De loop van het Evangelie (1)
‘ . . . alzo gingen wij naar Rome.'Hand. 28 : 14c
De laatste weken van het kerkelijk jaar zou ik met u willen mediteren over het laatste gedeelte van het boek 'Handelingen der Apostelen'. Deze keer dan over:
Een schijnbaar trieste afloop
'Alzo gingen wij naar Rome'. De heidenapostel Paulus in Rome! Eindelijk is hij in het cqntrum van het Romeinse wereldrijk en daarmee in het hart van de heidense cultuur en het afgodendom aangekomen. Paulus heeft zijn doel bereikt!
Hij had immers 'van over vele jaren groot verlangen gehad' om tot de gemeente te Rome te komen (Rom. 15 : 23) en heeft in Efeze gezegd: 'Nadat ik in Jeruzalem zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien'. Welnu, die wens is nu vervuld en hij heeft Rome te zien gekregen!
Wat zegt u nú, denkt misschien iemand, zijn doel bereikt?! Hoe kúnt u dát zeggen! Als je, na een dramatische tocht, waarbij alles erop leek, dat de apostel nooit Rome zou zien – storm en schipbreuk, een giftige slangebeet zelfs – als een gevangene geboeid de plaats van je berechting, die, naar te vrezen staat, wel de plaats van je doodstraf zal worden, wordt binnengevoerd, dan spreek je toch eerder van een trieste afloop dan van het bereiken van je doel?
Ja, ik kan me goed voorstellen, dat jongeren of ouderen, zelfs wel kinderen, die het gevoel hebben, dat hun leven vastgelopen is door welke oorzaak dan ook, zó reageren. Stel je voor, daar is een christenvader of -moeder, een gelovige jongen of meisje in Rusland, die om hun geloof worden opgepakt en achter de tralies van een gevangenis of achter het prikkeldraad van een concentratiekamp ergens, in Siberië wórden gezet. Kan je dan zeggen: die man, vrouw of jongere heeft zijn of haar doel bereikt? Laat ik proberen, het nog wat dichterbij te brengen, want Rusland en die concentratiekampen schijnen ons zo ver weg . . .!
Daar is een man of vrouw onder ons, die van de ene dag op de andere uit zijn of haar werk of gezin gezet wordt door ziekte of ongeval. Daar is een jongere, die het maar niet kan bijbenen op school en gedwongen wordt ermee te stoppen; of een ander heeft met veel ijver en inspanning; het gevolgde onderwijs met goed resultaat afgesloten, maar nu kan hij of zij met het behaalde diploma niets beginnen, omdat . . . niemand hem nodig heeft. Of, om nog één voorbeeld te noemen, dat ook in onze tijd van grote wetenschappelijke kennis en mogelijkheden waarlijk niet uit de lucht gegrepen is: een kind heeft veel verwachting van het leven, het lacht hem toe, totdat . . . een ziekte zijn krachten gaat slopen en hij of zij tot de ontdekking moet komen, dat ook een kinderleven niet gevrijwaard is van de ondragelijke lasten, die een mens, ook een jóng mens terneer kunnen drukken en soms . . . kunnen bréken!
Is het haast niet een bespótting, om dan te spreken van: hij/zij heeft zijn/haar doel bereikt Ja, ik weet het, lezers, jonge vrienden ook, dat dit alles voor onze natuur schijnt te vloeken met elkaar. Als Paulus zegevierend Rome was binnengetrokken, als een veldheer, die een beslissende slag gewonnen had; als u of ik met een ridderorde wegens zoveel jaren trouwe dienst afscheid van ons werk hadden kunnen nemen; als jij, jongere, met een klinkende cijferlijst aan elke vinger van je handen een geweldige baan kon krijgen; als dat kind onder ons nooit met een ziekenhuis kennis gemaakt had en blakend van gezondheid uit de kluiten was gewassen, dan . . . ja dan denken we tot ons doel gekomen of althans daarnaar op weg te zijn.
Maar wonderlijk . . . tóch lezen we van Paulus, de naar Rome, het hol van de leeuw, gevoerde gevangene, dat hij, als de broeders uit Rome hem aan de grenzen van de stad tegemoet komen, 'God dankte en moed greep'. Heeft hij dan misschien gedacht, zoals mensen vaak geneigd zijn: het zal zo'n vaart niet lopen?
Laten we dit meteen duidelijk voor ogen houden, dat Paulus van struisvogelpolitiek niets afweet! Hij heeft bij het afscheid van de ouderlingen van Efeze gezegd: 'En nu ziet, ik, gebonden zijnde door de Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal, dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn'. En dat getuigenis van de Heilige Geest werd daarna 'van stad tot stad' nog vele malen bevestigd. Paulus was dus waarlijk niet onkundig, nog minder oppervlakkig optimistisch, toen hij Rome's grondgebied betrad.
Weet u en jij, jongere, in uw vastgelopen wegen: het geheim van Paulus' dankbaarheid en blijdschap lag voor hem in wat hij vérder tegen die ouderlingen van Efeze zei: 'Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, welke ik van de Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie van de genade Gods'. En heeft, midden in de hevigste storm, niet in de nacht een engel Gods bij hem gestaan en gezegd: 'Vrees niet, Paulus, gij moet voor de keizer gesteld worden'? Maar, zegt u, kan dát dan dankbaarheid en blijdschap geven? Het betekent toch veeleer veroordeling en mogelijk martelaarschap? Ja, lezers, maar het gaat ook niet om de (levens)loop van Paulus, of van u of mij, maar om de loop van het Evangelie! Het gaat Paulus erom, dat hij zijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, welke hij van de Heere Jezus ontvangen heeft, om te betuigen het Evangelie van de genade Gods.
Is het ons daarom ook te doen geworden? Of we nu 8 of 18 of 58 of 78 jaar zijn, gaat het ons om ons leven hier en nu, of we hier van een 'geslaagd' leven kunnen spreken, óf gaat het ons om de dienst van de Heere Jezus en het kennen en betuigen van het Evangelie van de genade Gods in ons leven? Weet u, wanneer Paulus' leven 'vastgelopen' was? Niet toen hij, geketend, Róme binnentrok, maar toen hij met ketenen in de hand om anderen te binden Damáscus naderde. Tóen, toen hij méénde, al een heel eind op weg te zijn in het volbrengen van de Wet Gods; toen hij méénde, al een behoorlijk credit-saldo op zijn rekening bij de Heere te hebben. Hij meende immers God een welbehaaglijk werk te doen met het vervolgen en binden van hen, die geleerd hadden, zó diep bij de Heere in het krijt te staan dat er geen redden meer aan was, al werden, om het in de taal van onze tijd te zeggen, al de belastinggelden van heel het Romeinse rijk erin gepompt.
Toen zij volslagen failliet waren met al hun hebben en houden, toen zij geen penning meer hadden om hun onnoemelijke schuld te betalen en dóórkregen, dat zij aan het récht van God in der eeuwigheid niet konden voldoen en dag en nacht verteerd werden door onrust, hoe het ooit met God in het reine moest komen, toen had het hun als hemelse muziek in de oren geklonken: 'Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart, en gij zúlt rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht'.
Lezers, oud of jong, Jézus' genadejuk is zo zácht en Zijn genadelast zo lícht! Wie dát niet kent, bijt zich vast in éigen doen en loopt vroeg of laat vast met eigen leven. Maar bij Damascus velde Jezus' genademacht Paulus. Toen kón hij niet verder. Dáár kwam hij te staan voor de gapende afgrond: Ik de grootste der zondaren! Die ontdekking dreef hem tot vasten en gebed, en dán leert hij 'die verachte Nazarener' kennen als óók zijn Middelaar en Verlosser: Mij, ja mij is barmhartigheid geschied! Zó is Paulus' leven, dat één opeenstapeling van 'prestaties en verdiensten' was tot daar toe, vastgelopen, radicaal en'volkomen. Maar niet alleen waren hem nu de schellen van de ogen gevallen, óók de ketenen van zijn ziel. Mét het slaan van de verzenen tegen de prikkels was nu óók zijn hart zó ernstig 'getroffen', dat hij voortaan geen stap meer kon noch durfde zetten zonder de ondersteunende genade van de Heere Jezus Christus.
O, wat een zégen, als ons leven zó vastloopt! Dan is het op ánder spoor gezet: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? En . . . wat wordt het dán? Hoor maar, wat de Heere tot Ananias zegt: 'Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam'.
Lijden, ja, dát is Paulus' leven geworden. Leest u eens, wat hij aan de Corinthiërs schrijft in 2 Cor. 11 : 24-28 over wat hij geleden heeft. Hij heeft onder en met dit alles, geleerd liever te roemen in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in hem wone. Hij weet: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig', en óók: 'Het lijden van deze tegenwoordige tijd is niet te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden'.
Zie, dan krijgt ons leven, oud of jong, perspectief, al zeggen de omstandigheden óm ons, en maar al te vaak ook dat eigen ík ín ons: uitzichtsloos, nutteloos, zinloos! Dan wordt de hoogste heerlijkheid en vaste grond: Wie of wat zal ons scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere? O diepte des rijkdoms!
J. H. Vlijm, Woudenberg
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's