‘Het vuur blijft branden’
Geschiedenis van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)
Als de profeet Jeremia op een bepaald moment er het bijltje bij neer wil gooien en er aan denkt om niet meer in de Naam des Heeren te spreken, wordt het in zijn hart 'als een brandend vuur'. (Jer. 20 : 9). Aan dit bijbelgedeelte is de titel ontleend van een bij Kok verschenen geïllustreerde uitgave, waarin P. Jongeling, J. P. de Vries en prof. dr. J. Douma de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) beschrijven. Zoals bij Jeremia het vuur bleef branden, zo ook – zo luidt de toelichting – bij de vrijgemaakt-gereformeerden. Prof. Douma zegt ervan: 'dat belijden ook velen onder ons wanneer ze op de jaren sinds de Vrijmaking terugzien. Het is vaak anders gelopen dan we gedacht hadden. We begonnen zo eendrachtig, maar het werd een tijd vol scheuren en barsten… Veel onheilig vuur heeft er gebrand. Maar het is toch niet sterk genoeg gebleken om de vrijgemaakt-gereformeerde kerken in de as te leggen. Ze zijn er nog omdat ook ander vuur bleef branden. Dat schrijven we niet aan onszelf toe maar aan de God van Jeremia.'
Jonge kerk
Dat de vrijgemaakt-gereformeerde kerken jong zijn blijkt van bladzijde tot bladzijde én in de tekst én in de vele illustraties. Het is om zo te zeggen een na-oorlogs boek. Evenwel start het boek met de voorgeschiedenis van de vrijmaking. Even komt iets naar voren uit de tijd van de 'parade der mannenbroeders'. Het boek zet in met het sterven van Abraham Kuyper op 8 november 1920. Aangehaald wordt wat dr. P. Kasteel in de inleiding van zijn, dissertatie over Kuyper zegt:
'Wie zijn leven overziet, moet erkennen dat hij gedurende de twintigste eeuw een van de domineerende figuren is geweest van Nederland. Van zijn leeuwenklauw draagt ons moderne nationale leven, dat eigenlijk pas in zijn mannelijken leeftijd begon, het onuitwischbare merk. Zijn overweldigende persoonlijkheid werpt in ons land haar reusachtige schaduw over heel de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij was een regenereerende, organiseerende en reformeer ende figuur. Zonder hem is ons kerkelijk, ons wetenschappelijk leven en onze staatkundige ontwikkeling onverklaarbaar. Ons sociale en journalistieke streven, onze taal, geheel ons culturele leven hebben de scheppende kracht van zijn origineelen geest ondergaan. Kuypers persoonlijkheid, agressief en intransigent, democratisch en toch ook dictatoriaal en aristrocratisch, sneed als een ploeg door harten en hersens. Zij wekte de tegenstrijdigste gevoelens, zoodat de hartstochten rond zijn persoon en werk nog niet tot bedaren zijn gebracht. Hij staat als een toren in ons landschap; zijn naam en beteekenis verdonkeremanen, zooals hardnekkig is geschied, moet onrecht heeten. Zoolang krachtige naturen altijd elk nationale leven zullen beheerschen, zoolang blijven zij aanspraak maken op den naam nationale figuren. In de galerij van deze enkele eminenten heeft Abraham Kuyper, in wien de stroomingen van de tijd haar strijdbaren verdediger of onverbiddelijken bestrijder vormden, zijn uitzonderlijke plaats. Hij behoort niet aan één volksgroep, al was hij er de herwekker van; hij behoort niet tot één godsdienstige richting, al mag men hem misschien den universeelsten kop en de meest romantische figuur noemen, dien het Nederlandse Protestantisme voortbracht. Hij is iemand geweest, in wien het groot-Nederlanderschap zich machtig manifesteerde, terwijl hij tegelijk de typische vertegenwoordiger van het Nederlandsche Calvinisme bleef.'
Taal van een voorbije tijd intussen. Taal uit de tijd van het groot-leiderschap in kerk en staat. Al spoedig evenwel – aldus P. Jongeling in het eerste hoofdstuk van dit boek – komt er een zekere zelfvoldaanheid over het gereformeerde leven. De 'kleine luyden' telden mee. ' Overal in kerk staat en maatschappij gaven de gereformeerden mee de toon aan'. Sommige gereformeerden raken – aldus Jongeling – intussen ook ver van huis, met name door het lidmaatschap van de Nederlands Christelijke Studenten Vereniging (NCSV), een lidmaatschap dat door de gereformeerde synode wordt ontraden. De kwestie Geelkerken inzake het spreken der slang gaat de Gereformeerde Kerken verdeeld houden. De synode van Assen zet Geelkerken af. De wijze van afzetting – zo betoogde toen prof. dr. S. Greydanus – was fout. En Jongeling voegt eraan toe, dat langzamerhand de dwaling binnensloop om de synode als een opper-kerkeraad te zien. Hij zegt: 'Het verzet tegen deze ongereformeerde tendenzen was terecht. Maar te weinig leefde het besef dat gereformeerde kerken zich steeds wéér moeten reformeren, nieuwe en oude dingen moeten voortbrengen uit Gods Woord…'
K. Schilder
De eigenlijke voorgeschiedenis van de vrijmaking in 1944 vangt aan met de theologische arbeid van prof. dr. K. Schilder, die vanuit Schrift en belijdenis – zo heet het – de zwakke plekken aantoont in Kuypers leer van de gemene gratie, de leer van de algemene genade. Voor Kuyper is deze leer de inzet voor brede cultuurarbeid. 'Geen duimbreed is er op heel 't erf van ons menschelijk leven, waarvan de Christus, die aller Souverein is niet roept: "MIJN" 'Jongeling zegt, dat deze Kuyperiaanse theorie veel kwaad heeft gedaan: 'Ze heeft op den duur niet de bijbelse reformatorische activiteit maar de wereldgelijkvormigheid bevorderd.' Met Schilder komt dan de aanval op deze erfenis van Kuyper. Het is de inzet voor een proces van kraken en scheuren. Jongeling noemt dit – gelijk de vrijgemaakten immer plegen te zeggen – 'reformatie, wederkeer tot de klare taal van de Schrift'.
We kunnen de punten, waarom het in dit alles ging, hier onmogelijk in het bestek van één artikel uiteen zetten. Men leze daarvoor dit boek, dat de geschiedenis op heldere wijze bloot legt. Als prof. dr. K. Schilder tenslotte in 1944 bezwaar aantekent tegen de door de gereformeerde synode gehandhaafde leeruitspraken en de kerken oproept de binding eraan niet te aanvaarden volgt zijn ontslag als hoogleraar en zijn ontzetting uit het ambt. De Vrijmaking is een feit.
Eerlijk beel
Hoewel een boek als dit, dat een zó dichtbij gelegen periode beschrijft, met zúlke emotionele gebeurtenissen, er niet aan ontkomt in het voordeel van eigen kring de gebeurtenissen te interpreteren, moet evenwel worden gezegd, dat in dit boek een eerlijk beeld gegeven wordt, óók over de tijd na de vrijmaking, een tijd waarin allerlei nieuwe schorsingen zouden plaats vinden, een tijd die prof. Douma ook eerlijk, met besef van ook onheilig vuur dat brandde, beschrijft.
Me dunkt, dat schorsingen altijd, wáár dan ook en hóé dan ook, wonden doen overhouden, die maar moeilijk helen. Zo zullen dan de Gereformeerde Kerken zelf de kwestie met Schilder als een wonde plek blijven houden. Maar op hun beurt staren van allerlei foto's in dit boek mensen als prof. C. Veenhof ons aan, eraan herinnerend hoe het proces van voortgaande 'reformatie' ook weer onnoemelijk menselijk leed met zich meebracht.
Ook na de Vrijmaking is het proces van verder gaande deling verder gegaan. De buitenverbanders, thans Nederlands Gereformeerde Kerken, zijn er het sprekende bewijs van. Hun ontstaansgeschiedenis komt uiteraard ook in dit boek aan de orde.
Bevinding
Al lezende in dit boek kan men ook intussen respect hebben voor wat de vrijgemaakt-gereformeerden voor hun zaak hebben overgehad, niet alleen kerkelijk, ook op het terrein van het onderwijs, de politiek, de maatschappij. De zorg om de zuiverheid van deleer en de nadruk op de binding aan de belijdenis zijn daarbij van fundamentele betekenis. De theologische arbeid, in de kring der vrijgemaakten verricht, mag verder ook onze bewondering hebben.
Toch laboreren de vrijgemaakten ook aan één punt, dat onzes inziens ook mede ten grondslag ligt aan het proces van vervlakking binnen de Gereformeerde Kerken en dat is het gemis aan het bevindelijke element in de prediking. Al in het begin van dit boek wordt opgemerkt, dat (de nu 90-jarige) ds. D. van Dijk in het Groninger land streed tegen de valse mystiek en voor 'het rechte zicht op het verbond Gods'. Zó heeft ds. Van Dijk zich tot heden trouwens in zijn persartikelen doen kennen. Nu is strijd tegen valse mystiek uiteraard geboden. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat er in de genoemde strijd sprake is van een vloeiende overgang tussen wat hier genoemd wordt valse mystiek en wat bijbelse bevinding is. Prof. Douma zegt het in zijn bijdrage in dit boek vrij abrupt: 'wij willen geen politieke prediking, net zomin als een bevindelijke prediking, die alles wat 'uiterlijk' is (tot en met in de politiek) onbelangrijk acht in vergelijking met het leven tussen de ziel en God.' Als de nadruk op het laatste ligt ('alles wat uiterlijk is' onbelangrijk) dan zeg ik accoord, maar ook hier weer dat verzet tegen bevindelijke prediking. Me dunkt echter, dat hier immer weer ook de kiem ligt van de vervlakking van het kerkelijk leven. Men zou eigenlijk willen weten wat prof. Douma nu precies onder bevindelijke prediking verstáát. Hij zal toch niet willen ontkennen, dat er sprake is van een persoonlijke toeëigening des heils door de Heilige Geest, dat de Heilige Geest ontdekt aan zonde en schuld en de liefde Gods instort in het hart? Wat zou het in-werk van de Heilige Geest bij prof. Douma dan wél voorstellen. Maar het feit is dunkt me – en de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken levert daarvan een sprekend voorbeeld –, dat overschatting van het verbond, met voorbijgaan aan de noodzaak van bekering, ook voor hen die krachtens Doop in het verbond Gods zijn begrepen, de deur op den duur open zet naar een activistisch bezig zijn in kerk, staat en maatschappij met uiteindelijk verschraling van het geestelijk leven. Het geestelijke bevindelijke leven is toch immers ook de ziel van het gemeentelijk leven!
De Gereformeerde Bond
Prof. Douma besteedt in zijn bijdrage ook uitvoerig aandacht aan de Gereformeerde Bond. We stippen het hier slechts aan, omdat de argumenten, waarom wij hervormd willen zijn en zij het niet kunnen zijn, bekend zijn. Douma houdt ons ook best een spiegel voor. Als wij bij afscheidingen kritisch vragen stellen, omdat scheuringen telkens nieuwe scheuringen blijken op te roepen, omdat afscheiding om zo te zeggen een repeterende breuk is, dan vraagt hij ons: 'waar zijn de kopstukken gebleven: dr. J. D. de Lind van Wijngaarden, dr. J. G. Woelderink, prof. H. Visscher, ds. M. van Grieken? Ook bij ons mag er wel zijn de beschaamdheid der aangezichten. Als prof. Douma spreekt over onheilig vuur bij hén dan was het er ook bij óns.
Prof. Douma zegt ook, dat noch de Afscheiding, noch de Doleantie, noch de Vrijmaking en zo ook de Gereformeerde Bond niet, het kerkelijk vraagstuk heeft opgelost. Het zal ook – zo vindt hij – nooit op te lossen zijn: 'kraken blijft het tot de jongste dag'. Hij erkent ook, dat God wonderen doet in de Hervormde Kerk (spreekt zelfs van broederschap met de Gereformeerde Bond), maar 'het wonder in de Hervormde Kerk is nog wel wat anders dan het wonder van de Hervormde Kerk'. Liever dan te spreken over het wonder van de Hervormde Kerk, zou ik willen spreken over verwondering over de God des Verbonds, die in Zijn verbondstrouw ook over het wederhorige hervormde kroost is wakker gebleven, ondanks het vele waarover wij ons diep schamen moeten. Maar hier – in het zicht van het Verbond met de tweeërlei kinderen des Verbonds – ligt dan ook het verschil tussen ons en de Vrijgemaakten. En ook al trekt ook óns hart naar 'de broederschap die, wáár ook, de gereformeerde belijdenis liefheeft', en voor ons dus ook naar de vrijgemaakten met hun binding aan de belijdenis, bij Douma's slotopmerking over de Gereformeerde Bond komen toch onze problemen. Hij zegt nl.: 'wij hopen nog altijd dat onze wegen eens samen gaan lopen. En dat een Bond, die zich gereformeerd noemt, afscheid wil nemen van wat niet gereformeerd is, om banden aan te knopen met hen, die wel gereformeerd zijn'. Dit laatste zal ook nu de oplossing van het kerkelijk vraagstuk niet brengen, zoals 1834, 1886 en 1944 het ook niet hebben gebracht. Intussen begrijpen wij best, dat Douma c.s. ons fundamenteel bevragen over het samengaan van Waarheid en leugen in de kerk. Wij verstaan die aanvechting van binnen uit. Dat geeft concreet lijden aan de kerk. De geschiedenis van de vrijmaking heeft echter getoond, dat dat lijden doorgaat ook wanneer men van 'reformatie' tot 'reformatie' gaat.
Intussen zij 'Het vuur blijft branden' warm ter lezing aanbevolen. Het geeft een doorkijk in een stuk bewogen kerkgeschiedenis binnen de Gereformeerde Gezindte. Tot ontdekking en lering.
v. d. G.
P. Jongeling, J. P. de Vries en prof. dr. J. Douma: Het vuur blijft branden, uitgave Kok, Kampen, 196 pagina's, ƒ 37,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's