De betekenis van ‘de vaderen’ in de Bijbel en voor ons (2)
Geloof en leer met elkaar in tegenspraak
Wanneer wij nu op grond van het in het vorige artikel verhandelde stellen, dat de vaderen in de Schrift slechts gezaghebbend zijn als voorbeelden en dragers van het geloof (Hebr. 11), dan laat zich natuurlijk de vraag stellen of het zoveel verschil maakt wanneer de vaderen in de joodse traditie als dragers van de leer of op Schriftuurlijke gronden als dragers van het geloof ten voorbeeld worden gesteld. Ik meen daarop bevestigend te moeten antwoorden, om twee redenen.
a) De manier waarop Paulus de roem bij God, die Abraham zou kunnen hebben op grond van het vlees of de werken der Wet, afwijst (Rom. 4), is illustratief voor de Bijbelse afkeer van mensverheerlijking. Abraham is niet boven alle kritiek en lof verheven, maar blijft juist als vader der gelovigen onder de kritiek van het Woord van God staan. Er treedt geen verzelfstandiging noch kritiekloze verheerlijking van de vaderen in de Bijbel op, zoals dat wel gebeurd is in de joodse, nabijbelse en tussen-testamentaire (vóór-nieuwtestamentische) theologie, en waardoor de vaderen bijvoorbeeld voof het verkrijgen van gerechtigheid voor God en zelfs verzoening met God een eigen leven konden gaan leiden (b.v. de traditie van de offering van Izaäk).
b) Wanneer de vaderen in de Bijbel gelden als voorbeeld van geloof, dan worden zij niet voorgesteld als overdragers van een in leervorm gestold geloof, maar als levende toonbeelden van wat geloven is. En hier zijn we precies aangekomen bij wat Psalm 22 vers 5 ons te zeggen heeft. In vers 4 wordt met grote klemtoon (ook in de Hebreeuwse tekst) gezegd, dat Gód heilig is en woont onder de lofzangen van Israël. En dat thema, waarin God Zelf gesteld wordt tegenover de verlatenheid en ellende van de psalmist, wordt nu voortgezet, wanneer in vers 5 gezegd wordt: 'Op U hebben onze vaderen vertrouwd', en in vers 6: 'Tot U hebben zij geroepen en zijn uitgered', en: 'Op U hebben zij vertrouwd en zijn niet beschaamd geworden'. De psalmist wil de Naam van God met grote klem uitgeroepen zien, telkens wanneer enige activiteit van de vaderen genoemd wordt. De 'grootheid' van de vaderen is evenredig met de plaats, die de HEERE in hun leven innam.
Geloven is vertrouwen
Twee andere begrippen uit onze tekst beklemtonen dit evenzeer. Allereerst dat woord 'vertrouwen', dat in vers 5 tweemaal en in vers 6 nogmaals voorkomt. Om duidelijk te maken wat 'vertrouwen' wil zeggen, roep ik u Psalm 25 in de herinnering: 'Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op, mijn God! Op U vertrouw ik'. Het woord opheffen, dat aan de oudtestamentische offertaal ontleend is, voert de ziel, het leven van de psalmist omhoog; het andere woord vertrouwen voert juist naar de diepte. 'Op U vertrouw ik', wil zoveel zeggen als: U heb ik als fundament, waarop ik me laat zinken. De HEERE is bóven en tegelijk ónder Zijn volk, zoals Hij in de woestijnreis vóór en áchter Zijn volk is (vuur- en rookkolom).
Vertrouwen in de nood
Zowel in Psalm 25 als hier, in Psalm 22 : 5, is vertrouwen een begrip dat met nood te maken heeft: in Psalm 25 door de combinatie met het gebed 'Laat mij niet beschaamd worden', en hier in Psalm 22 door het vervolg van 'Gij hebt henuitgeholpen' (vs. 5), 'zij zijn uitgered' en 'zij zijn niet beschaamd geworden' (vs. 6). Er is dus als antwoord of loon op het vertrouwen ontkoming, niet beschaamd worden, verlossing. Psalm 22 is alleen te exegetiseren, doordat licht op de psalm valt van het kruis af: 'Hij heeft op God vertrouwd; dat Die Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil' (zie Psalm 22 : 9). Er is omwille van de nood van Hem Die Zichzelf niet verloste en ook niet verlost werd, verlossing voor allen die door Hem op God vertrouwen. En door Hem Die met 'Vader' Zijn kruislijden beëindigde, is er het niet beschaamd worden van de vaderen in hun vertrouwen (Joh. 8 : 56).
Vertrouwen is hopen
Juist door het accent op de noodsituatie krijgt vertrouwen de betekenis van hopen en neemt het specifiek de gestalte van de hoop aan, en ook daarvan zijn de vaderen het grote voorbeeld (Hebr. 11 : 13 en 39-40 en 1 Cor. 10 : 11). Martin Buber geeft in zijn Verdeutschung der heiligen Schrift de woorden 'op U vertrouwd' dan ook weer met 'an dir wuszten sich sicher' (aan U wisten zich zeker). God is voor de vaderen de enige Sterkte en Zekerheid. Het begrip geloof is voor ons vaak veel te theoretisch en veel teveel de omschrijving van een verzameling leeruitspraken. Boven heb ik dat ook reeds gesteld, toen ik zei dat de vaderen in de Bijbel niet worden voorgesteld als (over)dragers van een in leervorm gestold geloof. Wellicht zou deze of gene nu kwade trouw jegens of zelfs afschuw van de geloofsleer bij mij gaan veronderstellen. Laat me u mogen geruststellen. Ik lijd niet aan zulke huiver of afkeer van dogmatiek. Slechts wilde ik illustreren dat de vaderen niet, als in de joodse godsdienst, in het christelijk geloof en in een christelijke benadering van Bijbelplaatsen zelfstandige grootheden zijn, die ons als norm op zichzelf worden voorgehouden. Neen, zij zijn levende illustratie van een levend geloven. Geloof is meer dan dogmatiek, het is een handelen naar en uit, een zich beroepen op God, en de actualiteit van het geloof bevindt zich in de noodsituatie. En nood is voor Israël altijd existentiële nood, waarin de vijanden Israëls grote Zoon en Israël als volk met hun tanden willen Verscheuren en handen en voeten doorgraven (Psalm 22 : 14 en 17). Het is de nood waarbij God Die Hem verlaat. Hem in het stof van de dood legt (vs. 16)! Gods Volk wordt gedrukt en vervolgd om der gerechtigheids wil. En het geloven, vertrouwen en hopen is nergens zo levensecht en nergens zo illustratief voor de vaderen en wat wij door hen ontvangen, als daar waar belijden lijden inhoudt en waar dat beleden wordt wat de tijd eist en de tijd voegt. Geloof is niet tijdloos, het is boven-tijdelijk (W. Aalders), het is hemels en eeuwig, en tegelijk 'de profundis' (uit de diepten) en altijd actueel. De vaderen geloofden, vertrouwden, hoopten in een historische, concrete context. Zoals – ze staan natuurlijk niet met elkaar op één lijn! – Abraham van de Velde zijn boek De wonderen des Allerhoogsten schreef in een historische context.
De hoop beschaamt niet
En de afloop van zulk geloven, vertrouwen, hopen omschrijft de psalm met (vs. 5) 'Gij hebt hen uitgeholpen' en (vs. 6) 'Zij zijn niet beschaamd geworden', 'zij zijn uitgered'.
‘Uithelpen' is zoveel als redden door een scheiding aan te brengen tussen de belaagde en zijn belager. Als vanzelf denken we dan aan Pascha en de doortocht door de Rode Zee, hét klassieke voorbeeld van Israëls redding, tevens het grote gebeuren dat in Christus vervuld wordt. Tegen deze achtergrond verstaan we nog beter, wie met de vaderen bedoeld zijn, en dat die term of titel niets verdienstelijks van hún kant aanduidt. De uitslag van het geloven, vertrouwen, hopen op God, dat de vaderen typeert en dat de kinderen van hun vaderen mogen 'leren', is dus tweeërlei: a) God maakt scheiding tussen Israël en zijn vijanden, en b) Hij doet aan het gevaar ontkomen wie op Hem vertrouwen. Hij doet niet bóven het gevaar of buiten de gevarenzone leven (Joh. 17), maar aan het gevaar ontkomen en verkwikt en doet herademen.
C. A. Tukker, Noordhorn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's