijn zich bewust van de gevaren, die de Falacha's bedreigen. Israel heeft de Falacha's als Joden erkend en de Wet op de Terugkeer naar de joodse staat is voor hen van toepassing.

Aandacht voor het volk der Joden, gedeeltelijk thuis in Israël, gedeeltelijk nog altijd levend in de verstrooiing, kan pas ontstaan als er ook informatie is. Daarom is het goed dat dit maandblad ons attendeert op deze vergeten groep, die onder de druk van politieke omstandigheden groot gevaar loopt, onder de bedreiging van een linkse dictatuur.

Vondsten bij de Bijbel
Prof. dr. B. J. Oosterhoff maakt in een bijdrage in 'De Wekker' (14 sept.) een aantal opmerkingen over recente archeologische vondsten met betrekking tot het Oude Testament. Buiten-bijbelse vondsten uit de oosterse wereld, waarop bijbelse namen voorkomen, werpen soms nieuw licht op Bijbelteksten. Zo is er een vondst met betrekking tot Bileam.

Bijzonder opzien heeft ook gebaard het aantreffen van de naam Bileam, de zoon van Beor, op een stuk steen, dat heeft toebehoord aan een heiligdom in Tel Deir-Alla in Jordanië, waar opgravingen worden verricht door de Leidse archeoloog prof. dr. H. J. Franken. De teksten zijn, voor zover dat mogelijk is, ontcijferd door prof. dr. J. Hoftijzer, eveneens te Leiden. Ze zijn geschreven in het aramees en bevatten vloekwoorden. Bileam spreekt vloekwoorden uit over het volk, welke hem zijn ingegeven door een godin, die hem in de nacht verschenen is. De naam van de godin wordt niet vermeld, maar zij kan Astarte zijn, eveneens uit de bijbel bekend. Het land zal verwoest worden door vuur (dus op de wijze van Sodom en Gomorra). Als Bileam wakker wordt barst hij in tranen uit, niet alleen om het leed, dat het volk zal worden aangedaan, maar ook om aandacht voor hem en zijn woorden te trekken. Het doet denken aan Elisa, die in tranen uitbarstte, toen de Heere hem getoond had welk leed Hazaël van Aram het volk Israël zou aandoen (II Kon. 8 : 11). Een oom van Bileam vraagt hem dan naar de reden van zijn smart, wat weer doet denken aan de oom, die vraagt wat er met Saul gebeurd is en wat Samuel hem gezegd heeft. Is het optreden van de oom in beide gevallen min of meer toevallig of wijst dit op een bepaalde poside van de oom? Ook bij Mohammed was het zijn oom, die het het eerst voor hem opnam.
Het is verbazingwekkend dat in genoemde tekst van Deir-Alla van een Bileam, de zoon van Beor sprake is, die vloekwoorden uitspreekt. Uit de bijbel weten we dat Balak, de koning van Moab, boden zendt naar een zekere Bileam, de zoon van Beor, om Israël, dat op weg naar Kanaän begeert door zijn land te trekken, te vloeken. Balak verwacht dat vloekwoorden hun uitwerking niet zullen missen. Die doen hun werk beter dan welke wapenen ook. Vloekwoorden werken naar antieke gedachte als gif in een menselijk lichaam, dat langzaam maar zeker zijn werk doet. In plaats van vloeken gaat Bileam dan het volk zegenen, tot grote ontsteltenis en woede van Balak. Maar Bileam kan niet anders dan spreken wat de Heere hem ingeeft.
In de overlevering is blijkbaar ook buiten Israël Bileam, de zoon van Beor, als een berucht vloeker blijven voortleven, waarvan we in de tekst van Deir-Alla een verwonderlijk bewijs blijken te hebben.
Dat er af en toe nog weer wonderlijke ontdekkingen in verband met de bijbel worden gedaan bewijst de vondst van een drietal zegels dit jaar jn Israël, in het oude Juda, gedaan. Op de zegels komen namen voor in het oud-hebreeuwse schrift, die ons weer direkt aan de bijbel doen denken. Zij duiden de eigenaars van de zegels aan. Op de eerste zegel staat: Baruchjahu, zoon van Nerijahu, de schrijver. Op de tweede: Jerachmeël, de zoon des konings en op de derde Serajahu, zoon van Nerijahu.
De eerste is de bekende Baruch, een zoon van Neria, secretaris van Jeremia (vgl. o.a. Jer. 36 : 4). De tweede is de koninklijke ambtenaar Jerachmeël, blijkens zijn zegel behorend tot de koninklijke familie. Hij heet de 'zoon van de koning' een uitdrukking die ook voorkomt in 1 Kon. 22 : 26 en Jer. 38 : 6. Deze nu heeft het woord 'prins'. Volgens Jer. 36 : 26 moest hij tegen Baruch en Jeremia optreden. Derde is Baruchs broer Seraja, een hoge koninklijke ambtenaar, die voorkomt in Jer. 51 : 59 en de titel heeft van 'hofmaarschalk' of 'opperkamerheer'. Baruch en Seraja waren broers en beiden zonen van Nerija en kleinzonen van Machseja, vgl. Jer. 32 : 12 en 51 : 59.

Zegels werden verbonden aan officiële akten, zoals de profeet Jeremia zijn zegel hecht aan een koopakte (Jer. 32 : 10).
Dat Baruch schrijver wordt genoemd wijst op een officieel ambt. Hij was publiek schrijver, waarschijnlijk in dienst van de rijksadministratie, schreef oorkonden en andere waardevolle papieren. Dat ook Baruchs broer Seraja in hoge koninklijke dienst was wijst erop dat hij een vooraanstaand persoon was en stamde uit een vooraanstaande familie. Later heeft Baruch, onder de indruk van Jeremia's profetieën diens zijde gekozen en trad hij op als diens secretaris. Welke ergernis dit koning Jojakim bezorgde blijkt uit het feit, dat hij op een gegeven moment Jeremia en Baruch beiden in de gevangenis wilde zetten, maar de Heere verborg hen (Jer. 36 : 26).

Wij zijn voor ons geloof in openbaring van God niet aangewezen op of afhankelijk van oudheidkundige vondsten. In die zin moeten we op onze hoede zijn. De Bijbel behoeft niet eerst door de archeologie bevestigd te worden. Dan brengen we er een vals element in. Maar alles wat kan dienen om de inhoud van Gods Woord uiüegkundig te verhelderen, mogen we dankbaar benutten. Daarom hebben oudheidkundige vondsten wel degelijk waarde.

De voorbereiding tot de openbare belijdenis des geloofs
Nu allerwegen de catechisaties weer beginnen gaan, komt ook de belijdeniscatechisatie weer binnen onze gezichtskring. Vergis ik me niet, dan bespeuren we in onze tijd enerzijds de (verheugende) ontwikkeling dat zij die zich voorbereiden op de openbare belijdenis dit niet doen vanwege de traditie of de gewoonte, rnaar bewust willen toetreden als belijdend lid tot de gemeente. Belijdenis doen wordt gezien als keuze. Daarnaast is er ook een tendens die m.i. allerminst verheugend te achten is om de openbare belijdenis als handeling achterwege te laten, overbodig te achten en belijdenis en Avondmaal te ontkoppelen. We menen dat de verbinding tussen belijdenis en heilig Avondmaal schriftuurlijk is. God wil in het sacrament het zwakke geloof versterken, het geloof dat onder getuigen ook beleden is. Hoe hebben we nu de openbare belijdenis en de voorbereiding te zien. Dr. C. Bezemer spreekt in het Hervormd Weekblad van 13 september van een eindpunt en een beginpunt. Hij schrijft:

Wat het eindpunt betreft kan de openbare belijdenis des geloofs beschouwd worden als de afsluiting van de periode van de voorbereidende en gewone catechese, ook al is het, dat gedurende die gehele periode bij velen geen, sprake is van een trouw volgen van de catechese. In de praktijk blijkt trouwens dat vele kerkeraden en predikanten – zo niet allen – het niet al te nauw nemen met de voorwaarde voor het deelnemen aan de eigenlijke voorbereiding tot de openbare belijdenis des geloofs. Of dit noodgedwongen of vanzelfsprekend is, willen we hier in het midden laten. In elk geval dient men volgens ord. 9-4-2 gedurende tenminste twee jaren de gewone catechisatie te hebben gevolgd, behoudens ontheffing van deze bepaling, te verlenen door de kerkeraad. Door deze laatste toevoeging heeft men de nodige en toch eigenlijk ook noodzakelijke ruimte willen scheppen voor het nemen van de beslissing om tot de openbare belijdenis des geloofs over te gaan. Als 'voorbereiding' wordt in ord. 9-4-4 genoemd een periode van 'tenminste zes opeenvolgende maanden', maar goed beschouwd dient de gehele daaraan voorafgaande christelijke opvoeding in het gezin, door de ouders en vanwege de kerk als zodanig gezien te worden. Het moet duidelijk zijn dat dit alles niet los gezien mag worden van de doop en van de door de ouders afgelegde doopbelofte. Dat er ook jongeren en ouderen zijn, wier weg tot de openbare belijdenis des geloofs een heel andere is, laat zich verstaan. Ieder jaar mag dat weer met blijdschap en dankbaarheid geconstateerd worden.
De openbare belijdenis des geloofs kan echter niet alleen gezien worden als een eindpunt, maar ook als een beginpunt. Artikel XVII van de Kerkorde luidt: 'Zij, die begeren als belijdende leden in het midden der gemeente te worden opgenomen, daardoor tot het Heilig Avondmaal te worden toegelaten, en medeverantwoordelijkheid te dragen voor de opbouw der gemeente van Christus, doen in de gemeente openbare belijdenis des geloofs' (sub. 1). Door de openbare belijdenis krijgt men dus toegang tot het Heilig Avondmaal en medeverantwoordelijkheid voor de opbouw van de gemeente van Christus. Zo wordt het gesteld in de Kerkorde zelf! De geloofsbelijdenis is openbaar; door de openbare belijdenis des geloofs krijgt men toegang tot het Heilig Avondmaal. Vooral wat het laatste betreft wordt helaas door menige kerkeraad en predikant gedaan alsof dit Kerkorde-artikel niet bestaat.
Maar afgezien van deze min of meer formele zijde van de voorbereiding tot de openbare belijdenis des geloofs, dient in aanmerking genomen te worden dat het toch vóór alles gaat om een persoonlijke geloofsbeslissing. Wanneer we aan de ene kant moeten zeggen dat het hierbij niet gaat om een vrijblijvende zaak, dient toch daar tegenover gesteld te worden dat deze beslissing niet lichtvaardig genomen mag en kan worden. En wel om deze reden, dat daarin onze verhouding tot God, tot Christus in het geding is. Hoewel in wezen anderen daar geheel buiten staan, kunnen zij toch hetzij in het gesprek, hetzij door hun voorbeeld stimulerend werken om te komen tot de geloofsbeslissing, die God van ons vraagt, terwijl juist daartoe de belijdeniscatechisatie, of hoe men de voorbereiding ook noemen wil, de aangewezen gelegenheid is. Wie zich voorbereidt is niet gedwongen de openbare belijdenis des geloofs af te leggen, maar die heeft daarin wel een helpende hand toegestoken gekregen, die – zo niet onmisbaar – toch van heel veel betekenis kan zijn. Nochtans blijft de openbare belijdenis des geloofs een persoonlijke geloofsbeslissing. Laten zij, die nog niet weten of zij deze beslissing kunnen of willen nemen, die nog 'hinken op twee gedachten', vooral nietverzuimen de voorbereiding tot de openbare belijdenis des geloofs te volgen. In de wereld van vandaag is het meer dan ooit nodig dat met name jonge mensen tonen aan welke kant ze willen staan, dat ze Christus – ook al is het met vallen en opstaan – willen volgen. Ongetwijfeld zijn er nog velen, die een zekere aarzeling moeten overwinnen, hoewel ze in wezen reeds lang voor Christus hebben gekozen. Anderen staan op het standpunt: als ik toch al voor Christus gekozen heb, waarom moet ik dan de openbare belijdenis des geloofs afleggen?
Daarop zou ik dit willen antwoorden: De openbare belijdenis des geloofs is niet alleen een getuigenis in het midden der gemeente, maar ook tegenover de wereld, die God niet kent of niet wil kennen. Daarbij gaat het om een getuigen met woord en daad. Met het geven van het ja-woord alleen is men niet klaar. Maar het is wel belangrijk en onmisbaar. Want juist daardoor en omdat het in het openbaar geschiedt, bindt men zich openlijk aan de belofte, die men weliswaar door Gods genade, maar toch uit vrije wil aflegt. Deinzen velen misschien terug voor deze binding, mede omdat het een binding is aan een bepaalde kerk? Wanneer dit laatste het geval zou zijn, dan komt dit voort uit een idealistisch maar toch onwerkelijk oecumenisch denken. Het bestaan van de vele kerken is nu eenmaal een realiteit, die men betreuren kan, maar die desondanks een realiteit blijft. Mogelijk kan de vrees voor een 'aparte' kerk wat worden weggenomen door artikel I van de Kerkorde: 'De Nederlandse Hervormde Kerk, overeenkomstig haar belijdenis openbaring van de ene heilige katholieke of algemene Christelijke Kerk…' Als het goed is dan zoeken we niet 'een kerk', maar 'de Kerk'. De persoonlijke geloofsbeslissing zal er alleen maar door aan waarde winnen.

De watervrees om zich te binden aan een bepaalde kerk, waar men verantwoordelijkheid draagt heeft m.i. vooral bij jongeren meerdere achtergronden. Daar is de huiver om zich überhaupt te binden. Daar speelt toch ook mee de kerkelijke verwarring, polarisatie en richtingsstrijd. Voorts een zeker verzet tegen instituties en autoriteiten. Men legt eenzijdig nadruk op de persoonlijke ervaring (hokihet ervaar in mijn hart) en verwaarloost de gemeenschappelijkheid (het samen belijden van het ene geloof). Terecht wijst Bezemer erop, dat we in de voorbereiding goed duidelijk moeten maken dat het gaat om de persoonlijke geloofskeuze voor Christus, het staan in Zijn gemeente, maar dat dat laatste niet los staat van een konkreet; kerkverband. Mogen we ook niet in rekening brengen dat we in de konkrete kerk, in dit geval dus de Ned. Hervormde Kerk, binnen welks muren we gedoopt zijn, toch ook het Woord ontvangen hebben, in de wekelijkse prediking, in gesprek en catechese. Dan heeft belijdenis doen ook het aspect van antwoorden: Wat hebben we veel ontvangen van de middellijke weg! Dan mogen we ook het antwoord niet schuldig blijven!
A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's