De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Bond tegen het vloeken en de democratie*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Bond tegen het vloeken en de democratie*

15 minuten leestijd

Het thema voor deze jaarrede ontleen ik aan bezwaren, die tegen het werk van onze Bond in het afgelopen jaar zijn ingebracht. De voorzitter van het Humanistisch Verbond heeft ons minachting voor de mensenrechten en de democratie verweten. Hij deed dit op grond van een passage in de rede die ds. Snoei verleden jaar op onze jaarvergadering heeft gehouden. Ds. Snoei zei letterlijk: 'als christelijke gemeente worden we bedreigd door de derde weg. Deze derde weg wordt ons enerzijds opgedrongen door het democratisch, vaak humanistisch denken van onze tijd, dat ons voorhoudt, dat ieder evenveel recht heeft, dat ieder op eigen wijze tot zijn recht moet komen en dat ieder vrij dient te zijn in zijn of haar overtuiging, anderzijds komt het voort uit een tekort aan overtuiging van ons zelf'.
Ons is gevraagd of wij deze uitspraak , voor onze rekening nemen. Daarop hebben wij geantwoord, dat wij niet verantwoordelijk zijn voor formuleringen die gastsprekers op onze vergaderingen bezigen. Wij hebben met de strekking van de opmerking onze instemming betuigd. Verderop zal ik uiteenzetten hoe wij deze strekking hebben opgevat.
Zowel in een artikel in het blad 'Humanist' van het Verbond als in de vergadering van de Provinciale Staten van Drenthe is ons op grond van instemming met de strekking van deze passage verweten, dat wij mensenrechten en democratie niet achten.
Dat is geen gering verwijt. Natuurlijk heeft het bestuur naar aanleiding van genoemde voorvallen een nadere verklaring en verantwoording van zijn standpunt gegeven. Het zou echter kunnen zijn dat de kritiek van het Humanistisch Verbond ook elders gehoord en overgenomen wordt. Daarom leek het mij goed in de rede ter opening van de jaarvergadering juist op dit thema in te gaan. Deze rede verschijnt in druk. Ieder in Nederland kan dan lezen hoe de Bond tegen het vloeken over de democratie denkt.
De formuleringen in details komen voor verantwoordelijkheid van de spreker. Het standpunt dat in deze rede voorgedragen wordt met betrekking tot het verwijt van het Humanistisch Verbond, is het bestuursstandpunt. Op voorgaande bestuursvergaderingen is over dit onderwerp gesproken in de geest van wat ik nu zeg.
De Bond tegen het vloeken acht het zijn taak op te komen voor de eerbiediging van Gods naam in de samenleving. Daarom bestrijdt de Bond het vloeken. Wat is de grond voor dit werk? Wat drijft ons? Waaraan ontlenen wij als bestuur van de Bond tegen het vloeken het recht om steun voor ons werk, zelfs bij de overheid te vragen? Waaraan ontlenen wij het recht om ieder lid van onze samenleving te vragen het vloeken na te laten?
Wat ons betreft is dat onze geloofsovertuiging, die eerbied voor de Naam van God meebrengt. Wij belijden God als de Schepper van hemel en aarde, en als de Vader van Jezus Christus, onze Verlosser. Wij zien ieder mens als Zijn schepsel. God vraagt in Zijn wet van de mens dat hij die Naam eerbiedigt, die tot ons komt in beloften en geboden. Wij komen op voor het goed gebruik van de Naam zonder enige beperking. Wij verzetten ons tegen misbruik en spreken ieder mens aan op zijn door God geschapen zijn. God heeft ons zijn Naam geopenbaard. Daarin heeft Hij Zich aan ons gegeven. Het past geen enkel mens deze Naam te gebruiken als een holle klank, als een stoplap of als een middel om zijn emoties en irritaties te luchten. Wij waarderen het niet, als onze eigen naam of de naam van een der onzen daarvoor misbruikt worden. Integendeel, wij keuren dat af en betreuren dat, eventueel protesteren wij. Niemand zegt van zijn eigen naam of van die van zijn geliefe 'What is in a name'.
Hoeveel te meer zullen we dan ons protest laten horen tegen het misbruik, of het nonchalante, klakkeloze gebruik van Gods Naam! Voor een christen zal deze redenering overtuigend zijn! Als christen is ook hij met ons geroepen tot gehoorzaamheid aan het gebod. Ieder christen moet opkomen voor de heiliging van Gods Naam. Doch wat heeft een niet-christen met ons argument en motief te maken? Hij kan een zoeker zijn, een scepticus of een overtuigd atheïst. Kunnen we hem ook aanspreken op de eerbiediging van de Naam? Zijn overtuiging doet hem immers juist aarzelend of zelfs geheel afwijzend staan tegenover het christelijke geloof. Men kan van een atheïst toch niet verwachten dat hij in God gelooft. Wie atheïst is, zegt daarmee dat God voor hem niet bestaat. Is het dan geen inbreuk op zijn vrijheid, hem het recht tot lasteren van de Naam te ontzeggen? Beperken we dan niet zijn leefruimte, zijn geestelijke vrijheid, als we zeggen: Dat moogt ge niet doen? Hier kan natuurlijk de vraag gesteld worden, waarom iemand die in God niet gelooft, dan toch de Naam van God in een vloek noemt. Als God niet bestaat, waarom dan ook de Naam niet ongenoemd gelaten! Ik zou kunnen herinneren aanbeen opmerking van Simon Vestdijk. Hij stelt dat juist in het vloeken blijkt dat er nog een negatieve binding aan God bestaat. Men gelooft niet in God, maar – zo wil ik stellen – metterdaad verzet men zich toch tegen deze niet (meer) bestaande God.
Intussen, waaraan ontlenen we het recht om een niet-gelovige op het vloeken aan te spreken?
Ik denk dat we in deze vraag te maken krijgen met een kernprobleem, waarvoor onze samenleving in het algemeen, en de christenheid in het bijzonder zich gesteld ziet. Dat probleem wil ik omschrijven als de vraag: Halen wij onze normen uit onszelf of krijgen we ze van God? Is de mens autonoom of is hij aangewezen op Gods openbaring?
Onze samenleving is door het christendom heengeslagen. Ook zulk een samenleving heeft echter normen nodig. Niemand kan het zonder normen. Niemand kan leven alsof er geen ander mens bestond. Op het moment dat de ander er is – en dat is vanaf het moment van onze geboorte, want wij worden geboren uit de ander – zijn er regels nodig voor de omgang met elkaar; zijn er normen nodig om te bepalen wat goed en kwaad is, wat leugen en waarheid is, wat schoon en vuil is.
Geen samenleving ontkomt aan de noodzaak – ik zou zelfs van een zedelijke plicht willen spreken – om op deze vragen antwoord te geven. Waar dit antwoord achterwege blijft, ontstaat niet slechts onzekerheid, doch chaos. Dan weet niemand waar hrj aan toe is. Ieder kan het voor zich zelf wel weten, maar niemand is zichzelf genoeg. Het samenleven is fundamenteel voor onze menselijke existentie. Wat in de samenleving recht heet, wat waar is, wat leugen is, wat eigendom en diefstal is – daaraan is ieder lid van de samenleving gebonden. Op de overtuiging omtrent deze zaken zijn de wetten gebaseerd. Zonder een dergelijke overtuiging kunnen geen wetten gemaakt worden. Wetteloosheid betekent rechteloosheid. En rechteloosheid leidt tot het recht van de sterkste, de dictatuur! Welnu, vanuit het christelijke geloof stellen we dat er normen zijn, waaraan ieder lid van de samenleving gebonden is. Die normen krijgen in wetten en waarden gestalte. Dat geldt de waarde van ons sociale bestel, dat geldt de eerbiediging van het leven. Dat geldt de waarde van de vrijheid van meningsuiting en van vrijheid van geweten. Het is een groot goed dat in onze samenleving aan gewetensbezwaren een beslissende plaats wordt ingeruimd! Op allerlei gebied worden gewetensbezwaren gerespecteerd!
Onze samenleving, zoals elke samenleving, heeft zich voor waarden en normen in te zetten. Daartoe behoort bijvoorbeeld ook de publieke eerbaarheid.
Daartoe behoort blijkens wetgeving en bepalingen bij Algemene Politieverordening, ook het eerbiedigen van de Naam van God! Niemand kan gedwongen worden in God te geloven. Geen burger kan door overheid of Kerk gedwongen worden om christen te zijn en het christelijke geloof te belijden.
Wel kan van ieder burger gevraagd worden dat hij de normen respecteert die in onze samenleving gelden. Op een aantal vitale punten wordt hij daar zelfs toe gedwongen. Ik denk nu maar aan de sociale wetgeving en de fincanciële bijdrage die de overheid van enkeling en bedrijfsleven vraagt. Ik denk aan de plicht om een huwelijk te sluiten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Zonder deze officiële huwelijkssluiting, waarvan acte wordt opgemaakt, is geen verliefd en verloofd paar wettig getrouwd.
Moeten we nu zeggen: wie eerbiediging en uitvoering van deze regels vraagt, respecteert de mensenrechten niet? Moeten we zeggen: een overheid die verplicht tot het betalen van belasting, beperkt de vrijheid van de burger en ondergraaft de democratie? Zeker, belasting betalen betekent dat wij beperkt worden in de besteding van ons inkomen. Doch die beperking is inherent aan de democratie. Een democratie kan zonder deze inkomsten en de daardoor noodzakelijke beperkingen van het particuliere inkomen niet bestaan. De rechten en voorrechten die deze democratie ons biedt, gaan niet zonder verplichtingen die het leven in een democratie meebrengt. Het is de geweldige betekenis van de democratie, dat over aard, omvang, kwaliteit en intensiteit van onze verplichtingen gemeen overleg plaats vindt tussen regering en volksvertegenwoordiging. Wetten behoeven de goedkeuring van het parlement. Dat geldt zelfs van de grondwet en haar wijzigingen. Welnu, in een democratisch land als het onze zijn de wetten ontstaan mede onder invloed van het christelijke geloof. Daarin zijn de waarden verankerd die eeuwenlang in onze samenleving zijn hooggehouden en nagestreefd. Deze waarden worden gedragen door de Naam van Israëls God. Met de Naam doel ik niet alleen op de term Here, die we in het Oude Testament aantreffen. De Naam is voor ons tegelijk samenvatting van heel Gods openbaring.
Is het dan een overvragen als op eerbiediging van die Naam wordt aangedrongen? Gaat het om een cultuurwaarde? De Naam is niet één waarde onder vele: Voor een christen is hij het fundament van alle waarden. Alle wetten vinden hun wortel in deze ene Naam.
We menen duidelijk gemaakt te hebben dat het opkomen voor de regels en het stellen van eisen aan de omgang met elkaar binnen de samenleving geen aantasting van persoonlijke vrijheden behoeft te zijn. In geen geval per definitie uitdrukking moet zijn van een on- of anti-democratische instelling. De democratie kan niet zonder regels die een verplichtend karakter dragen. Dat geldt ten aanzien van tal van zaken op materieel, sociaal en economisch gebied. Dat geldt evenzeer ten aanzien van morele en geestelijke waarden. Men zal zeggen: En het humanisme dan? Heeft dat niet mede bijgedragen aan ontstaan en ontwikkeling van de Westeuropese, dus ook van de Nederlandse, cultuur? Het valt mij niet moeilijk daarop volmondig ja te zeggen. Dat is een feit. De Nederlandse cultuurgeschiedenis is mede door het humanisme bepaald. Hierbij dienen twee kanttekeningen gemaakt te worden: In de eerste plaats deze: in hoeverre is het humanisme in de 15e en 16e eeuw mede door het christelijk geloof beïnvloed? Het is in elk geval niet een stroming die men geheel los daarvan kan zien. Vandaar dat het 16e eeuwse humanisme niet in beginsel atheïstisch was! Ook het humanisme – en dat is mijn tweede kanttekening – heeft een geschiedenis doorgemaakt. Het huidige humanisme heeft zich ontpopt als een in wezen atheïstische levenshouding. Juist het atheïsme stelt het humanisme bloot aan een totale omkering van waarden. Nu het humanisme de band met godsdienst en geloof principieel doorgesneden heeft, komt het tot een heroriëntering vap haar waarden. Hoezeer deze heroriëntering bezig is zich te voltrekken, kan met name afgelezen worden aan de wijsbegeerte van het existentialisme, waarvan Sartre een bekwaam woordvoerder is.
Wij kunnen het humanisme niet volgen in de ontwikkeling van zijn vrijheidsgedachte. De autonomie van de mens is voor die vrijheidsgedachte beslissend. Men kan Nietzsche niet afschilderen als een grote vertegenwoordiger van het humanisme! Wat het humanisme met Nietzsche verbindt is echter de stelling dat God dood is. Nietzsche heeft de dood van God visionair gezien en hem voor Europese cultuur voorzegd. Hij heeft zelfs met deze voorzegging de dood van God voor veler aanvoelen opgeroepen. Het huidige humanisme is in wezen atheïstisch. Dat staat gelijk met de dood van God die Nietzsche geprofeteerd heeft.
Welnu, het humanisme zal bij deze overeenstemming hebben te zien welk antwoord het geeft op de uitdaging die Nietzsche formuleerde: als God dood is, is alles geoorloofd. Waar haalt het humanisme zijn normen vandaan? Uit welke wortels leeft het, als het geloof heeft afgedaan?
Wij voor ons waarderen met dankbaarheid de democratie als een groot goed, zij het dat wij de democratie alleen veilig achten als ze gebaseerd is op eerbied van Gods openbaring.
In geen publikatie of stellingname van de Bond tegen het vloeken is ooit een onderschatting, laat staan minachting voor de democratie op te merken geweest. Hoezeer ons ijveren voor de eerbiediging van de Naam en onze strijd tegen de ontheiliging van die Naam zich verenigt met de beste democratische tradities uit onze geschiedenis, mag daaruit blijken, dat wij in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht artikel 429bis en 147a kennen. In deze artikelen wordt hij strafbaar gesteld die smalende godslasteringen uit, welke krenkend zijn voor godsdienstige gevoelens. Deze artikelen hebben gefungeerd zonder dat indieners en verdedigers ervan behoefden te denken dat zij de democratie minachtten. In dezelfde lijn werkt en staat de Bond tegen het vloeken.
Nog één vraag wil ik onder ogen zien. Dat is deze: als nu de democratie de Naam prijs geeft, en voor het eerbiedigen van die Naam niet langer wil opkomen, omdat zij een geseculariseerde en atheïstische democratie wil zijn, hoe zal de Bond tegen het vloeken zich dan opstellen?
Ons antwoord is in de eerste plaats: Deze situatie is verre van denkbeeldig. Het is niet uitgesloten dat het Nederlandse volk in meerderheid zich zelf als atheïstisch wil beschouwen.
De Bond tegen het vloeken zal, zoals trouwens ieder christen in Nederland, die situatie hebben te aanvaarden als feit.
Daarmee is niet alles gezegd. Het is juist het voorrecht van een democratische samenleving dat ook christenen daarin hun stem mogen verheffen. Zij zullen het als hun roeping zien om de democratische samenleving waarvan zij deel uitmaken, te wijzen op het noodzakelijke fundament van de Naam. Christenen bewijzen hun volk een slechte dienst, als ze in een gevoel van de strijd verloren hebben, zwijgen; als ze in defaitisme hun stem niet meer durven verheffen.
Het betekent dat ze dan de kansen die juist de democratie hun biedt laten voorbijgaan. Het betekent dat ze de meest wezenlijke bijdrage aan opbouw en instandhouding van de democratie achterhouden. Zij zwijgen over het noodzakelijke fundament. Alleen op de basis van de Naam en onder de wijde koepel van de Naam is het leven veilig en heilig. Dat geldt ook van de democratie zelf.
Ons protest tegen het vloeken is dan ook tegelijk een appèl op ons volksleven om de Naam als fundament van de democratie niet te verliezen. Het gaat ons niet maar om een klank. Wij verzetten ons niet maar tegen misbruik van een simpel woord dat bestaat uit een aantal letters. Dan kan men zeggen 'what is in a name', zelfs in een vloek. Neen, wij wijzen juist vanuit onze eerbied en dankbaarheid voor de democratie op wat naar onze gedachte de basis van de democratie is. Zonder dit fundament komen waarden in de lucht te hangen en verschuiven de waarden. Als God dood is, kan het zover komen dat alles mag. Het gaat in onze democratische samenleving om een geestelijke strijd. Zal de Naam nog geëerbiedigd worden, of wordt hij in een vloek als een stuk vuil in de samenleving gehanteerd. Ons werk staat niet op zichzelf. Het is onderdeel van de geestelijke strijd om in de praktijk van het domocratische samenleven de Naam gestalte te geven. Waar niet meer met Gods Naam gerekend wordt, of deze nog slechts in een vloek verschijnt, daar verdwijnt meer en daar verschijnt wat wij voor het geestelijke milieu funest achten. Het is om deze reden, dat wij in het verzoek om subsidie aan de staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne hebben gewezen op de algemene verruwing van de taal en op de vervuiling van het geestelijke milieu. Ons verzet tegen het vloeken raakt ook de geestelijke vervuiling van het milieu en betreft evenzeer de verruwing van de taal. In deze worsteling hebben wij van het atheïstische humanisme geen steun te verwachten. Eerder – het zij met droefheid gezegd – tegenkanting. Zo hebben we de opmerking van ds. Snoei verstaan. De tegenkanting blijkt ook uit de caricatuur die juist het Humanistisch Verbond van ons optreden heeft gegeven. Nimmer, nergens en met niets, hebben wij de democratie geminacht of mensenrechten miskend. Integendeel, wij beseffen maar al te goed dat wij ons werk alleen kunnen doen dankzij de democratie. Wij erkennen het met dankbaarheid.
Doch wij wijzen er tegelijk op dat de democratie een grondslag nodig heeft. Wie de democratie wil bouwen op de vrijheid tot het lasteren van de Naam, en wie democratie in stand wil houden door een protest tegen misbruik van de Naam als uitdrukking van een ondemocratische gezindheid af te wijzen, bedenke hoe zwak zijn basis is. Met de lastering van de Naam, en de gelegaliseerde vrijheid daartoe, doet de onveiligheid en de onzekerheid met betrekking tot het leven van de niedemens zijn intrede.
Wij komen in ons protest tegen het vloeken juist op voor de rechte democratie.
Ons werk moge negatief schijnen te zijn. Het gaat om het positieve: de eerbeid voor de Naam zonder welke geen democratie stand houdt. Dictatuur in naam van het volk of als uitdrukking van de machtswellust van de enkeling is het alternatief. De beste bijdrage die wij aan de democratie kunnen leveren is het oproepen tot eerbiediging van de Naam.
Zo heeft de Bond tegen het vloeken zijn positie tegenover de democratie bepaald. Die bestaat in positieve waardering en – naar wij beogen – in een in nederigheid volbrachte dienstverlening. Het zal ons een vreugde zijn, als de overheid dit erkent door subsidiëring van ons werk. Wij blijven de overheid om steun vragen, plaatselijk, provinciaal en nationaal. Wij vragen hierom met een beroep op de democratie en ten gunste van de Naam! De Naam van God moet juist in de democratie geëerd worden.

Apeldoorn, april 1979, Prof. dr. W. H. Velema


* Toespraak door prof. dr. W. H. Velema, voorzitter van de Bond tegen het vloeken op de jaarvergadering te Nijkerk van 19 april 1979. (Overgenomen uit de 'Bondsberichten' van de Bond tegen het vloeken.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Bond tegen het vloeken en de democratie*

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's