Jan Jacob Knap sr. (5)
Zij die bleven (28)
Woudsend
In zijn laatste gemeente, Woudsend, is ds. Knap al voor zijn komst geen vreemdeling. In zijn Heegse jaren was hij er consulent. Als wij zijn intredepreek van 1 juni 1862 lezen, krijgen wij de indruk dat het weerzien van de Friezen ds. Knap erg goed doet. Reeds de voorafspraak van die prediking begint met het ophalen van herinneringen. 'Jaren zijn verlopen, gemeente van Woudsend! sints ik de laatste maal van deze leerstoel tot u sprak'. Niettemin is hij er zich diep van bewust dat hij als dienaar van Gods Woord niet naar deze plaats gekomen is om oude vrienden weer te ontmoeten. Na vluchtig over zijn jongste verleden gesproken te hebben en dat van de gemeente Woudsend (o.a. over het sterven van zijn vrouw en van zijn bevriende voorganger in die gemeente) komt hij tot het eigenlijke oogmerk van deze dienst. 'Wat mij betreft, gemeente van Woudsend! alles wat in mij is, is door de genade Gods volvaardig om het Evangelie van Christus te verkondigen. Ja, in dezen plegtigen stond voor het eerst als uw leeraar hier staande, verheug ik mij dat ook hier te zullen verkondigen, hier onder u, – omdat er sedert vele jaren blijvende betrekking tusschen u en ons bestond, omdat ik in dezen oord vele vrienden tel, hartevrienden, – ook in de naburige gemeente, die ik zeven en een half jaar met vreugde diende . . . Welaan, het oog van het schepsel af en gerigt op den Schepper. Van Hem, Hem alleen kracht, heil en zegen verwacht, verwacht in den diepsten ootmoed en bij hartgrondige erkentenis, dat wij alles door de zonde hebben verbeurd; van Hem in den naam van Jezus heil gesmeekt, van Hem den Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont en Wiens naam heilig is, maar die ook woont bij dien die eens verbrijzelden en nederigen geestes zij.'
In Woudsend heeft ds. Knap nog drie goede jaren gehad. Ook in deze plaats weet men jaren later nog talloze anekdotes te vertellen, die bewijzen dat ds. Knap een man met gezag geweest is, die voor velen tot zegening geweest is door zijn heldere schriftuurlijke prediking. De vertelde verhalen spreken trouwens ook van zijn vriendelijkheid, zijn gevatheid en meelevendheid, zo dat hij zelfs bij tegenstanders diep respect afdwong. Al die sappige verhalen kunnen in dit kader niet herhaald worden. Voor één maak ik echter een uitzondering omdat het een kenmerkende trek van ds. Knap weergeeft nl. zijn vurige oranjeliefde. Een trek die trouwens bij vrijwel allen 'die bleven' is aan te wijzen. Het verhaal wordt door dr. Wumkes in het Fries verteld en ik ben er mij van bewust dat de vertaling nooit helemaal het gevoel kan overbrengen van de mens die het vertelde.
Vurige oranjeklant
'Wat was hij op dreef, toen in 1863 in Woudsend het feest gevierd werd, waarop herdacht werd dat het 50 jaar geleden was dat wij vrij werden van het Franse juk. De pastorie had een sierlijke illuminatie. 's Morgens acht uur was het: „Naar de kerk!” – de klok had geluid. Dominee kwam op de stoel, een oranjestrik op de borst. Hij sprak ruim twee uur en niemand heeft zich verveeld. Hij kon zo prachtig vertellen. Zo had hij deze keer allerhande stukjes van zijn eigen levenservaring: dat b.v. zijn vader in 1813 de slaapkamer van de kinderen was binnengekomen met de uitroep: „Jongens, bed uit! Oranje is weer in het land!” Ook werden heel wat vaderlandse liederen in de kerk gezongen. Tegen middernacht kwam dominee nog een keer de deur uit, riep met luide stem: „Oranje boven! Leve de koning!” Toen ging hij naar bed.'
Ds. Knap is trouwens een liefhebber van de vaderlandse geschiedenis. In heel wat preken haalt hij voorvallen uit die geschiedenis aan. Zijn bron van kennis in deze is Het handboek der geschiedenis van het Vaderland van Groen van Prinsterer. De lezing daarvan raadt hij telkens zijn hoorders aan. Hebt u weinig tijd om te lezen, zo zegt hij ergens, neem dan Groen's Korte overzicht, dat maar 60 cent kost.
Waarom die liefde tot de geschiedenis van Nederland en het Oranjehuis? Zelf geeft hij het antwoord op die vraag in zijn boekje Het eenzaam bidden: 'Nevens den dierbaren Bijbel, dien gij, gelijk ik vermoed, dagelijks, zoo in de eenzaamheid, als met uwe huisgenooten leest, raad ik ernstig en vriendelijk aan de lezing van de geschiedenis van ons vaderland. Steeds was dit noodig, maar vooral in onzen tijd! Of is het geen dringende behoefte geworden, dat iedere Nederlander we te, wat onze vaderen voor godsdienst en vrijheid hebben gedaan? Maar ook, de lezing van die geschiedenis, – zij zal u telkens, én van de noodzakelijkheid én van de dierbaarheid, én van het nut des gebeds overtuigen! Hebben onze voorouders niet in God kloeke daden gedaan? Heeft Hij op 't gebed hunne wederpartijders niet vertreden?'
Het historisch besef is ongetwijfeld één der drijfveren geweest, niet alleen bij ds. J. J. Knap, maar evenzeer bij de anderen, om de banden met de oude vaderlandse kerk niet door te snijden.
Sterven
Plotseling is ds. Knap, 29 maart 1865, overleden. 's Avonds thuisgekomen had hij nog, zoals hij gewoon was, met zijn twee nog thuis wonende kinderen de avond-huisgodsdienstoefening gehouden. Toen hij naar bed ging, werd hij door een beroerte getroffen. De direct gewaarschuwde arts vraagt hem: 'Hebt u het benauwd?' Zijn antwoord is: 'Naar het lichaam wel, naar de geest niet.' Als zijn dochter vertwijfeld uitroept: 'Vader, wat zal er nu gebeuren?', is zijn rustige antwoord: 'God zal het maken.' Een kwartier later spreekt hij nog één keer: 'Mijn Koning en mijn God! Eeuwig dank en ere!' Dat waren zijn laatste woorden, even later ontsliep hij. De Heere had zijn trouwe dienstknecht thuisgehaald. Het bericht van zijn dood verspreidt zich als een droeve mare door het hele land. Aangrijpend zijn de woorden waarmee de gemeente Woudsend het doodsbericht van haar predikant de wereld inzendt; zij geven ons, al moeten wij ermee rekenen dat woorden, in die omstandigheden gesproken, altijd wat flatteren, een duidelijk beeld van deze bijzondere predikant: 'In den vroegen morgen van den 29sten Maart verspreidde zich in onze gemeente de zoo treurige mare, dat onze zeer beminde Herder en Leeraar, Ds. Jan Jacob Knap, door eene doodelijke krankheid was aangetast. Helaas! reeds ten half negen ure werd door belangstellenden, die zich naar de Pastorij begeven hadden en vandaar terugkeerden, de bedroevende zekerheid gegeven dat hij reeds was overleden. Groot was de verslagenheid hierdoor ontstaan. Hij deelde toch in de achting van allen, zelfs van andersdenkenden, die niet konden nalaten hem om zijne trouw en vrijmoedigheid in het Prediken, maar ook om zijn open en opregt karakter en Christelijk leven te beminnen. Jan Jacob Knap, geboren den 27 junij 1806, bereikte alzoo nog niet de ouderdom van 59 jaren . . . Wat hij voor al die gemeenten was (bedoeld zijn zijn 12 standplaatsen), zullen zij zich herinneren, en zeker mogen wij uit hun naam zeggen: hij was voor ons, wat hij voor u was: een gemoedelijk en ernstig Prediker, een trouw Herder, een deelnemend vriend . . . '
Legaat aan mijn kinderen
Ds. J. J. Knap is te typeren als een theoloog van het gebed. In al zijn preken en werken, neemt het gebed een zeer voorname plaats in. Alle dagen begon hij met één uur af te zonderen voor Schriftstudie en gebed. Daarna hield hij met vrouw, kinderen en personeel de huisgodsdienstoefening, waarin het gebed en de voorbede een voorname plaats innamen.
Het meest persoonlijke werkje van al zijn geschreven nalatenschap geeft er getuigenis van dat ds. Knap niet anders te typeren is dan als theoloog, die doordrongen was van de kracht van het gebed. Dat werkje is niet uitgegeven; het was niet voor publiek, maar voor zijn kinderen bestemd. Zijn zoon heeft er later een klein gedeelte van overgeschreven in een voorwoord bij de uitgave van vaders laatste preken. Het geschriftje heet Legaat aan mijn kinderen, is eigenhandig geschreven en werd door zijn kinderen, na zijn dood, in zijn bureau ontdekt. In Aarlanderveen is hij aan het schrijven begonnen en tot aan zijn sterven heeft hij er telkens weer iets aan toegevoegd. Het begint zo: 'Lieve kinderen! Als ik niet meer zijn zal, u en uwe lieve moeder door den dood ontrukt, begeer ik dat deze letteren u zullen worden ter hand gesteld. Ik noem ze daarom ook: „legaat aan mijn kinderen” . . . Hoeveel ik schrijven zal weet ik niet. Dit hangt af van den duur mijns levens, alsmede de lust en de kracht, die de Heer tot dit werk zal believen te schenken. Mijn voornemen is echter, zoo dikwijls ik kan, eenige oogenblikken tot dit werk af te zonderen en den tijd waarop ik iets schreef, telkens aan te tekenen . . . '
Telkens weer benadrukt hij de noodzaak en de zegen van een biddend leven. Een sprekend voorbeeld is dat wat wij lezen onder het hoofdje 'De gewoonte uwer ouderen in bange dagen': 'Hoe jong ook de oudste van ulieden, lieve kinderen, heden nog zijn, gij kent de gewoonte uwer ouderen in bange dagen. Dan bogen zij hunne knieën bij herhaling voor den God van hemel en aarde; dan smeekten zij Hem om de afwending van drukkend en dreigend leed; dan werden zij, – ik mag er dit met alle vrijmoedigheid bijvoegen – uit al hunne benauwdheden gered. Och kinderen! ook gij zult bange dagen beleven. Ons leven is een mengeling van lief en leed. Het zal u in hetzelfde dikwijls bang zijn. Maar mag ik u bidden: roept dan vooral tot God. Hij hoort. Hij redt. Als niemand zich erbarmt, zoo erbarmt Hij zich. Er is alleen voor den zondigen mensch rust en veiligheid aan den voetbank van Gods voeten . . . Onder de Bijbelplaatsen, die uwe ouderen tot het straks genoemde onder 's Heeren zegen, dikwijls tot aansporing waren, verdienen de volgende een eerste plaats: Roep Mij aan in de dag der benauwdheid. Ik zal er u uithelpen . . . Bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal worden opengedaan. Dus betuigt God zelf; dus betuigt Zijn eeniggeboren Zoon, en dat dit de waarheid is, ik betuig het u plegtig, mijne kinderen! Dit hebben uwe ouders duizendwerf mogen ervaren.'
H. Harkema, Brakel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's