De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wie is mijn naaste?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie is mijn naaste?

Medemenselijkheid

8 minuten leestijd

Geen vlucht uit de konkrete werkelijkheid
Wij zagen in de vorige bijdrage in deze serie, dat het zijn-met-de-ander konkrete gestalte aanneemt in de naastenliefde. Maar wie is dan die ander, tot wie ik mijn liefde heb uit te strekken? Moeten we denken aan een idealistische broederschap van alle mensen? Er zijn humanistische stromingen geweest die het in feite te bekrompen vonden te spreken van naastenliefde. De ware menselijkheid zou zich moeten richten op de mensheid als geheel. Dat lijkt een groots ideaal, een verheven conceptie. Maar als we er wat dieper over nadenken rijzen er toch vragen: Wat moet ik me denken bij een woord als 'mensheid'? Offer ik op die wijze de konkrete werkelijkheid waarin ik maar niet te maken heb 'met de mensheid' maar met mijnheer A of mevrouw B, niet op aan een idee? Loop ik niet het risico me op die wijze te verliezen in vage bespiegelingen terwijl ik in feite op de vlucht ben voor mijn konkrete verantwoordelijkheid hier en nu ten opzichte van die ene medemens die een beroep op mij doet. Vandaar dat men in de christelijk ethische bezinning een dergelijk humaniteitsideaal heeft afgewezen.

Wie is mijn naaste?
In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan heeft Christus ons duidelijk gemaakt waar het in de liefde tot de naaste om gaat. Overigens is deze overbekende gelijkenis niet zo eenvoudig als deze op het eerste horen lijkt. We moeten om te beginnen de gelijkenis zien in het kader van de tijd waarin Christus haar uitsprak. De gelijkenis geeft antwoord op de vraag naar de naaste zoals deze door een joods wetgeleerde gesteld wordt. Wij moeten daarbij bedenken dat er in het Jodendom ten tijde van Jezus verschillend gedacht werd over de reikwijdte van het begrip 'naaste'.
Sommigen beschouwden alleen diegenen die tot het Verbondsvolk behoorden als hun naasten, of die door doop en besnijdenis tot, het Verbondsvolk waren toegetreden. Samaritanen, en vreemdelingen werden buitengesloten. Maar er waren in het Jodendom ook stemmen die pleitten voor een uitbreiding van het liefdegebod op alle mensen. Het gaat hier wel vooral om die Joden die in de verstrooiing levend, in aanraking kwamen met de Griekse cultuur. Men fundeerde een dergelijke verruiming van het liefdegebod op het feit dat elk mens naar Gods beeld geschapen was en daarom de achting van ieder mens verdiende.
De Farizeeërs verengden het begrip 'naaste' tot het uiterste, door het te betrekken op mensen die op de een of andere wijze tot hun groep behoorden. Zij die naar farizeese voorschriften leefden golden als 'naasten'. De rest, het volk dat de wet niet kende, stond daarbuiten.
De Essenen, d.w.z. zij die behoorden tot de gemeenschap die bekend geworden is door de ontdekking van de Dode Zee rollen, leerden dat men de 'kinderen des lichts' moest liefhebben en alle 'zonen der duisternis' moest haten. Een rabbijnse uitlating vermeldde dat men 'ketters, en afvalligen in een groeve moest neerstoten en niet moest optrekken'. Populair was de mening dat de persoonlijke tegenstander van het liefdesgebod uitgesloten was. In al deze gevallen zien we dus dat men de grenzen van het begrip probeerde vast te stellen. Dat is ook de achtergrond van de vraag, die de wetgeleerde aan Jezus stelt. Ook Christus moet voor hem aangeven waar de grenzen van de plicht tot hefhebben liggen.

De verrassing van de gelijkenis
Keren we nu terug tot de gelijkenis dan stuiten we op enkele verrassende trekken.
Vooreerst geeft Jezus geen afgebakende definitie. Veeleer is het verhaal dat hij vertelt provocerend. De priester en de leviet, de vertegenwoordigers van het Verbondsvolk en bovendien de voorgangers in de eredienst gaan voorbij en worden door een Samaritaan, een vreemde, een vijand, beschaamd. De buitenstaanders blijken hier de kinderen van het Koninkrijk voor te gaan (vgl. Matth. 8 : 11). Terwijl Jezus hoorders na de priester en de leviet wellicht als derde figuur een joodse leek verwachten, komt een gehate Samaritaan naar voren in Jezus' verhaal.
In de tweede plaats vindt er zoiets als een omkering plaats. De wetgeleerde had gevraagd: Wie is mijn naaste? Hij denkt vanuit het eigen ik, wil een grensafbakening. Jezus vraagt aan het slot: Wie is de naaste geweest van de mishandelde mens, de mens in nood. Christus denkt en spreekt vanuit de noodlijdende. Terwijl de wetgeleerde vraagt naar het voorwerp van zijn liefde (wie moet ik als naaste behandelen) spreekt de Heere Jezus van het onderwerp der liefde: Wie heeft als naaste gehandeld?
De naaste blijkt dus een zeer konkrete aanduiding te zijn: Een mens die op onze weg geplaatst wordt, dichtbij of ver weg. Ook dichtbij: Zeker, het is goed dat de verre naaste onder onze aandacht gebracht wordt. Maar soms bekruipt je wel eens het gevoel dat alle geroep om ontwikkelingshulp en solidariteit met de derde wereld een alibi is om aan de konkrete hulp aan de buurman om de hoek te ontkomen.
Niet iedereen van Gods schepselen is op elk moment mijn naaste. Terecht schrijft prof. M. v. Rhijn in zijn prachtige uitleg van de gelijkenis uit Lucas 10: 'De naaste is geen begrio, de naaste is een levenservaring. Op een gegeven ogenblik brengt God ons met één onzer medemensen zo in aanraking dat hij of zij onze naaste wordt' (Gedachten en gestalten uit de Evangeliën 1, blz. 144). We mogen dus de naastenliefde niet beperken tot mensen die tot onze club, groep of partij behoren. Daarom kunnen christenen nooit genoegen nemen met de klassestrijd-ideologie.
Ineens kan iemand voor mij de naaste worden. En in die konkrete naaste doet Christus zelf een beroep op mij (vgl. Mattheus 25 : 31-46). Mij treft altijd weer het rake antwoord van Kohlbrugge op de vraag: Wie is onze naaste?: 'Degene, op wie wij van onze gewaande hoogte neerzien'. Terecht wijst Berkhof (De mens onderweg, blz. 106v) erop dat de naaste de mens is die ons stoort in onze plannen en overleggingen, en wiens toestand een appèl voor ons betekent, ons voor hem in te zetten.

Geen grenzen, wel verscheidenheid
De christelijke naastenliefde mist het begrensde: elk willekeurig mens kan in een bepaalde situatie mijn naaste worden. Ook gaat het niet aan onze voorkeuren of sympathieën te laten gelden.
Dat betekent niet dat ze in de openbaring van de liefde geen verscheidenheid zou kennen. Ik denk in dit verband aan het bekende woord uit Gal. 6 : 10 waar Paulus zegt dat we moeten doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor de huisgenoten des geloofs. Wat bedoelt de apostel in dit woord?
Het mag duidelijk zijn dat we natuurlijk met dit woord een hele verkeerde kant op kunnen gaan. Dan komen we toch weer terecht in de voorkeursbehandeling, en gaat de mentaliteit van 'het hemd is nader dan de rok' overheersen. Maar dat kan onmogelijk de bedoeling zijn. Immers die God die van ons liefde vraagt is Degene bij wie geen aanzien des persoons is (vgl. Rom. 2 : 11).
Ik meen dat we een andere kant uit moeten denken: De christelijke gemeente vormt een broederschap, een zeer bizondere gemeenschap die haar fundament heeft in Christus, in het toebehoren tot Hem. Door het geloof in Hem zijn christenen leden van de 'familia Dei': huisgenoten des geloofs. De liefdesrelatie waarin ik sta tot hen, die broeders en zusters in het geloof zijn, is van een andere aard dan de liefde tot hen die Christus niet toebehoren. Van een eigenlijke gemeenschap is alleen in het eerste geval sprake. En gemeenschap betekent ook binnen de kring van Christus' gemeente zorg dragen voor elkaar, in dienende liefde, in aandacht en hulpbetoon, delend in elkaars vreugden en noden. Hier ligt de eerste roeping van de christen. Daarom richt het diakonaat van de gemeente zich in een primaire verantwoordelijkheid op de gemeente en vervolgens op de wereld. Niet uit een kerkelijk egoïsme, maar wel vanuit het rekenen met de door God gelegde verbanden. Juist een gemeente waarin men de roeping tot elkaar verstaat, zal ook actief zijn in de aandacht voor de nood van de wereld. Ter illustratie citeer ik hier de exegese van prof. dr. P. A. van Stempvoort in zijn commentaar op deze brief (Pred. N.T. bij Gal. 6 : 10): 'De gemeente als huis Gods verzorgt allereerst de huisgenoten. Dit is geen inbreuk op de van haar verwachte universele liefde, maar een vanzelfsprekend zuiver functioneren van haar eigen organisme. Zij zou een aanfluiting voor de wereld zijn, als het anders was. Deze broederliefde is eerder bevorderlijk voor de vervulling van haar universele taak.' Een zeer bizondere gestalte van de naastenliefde is de liefde tot de vijand. Doch daarover in een volgend artikel.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wie is mijn naaste?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's