De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De inhoud van de naastenliefde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De inhoud van de naastenliefde

Medemenselijkheid

7 minuten leestijd

Woord en daad
Het gevaar bestaat dat woorden als 'medemenselijkheid' en 'naastenliefde' formele begrippen blijven, zonder duidelijke invulling. Daarmee is niemand echter gediend, sterker nog: daarmee wordt al ons spreken over medemenselijkheid ongeloofwaardig. Wij zullen de vraag onder ogen hebben te zien: welke concrete inhoud heeft de roeping tot naastenliefde? Op het voetspoor van Berkhof onderscheid ik vier aspecten: voorbede, getuigenis, vergeving en barmhartigheid.
We raken hier om te beginnen aan de verhouding van woord en daad. Veel werd en wordt er geschreven over de vraag: Wat is het eerste en het belangrijkste? Het getuigende woord of de helpende daad? Is de daad op zich getuigenis? Of moet het woord er per se bij komen? Zo ergens dan zullen we hier op onze hoede moeten zijn voor schematiseringen, vertekeningen en eenzijdigheden.
Woord en daad zijn in de Bijbel onlosmakelijk vefbonden. Gods handelen is immers woord en daad beide. Zeggen en doen zijn bij God één. De scheppende God spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er (Gen. 1 : 1 v.v.; Ps. 33; 9; Joh. 1 : 1 v.v.). Het Hebreeuwse woord dabar dat wij vertalen met 'woord' betekent tegelijk 'zaak', 'daad'. En als de Christus als het vleesgeworden Woord onder de mensen verschijnt, openbaart Hij Gods koningsmacht in de woorden die Hij spreekt en de tekenen van genezing en heling die Hij verricht.
Wij moeten hier wel onderscheiden, maar niet gaan scheiden. Trouwens, dat is met name in de geschiedenis van de inwendige zending wel aangevoeld. Daar heeft men doorgaans van twee woorden gesproken: getuigen en redden.
We zullen in het betoon van naastenliefde de eenheid van woord en daad moeten bewaren. Leerzaam is in dit opzicht de Jacobusbrief. In Jac. 1 : 21 wordt met nadruk gewezen op de betekenis van het verkondigde Woord. Maar tegelijk doet deze apostel een krachtig appèl op de lezers om hoorders en daders van het Woord te zijn, wijst hij erop dat geloof zonder werken dood is, en kan hij zelfs de zuivere Godsdienst omschrijven als het bezoeken van weduwen en wezen, de kansarmen en hulpbehoevenden in de antieke wereld. En zoals bij Jezus prediking en genezing samen gaan, zo zijn pastoraat en diakonaat, getuigenis en hulpverlening verbonden.

Getuigenis
En toch, hoezeer we de verbinding van woord en daad willen vasthouden, neig ik ertoe om aan het getuigende woord prioriteit te verlenen. Waarom? Is er dan niet het grote gevaar dat we vluchten in de preken om ons aan de concrete nood te onttrekken? Is een dergelijk vooropzetten van het woord niet menigmaal een leeg, loos gebaar geweest? We zouden niet graag willen zeggen dat men nooit voor dat gevaar bezweken is. Het woord zonder de daad kan verworden tot holle frase. Maar het omgekeerde moet evenzeer gesteld worden: Daden zonder woorden zijn vatbaar voor allerlei interpretatie. Het reiken van de beker koud water is op zich geen christelijk getuigenis, het kan ook een puur humanistische aangelegenheid zijn. Op zich niet onbelangrijk. Maar onvoldoende om als christelijke naastenliefde bestempeld te worden.
Waarom wil ik toch het getuigende woord vooropstellen? Om twee – met elkaar samenhangende – redenen: a) Het eigenlijke wat de naaste ver weg of dichtbij behoeft is het getuigenis aangaande Christus en Zijn zondaarsliefde, zijn ontferming over de diepste nood van ons bestaan. Hulpbetoon in het horizontale vlak, sociale actie, woordloze presentie, ontwikkelingshulp, verbeteriiig van woningtoestanden, het scheppen van een gezond levensklimaat – hoe belangrijk ook en hoezeer dit een taak is waar christenen zich niet aan mogen onttrekken – dat alles kan toch niet voorzien in 's mensen diepste nood: zijn vervreemding van de levende God, zijn schuld voor Hem.
b) Niet woorden of daden van mensen, maar het Woord van God wederbaart, bekeert, vernieuwt mensen. En de Heilige Geest maakt gebruik van de verkondiging van het Evangelie om zondaren tot geloof te brengen.
Daarom achten we het een versmalling en vermagering van de zendingsroeping als zending gelijk gesteld wordt met het lenigen van noden, strijd tegen ontmenselijking, actie voor bevrijding, sociaal en maatschappelijk dienstbetoon enz. Evenzeer hebben we onze bedenkingen als de in de vorige zin genoemde aspecten op één lijn gezet worden met de Evangelieverkondiging, het getuigenis dat oproept tot geloof en bekering. Wij vrezen dat er op die manier een nivellering optreedt waardoor we tekort doen aan de centrale plaats van de verkondiging van Gods heil dat een mens alleen in het geloof ontvangen kan. Daarmee is de medemens immers het meest en het best gediend. Want, terecht is in de vijftien stellingen van het zendingsappèl gezegd: Ernstiger dan welke politieke, sociale of andere nood is de situatie waarin een wereld zonder God verkeert. Ik maak er twee kanttekeningen bij:
1. Vanuit de verbinding van Woord en dienstbetoon vindt dit getuigenis zijn bevestiging in de wervende, winnende levenswandel der gelovigen. Ook daarvan gaat een getuigenis uit. Omgekeerd kan een slordige levenswandel, een ontbreken van elke vorm van dienstbetoon, fnuikend zijn voor het appèl dat er van de prediking moet uitgaan.
2. Het centrale van het heil, nl. de verzoening van de schuld maakt de hulp voor sociale, lichamelijke en maatschappelijke noden niet overbodig. Jezus is een volkomen Redder Die ziel en lichaam verlost.

Voorbede
Een enkel woord over de voorbede. Eigenlijk vloeit dat uit het bovenstaande voort. Het gebed voor elkaar is een schone uitingsvorm van waarachtige christelijke gemeenschap. We lezen er dan ook in de Schrift herhaaldelijk over. In priesterlijke solidariteit mogen we de noden van elkaar en van de wereld bij God brengen. Dat dat de eerste roeping van de christelijke gemeente is wordt m.i. al te zeer vergeten door hen die zo'n geweldige nadruk leggen op de politieke verantwoordelijkheid en maatschappijkritische functie van de gemeente. Al wil ik niet ontkennen dat zelfs in die voorbede voor overheid en volk een politiek element zit. Hulpbetoon, medemenselijkheid zonder de voorbede krijgt licht iets krampachtigs. En omgekeerd juist wanneer we in ootmoed en vertrouwen elkanders noden in de voorbede voor Gods troon brengen kunnen we, ontspannen en bevrijd van krampachtig activisme, doen wat onze hand vindt om te doen. Want – ook dat dient gezegd te worden – de voorbede mag geen laffe uitvlucht worden. Voorbede voor verslaafden zal gepaard mogen en moeten gaan met een diakonale inzet. Voorbede voor b.v. slachtoffers van racisme en discriminatie verwordt tot een vrome frase als de christelijke gemeente niet tegelijk met geestelijke wapenen de strijd tegen racisme aanbindt, en als we niet in eigen bestaan als gemeente laten zien dat in Christus de vervreemding tussen rassen en volkeren is opgeheven. Laten we oppassen voor een heilloze polarisatie. Wij dienen ook in dit opzicht het woord uit Spreuken 28 : 9 ter harte te nemen: Wie zijn oor afwendt van het horen naar de wet, diens gebed zelfs is een gruwel. Een ingrijpend woord dat diep insnijdt in ons vrome vlees.

Vergeving
Terecht herinnert Berkhof ons eraan hoe moeilijk wij royaal en van harte vergeven. (De Mens onderweg, blz. 110, 111). En toch is juist de vergeving, opbloeiend uit de vergevingsgezindheid, uit de wetenschap zelf dagelijks te mogen leven uit Gods vergevende liefde, een van de rijkste uitingen van medemenselijkheid in een door Christus vernieuwd bestaan. Hoezeer de Heere ons dat op het hart bindt blijkt uit de gelijkenis van de twee schuldenaars (Matth. 18 : 21-35), uit de bede uit het Onze Vader: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren (Matth. 6 : 12), uit het getuigenis uit de brieven (b.v. 1 Joh. 3).

In de apostolische geloofsbelijdenis volgt op de belijdenis: Ik geloof de gemeenschap der heiligen, direct: Ik geloof de vergeving der zonden. Gemeenschap en vergeving . . . De zaak is zo belangrijk dat we er nog een keer afzonderlijk op terugkomen.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De inhoud van de naastenliefde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's