De loop van het Evangelie (2)
‘En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbende onder elkaar.’Hand. 28 : 29
We hebben vorige keer gemediteerd over Paulus' komst te Rome en elkaar de vraag voorgelegd: Was dat nou een bereiken van zijn doel óf was het een vastgelopen leven, een trieste afloop? En dan, naar onszelf toegehaald: hoe ligt dat nu bij mij, kind, jongere, man of vrouw, wij, die mogelijk in een situatie verkeren, die op een of andere wijze overeenkomst vertoont met Paulus' uiterlijke omstandigheden? Laten we er dan nu op letten, dat er van een 'vastgelopen' leven en een 'trieste afloop' zeker sprake kan zijn, in een ontzettende en verbijsterende zin. Dat zien we in de tekst, die boven deze meditatie staat; daarin komt tot uiting:
Een felle tegenstand
Als Paulus in Rome wordt overgedragen aan de legeroverste, wordt hem niet de gevangenisdeur geopend en de gevangeniscel als verblijf toegewezen maar mag hij, zij het toch wel als gevangene dag en nacht geketend aan een Romeinse soldaat, in een eigen gehuurde woning zijn intrek nemen. Zodoende is hij dan toch in de gelegenheid, om mensen bij zich te ontvangen, zoveel en wanneer hij maar wil. Calvijn zegt: 'God wilde niet, dat de schatten van zijn geloof binnen de enge muren van een kerker zouden besloten worden, maar dat zij openlijk zouden worden tentoongesteld, opdat hij wijd en zijd anderen zou kunnen verrijken.'
De schatten van zijn geloof… die had Paulus om uit te dragen en anderen daarmee te verrijken. Zie, dát is nu de vraag voor ons allen, ook als wij een kruis te dragen hebben: Hebben ook wíj níet onze klachten en zélfbeklag, maar schatten uit te dragen onder ons kruis, omdat we, als de apostel door Christus overwonnen, aan Zijn zegekar gebonden zijn en mogen zeggen tot anderen, dat deze Koning waarlijk een goedertieren Koning is. Die gevangenen vrijheid schenkt en hen Zijn schatten van genade wil uitdelen, die hun waarde blijven houden in leven en sterven?
Onze kláchten mogen we voor de Heere neerleggen, maar als Hij Zijn licht in ons leven, oud of nog jong, in onze harten ontstoken heeft, wil Hij niet, dat het onder een korenmaat gezet wordt, maar helder zal schijnen op de kandelaar. En daarvoor behoeven geen boeien, geen ziekbed, of welke ogenschijnlijke hinderpalen ook, in de weg te staan. Het eerste, wat de apostel dan ook doet, is, de voornaamsten van de Joden tot zich te roepen om hen het Koninkrijk Gods uit te leggen en te proberen, hen te bewegen tot het geloof in Jezus.
De man, die onschuldig 'uit Jeruzalem overgeleverd is in de handen van de Romeinen', die het meeste van zijn zwaar lijden door de Joden leed, die alleen door de haat van zijn volksgenoten in deze gevaarvolle toestand voor het gericht van de keizer zal staan, díe zoekt óók in Rome éérst en ook verder het contact met hén! Wat een onverbrekelijke trouw aan Israël, waarin zich iets van Góds onveranderlijke trouw weerspiegelt. Is Jezus Christus niet zó ook gekomen tot Zijn volk, over hen bewogen als schapen, die geen herder hadden, en heeft Hij niet geweend over Jeruzalem?
Met zulk een trouwe en ontfermende God hebben wij nu te doen, lezers. Die het niet moe wordt ons, ja, óók ons, – hoe lang al –, toe te roepen: 'Wendt u naar Mij toe, alle gij einden der aarde, en wordt behouden.’
Het teken en zegel van Zijn verbondstrouw dragen we allen aan ons voorhoofd; dat betekent een onuitsprekelijk voorrecht en tegelijk een enorme verantwoordelijkheid.
Welnu, dat teken droegen ook deze Joden aan hun lichaam, waar immers ook de besnijdenis 'een zegel van het verbond en van de gerechtigheid van het geloof was', zoals ons Doopformulier zegt.
Maar… wat déden zij er mee. En wat doen wij er mee? Was het hun een pleitgrond geworden op Gods genadetrouw, ontdekt aan eigen óngerechtigheid en onbestaanbaarheid voor de Heere in zichzelf?
Hebben wij, ouderen, en jullie, jongens en meisjes, in het doopwater al gezien, dat wij zó onvoorstelbaar vuil en volkomen onrein zijn voor God, dat radicale reiniging nodig is? Daartoe is geen wasmiddel en zelfs al het water van de zee niet in staat. Eén middel slechts kan dáártoe dienen: het in de Doop voorgestelde én aangeboden bloed van de Heere Jezus Christus.
Dát is het, wat Paulus de Joden te Rome ook wilde leren: dat Jezus Christus de Deur, de enige Toegang is tot het Koninkrijk Gods. Wat een wonder van genade! De toegang tot het aardse Paradijs door eigen schuld naar recht gesloten en ontoegankelijk voor welk mens ook, en nu in Christus het hemelse Paradijs geopend zelfs voor de grootste der zondaren!
Maar ach, met de kostbaarste dingen kunnen we verkeerd, roekeloos, nonchalant omgaan. Als ik geen kenner ben van edelstenen, kan ik met de meest zeldzame en waardevolle steen zó achteloos omgaan, alsof ik met een grintsteentje te doen heb. Zó kan ik óók met het onschatbaar rijke teken en zegel van Gods genadeverbond omgaan. Alleen met dit verschil, dat ik bij het achteloos omgaan met b.v. een sardonixsteen mij kan verontschuldigen door te zeggen, dat ik er geen verstand van heb en niemand mij op de waarde ervan gewezen heeft.
Maar ten aanzien van de Doop kunnen u of ik nooit enige verontschuldiging aanvoeren, tenzij… tenzij we nooit op de grote waarde ervan gewezen zouden zijn, noch als kind, noch als volwassene. Onder ons zal niemand dat kunnen zeggen! Maar wél vrees ik, dat vele ouders, die eenmaal met hun kind bij het Doopvont hebben gestaan, in het gericht voor God hun eigen zoon of dochter, ja hun nageslacht tégen zich zullen horen getuigen: 'U hebt mij, ons, nooit doen weten, dat wij zo'n rijke erfbelofte hebben meegekregen, zodat het mede úw schuld is, dat de rijke erfenis van verzoening en eeuwige heerlijkheid mij/ons ontgaan is!' O, ouders, maakt u zich toch niet lichtvaardig, ja misdadig, van uw jawoord af!
Maar… ook op een andere wijze kunnen we de schatten van het Verbond over boord gooien of vertrappen. Dát kwam bij het merendeel van de Joden, die Paulus daar te Rome het Koninkrijk Gods en Jezus als de Deur verkondigde en aanprees, openbaar. De Wet van Mozes en de profeten, ik kan zeggen: de Schrift, was de bron, waaruit Paulus daarbij putte. Het volle Woord Gods, dat wij, méér dan die Joden, mogen hebben, kan en mag ook nu de enige bron voor de prediking zijn, en niet eigen gedachtenspinsels, filosofieën of systemen.
Wij kunnen echter, bij het spreken zowel als bij het beluisteren van het Woord Gods, van tevoren onze stellingen al betrokken hebben en onze standpunten bepaald. En we hebben niet in de gaten, dat wij zó bezig zijn ónze meningen te laten prevaleren boven en te laten heersen over het Woord des Heeren, zodat wij het durven bestaan om Hém voor te schrijven, hoe het zal moeten gaan en langs welke weg Hij ons (én een ander!) zal moeten leiden, wil het in onze ogen aanvaardbaar, acceptabel zijn. Voelt u, lezer, – o, ik hoop vurig, dat de Heilige Geest u ervan overtuigt! –, dat zó ons ik, hoe vroom het zich voordoet, op de troon zit, de hoge God ter verantwoording durft roepen en, o gruwel!, over Hem bezig is vonnis te vellen?!
Die Joden vóór Paulus wisten, meenden zij, van het Koninkrijk Gods (dat waren zij immers zélf!), zij wisten ook en geloofden in de komst van de beloofde Messias. Maar dat Koninkrijk Gods was naar hun smaak en snit en van de Messias verwachtten zij slechts, dat Hij de kroon op hún werk zou zetten, hún krachten zou bundelen en Zich aan het hoofd van hen zou stellen bij de vernietiging en onderwerping van al hún vijanden.
En daar komt Paulus notabene een Koninkrijk Gods verkondigen en betuigen, waar zij, waar wij állen, van huis uit buiten staan, zelfs al zijn we naar het vlees kinderen van Abraham en liggen wij onder de beloften aan Abraham.
De apostel leert hen, zegt Calvijn, dat 'het rijk Gods geestelijk is: waarvan het beginsel is gelegen in de vernieuwing des levens, en het einde in de zalige onsterfelijkheid en de hemelse heerlijkheid. In de tweede plaats, zo gaat Calvijn verder, heeft Paulus hen vermaand, om Christus te omhelzen als de Bewerker van het beloofde heil'. Maar daartoe was nodig, dat hij 'een uiteenzetting gaf van het ambt van de beloofde Verlosser', én aantoonde, 'dat Deze reeds gekomen was, en dat het de zoon van Maria was, op Wie de vaderen gehoopt hadden'.
J. H. Vlijm, Woudenberg
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's