Boekbespreking
Dr. A. N. Hendriks: Kerk en ambt in de theologie van A. A. van Ruler, Buijten en Schipperheijn, Amsterdam 1977, 325 blz., ƒ 35,–.
Het boek dat wij hier bespreken heeft dienst gedaan als een dissertatie. De schrijver, predikant bij de Geref. Kerk (vrijgemaakt) te Amersfoort-Centrum promoveerde erop, in 1977, aan de Theologische Hogeschool (Broederweg) te Kampen. Promotor was prof. dr. C. Trimp.
Het is een fraai boekwerk, met treffende afbeelding op de omslag, en de prijs die er voor gevraagd wordt is zeer redelijk.
Vervolgens, de schrijver biedt hier een gedegen studie. Door de meeste van Van Rulers werken is hij heengekropen, zorgvuldig is hij Van Rulers gedachtengangen nagegaan, en hij heeft daarna getracht ze in kaart te brengen. Dit alles is geen gemakkelijk werk geweest, want, zoals Hendriks zelf zegt, de analyse van Van Rulers gedachten is moeilijk (232).
Nu is dit boek niet het eerste dat over Van Rulers theologie is verschenen. Nog niet zo erg lang geleden, in 1974, promoveerde ook te Nijmegen iemand op een onderwerp uit Van Rulers theologie, nl. dr. P. van Hoof (Intermezzo, kontinuïteit en diskontinuïteit in de theologie van A. A. van RuIer). Hoewel de onderwerpen die Van Hoof en die Hendriks hebben behandeld op het eerste gezicht nogal uit elkaar lijken te liggen, hebben zij toch vele raakvlakken. Uit Van Rulers theologie kan men moeilijk een bepaald onderwerp isoleren, men wordt gedwongen rekening te houden met het geheel.
Dat heeft voor Hendriks ten gevolge gehad dat hij vooral in het eerste hoofdstuk van zijn boek (na een Inleidend hoofdstuk) de lijnen van heel Van Rulers theologie heeft moeten uitzetten vóór hij tot zijn eigenlijke onderwerp kon komen; en verder ook dat hij er moeilijk om heen kon zich voortdurend in gesprek te begeven met Van Hoof, wat hij dan ook gedaan heeft. Soms valt Hendriks Van Hoof bij, soms niet of wijkt hij zelfs uitdrukkelijk van hem af. In mindere mate geldt dit gesprék ook andere auteurs, als o.a. prof. Velema, die over Van Ruler hebben geschreven.
Hendriks onderscheidt, evenals Van Hoof, in het denken van Van Ruler eenzekere ontwikkeling. Hij deelt Van Rulers denkarbeid in drie fasen in. Er was eerst, bij de jonge Van Ruler, de fase van het visioen van een theocratische cultuur. Dat was de Van Ruler van 'Religie en Politiek' en 'Droom en Gestalte'. Dan, daarna dus, in de loop der vijftiger jaren krijgt men de Van Ruler van 'het apostolaat der kerk'. En tenslotte, na ongeveer 1960 tot aan zijn dood 15 dec. 1970, de Van Ruler die nadruk legde op de eigen gestalte van de kerk en de onmisbaarheid van het bijzondere ambt; de Van Ruler die weer begon te spreken over het wézen der kerk (en een pleit voerde voor ontologie en mystiek). Deze Van Ruler keerde zich tegen het apostolaire radicalisme van figuren als Hoekendijk en anderen.
In tegenstelling tot Van Hoof wil Hendriks de verschillende fasen in Van Rulers leven niet al te sterk markeren. Hij vindt allerlei uitspraken van Van Hoof over de oudere Van Ruler te vérgaand. Wel erkent hij accentsverschuivingen bij Van uier, maar hij stelt er tegenover dat Van Ruler tot het einde toe trouw is gebleven aan zijn diepste theologische inzichten.
Wat ons oordeel betreft over deze kwestie, wij menen daarbij twee dingen te kunnen opmerken. In de eerste plaats, als wij de beoefening der theologie niet enkel zien als een dénkarbeid maar als een existentiële bezigheid, en dat was zij bij Van Ruler, ondanks al het speelse dat daarin was, dan is moeilijk aan te nemen dat iemand in een bepaalde periode van zijn leven komt tot een geheel nieuwe theologie, want dan zou hijzelf een andere moeten geworden zijn. Een strakke periodisering is in dit verband dan ook zelden of nooit te handhaven.
Altijd vindt men al in vroegere fasen wat er later uitkwam en vindt men in een latere fase wat nog aan vroeger herinnert. Zo was het indertijd bij Gunning, zo was het bij Van Niftrik, en zo was het ook, naar mijn gevoelen, bij Van Ruler. Ik meen dan ook dat Hendriks gelijk heeft met de éénheid van Van Rulers theologie te benadrukken; het kostte hem niet veel moeite daar bewijzen voor aan te dragen. Maar anderzijds, de vrschuivingen die zich in iemands denken voordoen en die samenhangen met de plaats die iemand inneemt in veranderde omstandigheden, of met een zekere rijping van eigen inzichten, of zelfs innerlijke veranderingen, zijn waarlijk ook niet te bagatelliseren. En of Hendriks daaraan met betrekking tot Van Ruler voldoende recht heeft laten wedervaren is voor mij de vraag. Het kan zijn dat hij de accentsverschillen en verschuivingen niet zwaar genoeg laat wegen.
Wat mijzelf betreft, de oudere Van Ruler komt op mij heel wat 'gereformeerder' over dan de jongere. Daarmee ontkei nqde eenheid van zijn theologie, en daarmee geef ik ook zeker niet prijs de (ernstige) bezwaren die ik tege zijn theologie als geheel heb, maar het doet mij weldadig aan dat de oudere Van Ruler zo sterk het eigene van de kerk benadrukt heeft, zijn Rijks-gedachte wat temperde en oog had voor de misbruiken die ervan gemaakt werden.
Mogelijk is Van Ruler bij het ouder worden geschrokken van de uitwerking die gegeven word aan gedachten die hij zelf eertijds met zoveel élan lanceerde, temeer omdat zij bij hemzelf toch altijd in een verband stonden wat door anderen na em genegeerd werd. Achter zijn reactie zat misschien zelfs wel een beetje 'wroeging'. En zo schoof Van Ruler op in de richting van het 'Getuigenis' (1971) dat hij, naar alle waarschijnlijkheid als hij toen nog geleefd zou hebben, (zij het met kritische noten) ondertekend zou hebben, wat nu, in zijn plaats door zijn vrouw gedaan is.
In het laatste hoofdstuk van zijn boek heeft Hendriks kritiek op de theologie van Van Ruler en met name op zijn kerk- en ambtsleer. Over het algemeen genomen deel ik deze kritiek. Inderdaad, Van. Rulers theologie was te weinig bijbels. Hij was een groot denker, dat bepaalde zijn arbeid. Als wij hem zagen college geven dachten wij weleens: Die vlam brandt te fel! Hij was een ware systematicus en vroeg in zijn arbeid niet altijd of het Schriftgetuigenis er wel mee klopte. Na een college, ook bijgewoond door een aantal gasten uit Nijmegen, ook theologische studenten, hoorden wij hen zeggen: peculatiever dan Thomas.
Toch mag men in Van Ruler de 'gereformeerde' elementen niet over het hoofd zien. En dat geldt óók zijn theocratische gedachten, waar Hendriks overigens terecht kritische kanttekeningen bij plaatst. Dit gereformeerde in Van Ruler wordt door Hendriks een enkele maal erkend, maar het had toch wel wat sterker naar voren kunnen komen. De jonge Van Ruler was te 'modern' om voor gereformeerd te kunnen worden gehouden, maar de oudere was te 'gereformeerd' om voor modern te kunnen blijven gelden. Daardoor vereenzaamde hij. Als wij denken aan hemzelf én aan zijn theologie lopen wij over van kritiek en hebben wij toch, desondanks, niet weinig waardering.
Het boek van Hendriks achten wij intussen een heel geschikehng bij het zich verdiepen, of weer eens opnieuw zich verdiepen, in het 'fenomeen' Van Ruler.
K. Exalto
Geoffrey Parrinder, Jezus in de koran, Ten Have, Baarn 1978, 150 blz. ƒ 16,50.
Dit boekje, dat een herdruk is van een al eerder in het Nederlands verschenen uitgave (Baarn 1966), biedt een grondige analyse en interpretatie van ongeveer 35 uitspraken over Jezus in de koran, het heilige boek der moslims. Het is een geschikt boek voor hen die zich diepgaand in de islam willen verdiepen en tegen enige inspanning niet opzien. De koran is voor christenen gewoonlijk een totaal vreemd boek. Ook wie er weleens wat in rondgebladerd heeft zal toch niet gemakkelijk er de weg in hebben kunnen vinden. De schrijver van dit boek haalt alles erg diep op. Allerlei filologische en historische gegevens o.a. uit de christelijke oudheid brengt hij naar voren, om aan de koranuitspraken enig reliëf te geven. Naar mijn gevoelen haalt hij er weleens teveel bij. Dat neemt niet weg, dat wij zijn belezenheid bewonderen. Meer moeite hebben wij met zijn uitgangspunten en conclusies. Al in de inleiding stelt hij dat de God van de moslims en die der christenen één is. Maar die uitspraak staat niet los van wat hij zegt aan het einde van zijn boek, nl. dat er door de islam een 'profetische correctie' wordt aangebracht op bepaalde christelijke dogma's. Het is niet onduidelijk aan welk dogma onder andere de schrijver heeft gedacht, natuurlijk aan dat van de triniteit. Hij kiest voor een openbaringstriniteit in tegenstelling tot een wezenstriniteit. Maar daarmee geeft hij de oudchristelijke triniteitsleer prijs en kiest hij voor de ketter Sabellius, wiens naam dan ook met sympathie door hem genoemd wordt. Ja, zó kan men inderdaad wel islam en christendom naast elkaar, toebuigen. Dit alles dan terwille van de 'dialoog' der godsdiensten. Het is waarlijk geen menselijke halsstarrigheid en onverdraagzaamheid wanneer christenen erbij persisteren dat Jezus Christus de Zoon van God is, de Schrift zelf leert dat. En het is ook de Schrift zelf die zegt dat er geen andere naam onder de hemel gegeven is waardoor wij zalig worden (Hd. 4, 12). Bovendien is het evangelie in dit boek versmald tot een boodschap, dat 'God liefe is' (145v). Om een proefje te geven van de eigen theologische denkwijze van de schrijver eindig ik met een citaat: 'De gedachte dat Christus van 'daarboven' kwam en 'ingreep' in het wereldgebeuren en een bovenmenselijke rol speelde – het dient alles te worden aangepast aan de conceptie van God als degene die altijd in de wereld tegenwoordig is, en van Jezus als volkomen en historisch mens. Het valt te hopen dat de islam aan dit proces van hernieuwde doordenking samen met het Christendom deel heeft' (146).
K. Exalto
R. H. Bremmer: Gereformeerde kerk in de storm (1568-1579), Uitgeverij Boersma, Enschede, 1979, 72 blz. Prijs ƒ 14,90.
Dit mooie en vlot geschreven boekje is ontstaan uit een viertal zondagavondlezingen die de schrijver, dr. Bremmer, in januari 1979 gehouden heeft voor de NCRV-microfoon. Wij vinden hier zowel een stukje vaderlandse geschiedenis als vaderlandse kerkgeschiedenis. En zodanig beschreven dat iedereen het kan volgen. Het was een zeer boeiende tijd, toen de grondslag werd gelegd van de Nederlandse staat en van de Gereformeerde kerk in ons land. Bremmer beschrijft hoe velen, wegens Alva, vluchtten, in het buitenland in synode bijeenkwamen en toen de kans vrijkwam in ons vaderland het kerkelijk leven organiseerden. Door bekwame hand worden de feiten op een rijtje gezet eii wordt enig inzicht gegeven in de achtergronden en motieven. Het boekje is verlucht met enige mooie foto's, en gedrukt op hagelwit papier. Wij bevelen dit boekje graag aan, zeker bij hen die enige historische interesse hebben.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's