De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijdenis der Hugenoten (12)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijdenis der Hugenoten (12)

De Confessie Gallicana

11 minuten leestijd

Art. 26 Wij geloven dat niemand zich op zichzelf mag houden, en met zichzelf tevreden mag zijn, maar dat allen met elkaar de eenheid der kerk moeten bewaren, zich onderwerpend aan de leer die allen voorgehouden wordt en aan het juk van Jezus Christus, en wel op elke plaats, waar het ook is, waar God een geordende kerk in het leven geroepen heeft; ook wanneer de overheden en hun wetten het verbieden; en verder dat allen die zich hier niet in schikken of zich apart houden handelen tegen Gods bevel.
Art. 27 Wij geloven echter ook dat het nodig is zorgvuldig en verstandig te onderscheiden, welke de ware kerk is; omdat van de titel al te veel misbruik is gemaakt. Naar het Woord van God stellen wij vast dat die gemeenschap de gemeenschap der gelovigen is, die hierin één zijn, dat zij dit Woord aanhangen en de ware religie die daarvan afhankelijk is, en die daarin voortschrijden al de tijd van hun leven, door toe te nemen en zich te sterken in de vreze Gods, aangezien zij het nodig hebben te vorderen en steeds meer toe te nemen. Doch hoezeer zij zich ook inspannen, toch moeten zij onophoudelijk hun toevlucht nemen tot de vergeving der zonden. Intussen loochenen wij niet dat er onder de gelovigen ook huichelaars en verworpenen schuilgaan; hun boosheid kan evenwel niet de eretitel kerk teniet doen.
Art. 28 Op grond van dit geloof betuigen wij dat waar Gods Woord niet aangenomen wordt en men er geen blijken van geeft zich eraan te onderwerpen, en waar geen recht gebruik der sacramenten is, men niet kan zeggen dat daar een kerk is. Wij verdoemen daarom de samenkomsten der papisten, waaruit de zuivere waarheid Gods verbannen is, waarin de sacramenten verdorven, verbasterd, vervalst of geheel teniet gedaan zijn, en waarin allerlei soort van bijgeloof en afgoderij in zwang is. Wij houden het ervoor dat allen die zich hiermee inlaten en daaraan deelnemen zich van het lichaam van Christus scheiden en afsnijden. Daar echter nog een gering spoor van de kerk in het pausdom overgebleven is en ook de substantie van de doop, immers de kracht van de doop hangt niet af van hem die hem bedient –, daarom verklaren wij dat diegenen die daar gedoopt zijn niet een tweede doop nodig hebben. Evenwel, men kan vanwege de verdorvenheid die in haar heerst de kinderen daar niet ten doop houden zonder ze te bezoedelen.
Art. 29 Wat de ware kerk betreft, wij geloven dat zij geleid moet worden naar de orde die onze Heere Jezus Christus ingesteld heeft, dat wil zeggen dat er herders, opzieners en diakenen moeten zijn, opdat de zuivere leer haar loop zal hebben, de zonden gebeterd en geweerd zullen worden en opdat de armen en alle andere beproefden in hun noden worden geholpen, en opdat de samenkomsten der gemeente tot stichting van groot en klein in Gods naam gehouden zullen worden.
Art. 30 Wij geloven alle ware herders, op welke plaats zij ook arbeiden, alle hetzelfde aanzien en dezelfde macht hebben, onder ons enig Hoofd, onze enige Heere en enige algemene Bisschop Jezus Christus, en dat op grond hiervan niet één gemeente aanspraak mag maken op macht en gezag over andere gemeenten.
Art. 31 Wij geloven dat niemand zich op eigen gezag in de regering der kerk mag indringen, maar dat deze regering door middel van vrije verkiezingen moet plaatsvinden, namelijk voorzover het mogelijk is en God het toelaat.
Deze uitzonderingen voegen wij er opzettelijk aan toe, omdat het menigmaal en met name in onze tijd {nu de staat der kerk zo onordelijk is) nodig is geweest, dat God op buitengewone wijze mannen verwekte om de kerk, die in verval en verwoesting lag, opnieuw te ordenen. Niettemin geloven wij dat men zich steeds aan deze regel houden moet, dat alle herders, opzieners en diakenen het getuigenis moeten hebben dat zij wettig tot hun ambt geroepen zijn.
Art. 32 Wij geloven ook dat het goed en nuttig is dat degenen die op deze wijze tot opzieners der gemeente geroepen zijn zich er onderling op beraden hoe zij het rechte midden kunnen houden in de regering van het geheel; doch met dien verstande dat zij in niets afwijken van hetgeen ons daarin door onze Heere Jezus Christus bevolen is. Dat verhindert echter niet dat er in de gemeenten aparte gewoonten bestaan, alnaargelang de gelegenheid het vereist.
Art. 33 Intussen sluiten wij uit alle menselijke bedenkselen en alle wetten die men onder het voorwendsel van God ermee te dienen kan invoeren, en waardoor men de gewetens kan binden, want wij aanvaarden alleen wat geschiedt en wat geschikt is om iedereen, van de jongste tot de oudste, onder de gehoorzaamheid aan Christus te houden. En daarbij hebben wij gevolg te geven aan wat onze Heere Jezus Christus met het oog op de kerkelijke ban bepaald heeft, welke wij aanvaarden en voor noodzakelijk houden, met al wat daartoe behoort.

De kerk
Wij hebben met opzet al deze artikelen achter elkaar laten afdrukken. Zij bieden een reformatorische ecclesiologie, leer van de kerk. Veel zou erover te zeggen zijn, maar wij willen het laten bij een paar kanttekeningen. De kerk heeft de reformatoren hoog gezeten. Zij kozen niet voor een vrije christelijke vereniging maar voor de kérk. En daarmee ook voor de ambten, en de kerkelijke orde en tucht.
Zij hebben de mis-vorming van dit alles gezien bij Rome, maar zij zijn niet, in reactie, gevallen in het andere uiterste. Hier vooral blijkt dat de Reformatie een ré-formatie was. En dat was zij omdat de Schrift ons de kerk leert. Reeds de Heere Jezus, die de eerste discipelen vergaderde, sprak van de 'gemeente', en stelde apostelen aan en gaf richtlijnen voor de tucht. En ook al in het Oude Testament was er de kerk, zij het ook dat zij op allerlei wijze verbonden was met een 'volk', het volk Israël.
Ook de Gallicana stelt dat wij ons niet op onszelf mogen houden, maar ons bij de kerk hebben te voegen. Een christen moet één van de velen willen zijn; hij mag er geen bezwaar tegen hebben dat hij een bescheiden plaats inneemt in het geheel. In de secte, maar ook in zovele buitenkerkelijke bewegingen wil elke haan koning kraaien; in de kerk is daar nog de minste gelegenheid toe. Gewoon lid te zijn van de kerk kan een houding van christelijke ootmoed zijn ja van onderwerping aan Christus, die hier, in het midden van zijn volk, als Koning heerst.
Ook de predikanten krijgen in de gereformeerde belijdenissen weinig kans zich boven anderen te verheffen. Zij hebben allen hetzelfde aanzien en dezelfde macht (art. 30). Zij staan allen onder het ene Hoofd der kerk, Jezus Christus. Daarom verwerpen wij ook de figuur van de 'bisschop'. Jezus Christus is de enige algemene Bisschop van de hele kerk.
Steeds weer duiken, ook in onze Hervormde kerk, de gedachten op dat wij als kerkordelijke figuur een bisschop zouden nodig hebben. Calvijn zou er ook niet afwijzend tegenover hebben gestaan, zeggen sommigen. En dan beroept men zich op een brief die hij eens schreef aan de koning van Polen. Maar twee dingen vergeet men dan. In de eerste plaats, dat Calvijn de bijzondere historische situatie van Polen in aanmerking heeft genomen; en in de tweede plaats dat hij onder 'bisschop' gewoon een dominee heeft verstaan, en ook deze zogenaamde 'bisschop van Polen' geen andere bevoegdheden heeft toegekend dan die elk ander predikant heeft, o.a. het voorzitten van de vergadering der predikanten.

Hypocrieten
De Gallicana erkent dat er onder de gelovigen ook huichelaars en verworpenen schuilgaan. Men lette op deze uitdrukking. De Gallicana stelt niet dat er onder de hypocrieten en verworpenen ook enige gelovigen schuilgaan; juist omgekeerd. De gemeente bestaat niet uit ongelovigen plus (misschien) ook nog enkele gelovigen. Dat is althans niet de opvatting der reformatoren en hun belijdenissen.
Intussen, het is ernstig genoeg dat, er in de gemeente van Christus ook hypocrieten voorkomen. Zij en de verworpenen vormen één categorie. Wie Christus verwerpt is een verworpene. In zijn verwerping geeft hij blijk van zijn (eeuwige) verworpenheid. De schuld ligt bij hém.
Maar de kerk blijft de kerk, zegt de Gallicana, ondanks deze hypocrieten en verworpenen. Zij hebben niet zoveel macht dat zij het kerk-zijn van de kerk ongedaan maken. De kerk heeft haar kerkzijn van God en niet van mensen, en daarom blijft de kérk ongeacht het aantal en de usurpaties van de hypocrieten en verworpenen in haar midden. Daarom mogen wij de gemeente met een goed geweten aanspreken als de 'gemeente van Christus'. Dat is geheel conform de Belijdenis.

De roomse kerk
De Gallicana is in haar oordeel over de roomse kerk niet mis. De waarheid Gods is uit haar midden verbannen, de sacramenten verdorven, verbasterd, vervalst, zoal niet teniet gedaan. Zij is overgegeven aan allerlei soort van bijgeloof en afgoderij. Aan haar 'samenkomsten' kan men niet deelnemen, op straffe van zichzelf af te snijden van het lichaam van Christus. Kinderen kan men in haar niet ten doop houden, want dan worden zij door de zonden en dwalingen van die kerk bezoedeld.
Er is slechts één punt waarop de Gallicana over deze kerk gereserveerd oordeelt: de doop. Ook in het pausdom is de substantie van de doop gebleven. De vaderen waren zeer huiverig, óf beter gezegd: afkerig van een herdoop. Zij kenden zo goed de praktijken van de wederdopers.

Als grond voor de erkenning van de doop in de kerk van Rome noemden zij, dat zelfs in deze kerk nog een gering spoor van kerkzijn was overgebleven. Dat is een positief en negatief oordeel in énen. Positief, nóg een spoor; negatief, niet meer dan een gering spoor. Zo sprak ook Calvijn over de kerk van Rome.
Dit is de gereformeerde 'oecumeniciteit' tegenover Rome. Rome zelf is in de loop der eeuwen, wat leer en orde, wat geloof en leven betreft niet veranderd. Zou onze 'oecumeniciteit' dan wél moeten veranderen?

Vrije verkiezingen
Het heeft iets weg van 'democratie', wat er staat in art. 31. De ambtsdragers gekozen middels vrije verkiezingen. Maar men vergisse zich niet, de gemeente Gods is niet Jan Rap en de zijnen. Van een geordende gemeente kan niet iedereen zomaar lid worden. En daarom: geen democratie!
Maar wel: ambtsdragers uit het midden der gemeente zelf. Niet van buitenaf of hogerhand opgedrongen. Geen episcopale maar een presbyteriale kerk! Met respect voor het ambt aller gelovigen.
Zijn er uitzonderingen? In noodtoestanden, zegt de Gallicana. Zij had eigen tijd voor ogen. Calvijn zelf is niet gekozen als dienaar des Woords door de gemeente van Genève. En zo waren er meer. Toch was zijn ambt wettig. De overheid had in dit geval gedaan wat normaal het werk van de kerkeraad is.
De vaderen waren wel ordelijk, niet legalistisch. Zij hadden oog voor de uitzonderingen. Gaven daarvoor ruimte, doch niet teveel, want de zondige mens, ook in de kerk, neigt tot losbandigheid.
Art. 32 spreekt van 'het rechte midden' houden. Regeren is niet tyranniseren. Gezag uitoefenen is iets anders dan macht laten gelden. Een kerkeraad mag soepel zijn. Er is echter een máár. In niets mag hij afwijken, zegt de CG, van hetgeen Christus bevolen heeft. Het duidelijke gebod Gods mag voor niets wijken. Ook niet voor de gunst der gemeente. Er mogen best 'gewoonten' zijn in de gemeente die men elders zo niet vindt, en de kerkeraad mag inspelen op allerlei bijzondere situaties, maar het gebod Gods blijve ongeschonden. Dat is de ware wijsheid in het regeren van de kerk!

De tucht
Zij is naar het bevel van Christus. Wij hebben er gevolg aan te geven. Hoe moeilijk het ook is. En al blijft het maar stuk-werk. Jong en oud moet gehouden worden onder de gehoorzaamheid aan Christus. Niet gehoorzaamheid aan mensen, althans niet in de eerste plaats, maar aan Christus. De leiding der kerk mag niet bedacht zijn op eigen instandhouding, op eigen gezag en macht, zij dient niet alleen in de prediking maar ook in de kerkelijke praktijk zich te richten op de naam, het gezag en de macht van Jezus Christus.
Al wat geschikt is om die gehoorzaamheid aan Christus te bevorderen, mag gretig worden aangegrepen. Zo bindt men de gewetens niet maar maakt men ze vrij. Een gulden regel voor alle kerkelijke arbeid.

K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Belijdenis der Hugenoten (12)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's