Op doorreis!
Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.Hebreeën 13 : 14
Wie tot Christus is uitgegaan, draagt Zijn smaadheid en deelt in Zijn vreemdelingschap in deze wereld.
Voor Hem was hier immers geen plaats, zodat Hij nog minder had, dan de vossen en de vogels.
Hij was slechts op doorreis en bevond Zich hier in het land van de vijand, die Hem geen rust gunde.
Als het beladen offerdier werd Hij uit de gemeenschap verbannen. Hij ging Zijn weg onder de last der zonde naar uiterste vereenzaming en droefheid.
Maar in Zijn vreemdelingschap had Hij een verheven doel.
In kruis en schande was de vreugde Hem voorgesteld.
Hij wist, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, van Wie Hij was uitgegaan en naar Wie Zijn hart in heimwee hunkerde. Daarom stond Hij ook niet stil op Zijn weg door deze wereld, maar haastte Hij Zich voort om het einde van Zijn loopbaan te bereiken.
En op die weg trekt Hij de Zijnen met Zich mee.
Daarom zijn zij ook niet van de wereld, anders zou de wereld hen liefhebben.
Maar nu Hij hen uit de wereld heeft uitverkoren, haat de wereld hen.
Zij zijn immers tot Hem uitgegaan.
Zij vonden in Hem de toegang tot God.
Toen zij het geheim van Zijn kruis verstonden, vluchtten zij erheen. En zij ervoeren de kracht van Zijn bloed, niet alleen tot vergeving en reiniging, maar ook tot vernieuwing en navolging.
Dat nu brengt de apostel de Hebreeën met nadruk in herinnering.
Jezus heeft buiten de poort geleden, opdat Hij door Zijn bloed het volk zou heiligen.
Maar dan is hún plaats in deze wereld ook in de woestijn.
Buiten de legerplaats wordt Jezus' smaadheid gedragen.
Was dat ook niet de weg van patriarchen en profeten?
Zij hebben beleden gasten en vreemdelingen te zijn op aarde, die het betere vaderland zochten.
Zij wisten van de stad Gods, die hun bereid was.
Daarop was hun verwachting gericht, wat hun dat ook kostte.
In hun leven was een breuk gekomen met de wereld, die van heavervreemdde en tegen hen opstond.
Want zij achtten de versmaadheid van Christus groter rijkdom, dan wat de wereld hun te bieden had.
Daarom waren zij voorgoed de grens van deze wereld gepasseerd.
Dat is niet vanzelfsprekend, noch gemakkelijk.
Want wij leven midden in deze wereld.
En wij zitten met al onze vezelen aan deze wereld vast.
Wij laten haar zomaar niet los, tenzij een sterke hand ons losmaakt, en ons oog gericht wordt op de eeuwige stad.
Dan wordt ons leven anders gevuld en gaan wij die toekomende stad zoeken.
Het zou inderdaad zwaar zijn om van de wereld te scheiden, als wij het van haar moesten hebben.
Maar wat heeft zij tenslotte te bieden aan de mens, die al zijn rijkdom en vreugde vond in de smaadheid van Christus?
Groter smart is voor deze mens niet denkbaar, dan dat hij altijd in deze wereld moest blijven.
Daarom spreekt in dit woord van de apostel, waarmee hij vermaant én vertroost, de triomf van de verwachting.
Wij behoeven hier niet altijd te blijven.
Er komt een einde aan de smaad en de vreemdelingschap.
Wij weten maar al te goed, dat wij hier geen blijvende stad hebben.
De wereld weet dat zelf ook.
Op haar manier houdt zij er ook rekening mee.
Maar het is haar niet tot vreugde, want zij kent geen ander doel, dan in zichzelf.
Is het dan niet dwaas het levensanker uit te slaan in de stad der vergankelijkheid?
Is het niet doodgevaarlijk te vergéten, dat wij hier geen blijvende stad hebben?
Want als de nacht over deze wereld valt, volgt er voor haar geen dageraad meer.
Nu is dan de vraag niet te ontwijken, of wij de toekomende stad zoeken.
Als het tweede deel van dit apostolisch woord ons leven tekent en draagt, zo is het eerste deel ons niet vreselijk meer.
Het zoeken van de toekomende stad geeft aan de pelgrimage door deze wereld haar blijde vulling.
Dan gaan wij ook wel door het land van de vijand, diie naar het woord van Augustinus alles in het werk stelt om de reizigers op weg naar Sion de herberg van deze aarde zo lief te doen krijgen, dat zij er altijd blijven hangen en vergeten hun reis voort te zetten.
En in onze tijd lijken zijn pogingen niet vruchteloos.
Hoevelen worden niet zo door deze wereld 'geboeid', dat zij, zo zij de eeuwige stad ooit in het oog gevat hebben, haar weer uit het vizier kwijtraken.
Zij weten niet eens meer op weg te zijn.
Dat hebben de Hebreeën intussen wél geweten.
Waren zij niet een schouwspel geworden in hun smaad en verdrukking?
Zelfs van hun aardse goederen werden zij beroofd.
Maar dat doofde hun blijdschap niet, want zij wisten een beter en blijvend goed te hebben in de hemel, dat hun niet meer ontnomen kon worden.
Toen Jezus hun alles werd, lieten zij de wereld achter zich.
Zij werden eruit gehaald en hun leven werd op een ander spoor gezet.
Toen richtten zij de schreden naar de eeuwige Godsstad.
En het heimwee trok hen voort.
Maar hoezeer moesten zij er dan juist tegen waken dat spoor bijster te worden.
Nu zij gekomen zijn tot die stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en tot de Middelaar van het nieuwe verbond Jezus, hoezeer hebben zij in volharding de genade vast te houden, waardoor zij welbehaaglijk God mogen dienen met eerbied en godsvrucht.
Nog eenmaal worden de beweeglijke dingen veranderd.
Dan versterft de hoop der wereld in de eindeloze nacht.
Maar dan blijven de dingen, die onbeweeglijk zijn.
Dat is de troost voor allen, die de belijdenis der hoop onwankelbaar vasthouden.
De vreemdelingschap wordt vergeten in de volle genieting van het burgerschap in de hemelen.
E. F. Vergunst, Middelharnis
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's