Belijdenis der Hugenoten (13)
De Confessie Gallicana
Art. 34: Wij geloven dat bij het Woord de sacramenten zijn gevoegd, om het Woord des te meer te bekrachtigen, om voor ons onderpanden en kentekenen te zijn van de genade Gods, en om door dit middel ons geloof te helpen en op te beuren. Zij zijn ingesteld terwille van de zwakheid en grovigheid die in ons is. Zij zijn zodanige uitwendige tekenen dat God door hen werkt in de kracht van zijn Geest, zodat niet tevergeefs daarin iets wordt afgebeeld. Intussen houden wij eraan vast, dat al hun substantie en waarheid in Jezus Christus is gelegen, en dat men, als men ze daarvan losmaakt, niets dan een schaduw en ijdelheid overhoudt.
Art. 35: Wij erkennen slechts twee sacramenten, welke de hele kerk bezit. Het eerste is de doop, die ons gegeven is tot een getuigenis van ons kindschap Gods; omdat wij daardoor in het lichaam van Christus ingelijfd werden, om door zijn bloed gewassen en gereinigd te zijn en vernieuwd in een heilig leven door zijn Geest. Wij houden het er ook voor dat, hoewel wij slechts eenmaal gedoopt zijn, het nut dat daarin aangetoond wordt zich uitstrekt over leven en dood. Wij hebben hierin een blijvend merkteken dat Jezus Christus voor altijd onze gerechtigheid en heiligheid zijn wil. Vervolgens, hoewel de doop een sacrament van geloof en boete is, houden wij toch staande dat, op gezag van Jezus Christus, de kleine kinderen der gelovigen moeten gedoopt worden, omdat God hen zowel als hun ouders opneemt in zijn Gemeente.
Art. 36: Wij belijden dat het heilig Avondmaal (hetwelk het tweede sacrament is) ons een getuigenis is van de eenheid die wij met Jezus Christus hebben, dermate dat Hij niet slechts eenmaal voor ons gestorven en op gewekt is, maar dat Hij ons ook waarachtig weidt en voedt met zijn vlees en bloed, zodat wij één met Hem zijn en zijn leven ons deel is. Overigens, hoewel Christus in de hemel is totdat Hij wederkomt om de hele wereld te oordelen, geloven wij toch dat Hij door de verborgen en onbegrijpelijke kracht van zijn Geest ons voedt en levend maakt met de substantie van zijn lichaam en bloed. Wij houden het er voor, dat dit geschiedt op een geestelijke wijze, niet om in de plaats van de uitwerking en waarheid van het sacrament slechts een inbeelding of een menselijke gedachte te zetten, maar veeleer omdat dit verheven mysterie in haar hoogheid de maat van ons denken en heel de orde der natuur te boven gaat. Kortom, omdat het hemels is kan het niet begrepen worden dan alleen door het geloof.
Art. 37: Wij geloven (zoals reeds gezegd is), dat God zowel in het avondmaal als in de doop ons werkelijk en metterdaad geeft wat erin wordt afgebeeld. En daarom verbinden wij met de tekenen het ware bezit en genot van hetgeen ons hier aangeboden wordt. En dus ontvangen allen die tot Christus' heilige dis komen en een waar geloof, als een leeg vat, meebrengen waarachtig wat de tekenen aldaar betuigen; dat wil zeggen, Jezus Christus' lichaam en bloed dienen de ziel niet minder tot spijs en drank dan brood en wijn het lichaam.
Art. 38: Zo houden wij het ervoor, dat hoewel het water een vergankelijk element is, het daarom toch niet ophoudt ons in waarheid de innerlijke reiniging van onze ziel in het bloed van Jezus Christus door de werking van zijn Geest te betuigen, en dat het brood en de wijn, die ons in het avondmaal aangereikt worden ons waarachtig tot geestelijk voedsel dienen, dermate dat zij ons voor ogen stellen hoe het lichaam van Jezus Christus onze spijze en zijn bloed onze drank is. Daarom verwerpen wij de dweepzieke sacramentariërs, die zulke tekenen en zegelen niet ontvangen willen, terwijl toch onze Heere Jezus Christus verkondigt: Dit is mijn lichaam, en: Deze drinkbeker is mijn bloed.
Sacramentsleer
Een argeloos lezer bemerkt het niet, maar er zijn in deze artikelen heel wat knopen doorgehakt. Wij noemen er een paar. Niet zeven sacramenten, zoals de kerk van Rome leert, maar twee sacramenten zijn er, alleen doop en avondmaal. De aarzeling ten aanzien van de biecht, of zij een derde sacrament mag worden genoemd of niet, welke men aantreft in de lutherse traditie ontbreekt in de gereformeerde. Doop en avondmaal zijn de 'algemene' sacramenten, men kan ook zeggen: de katholieke, men treft ze aan in heel de kerk (art. 35). Vervolgens, deze sacramenten zijn geen ijdele tekenen, want God werkt door hen (art. 34). Dat is kritiek, op bedekte wijze, op de oorspronkelijk zwingliaanse traditie, maar verder ook al op alle sacramentariërs (art. 38). Toch werken zij niet automatisch –, wat weer tegen Rome gericht is, want er is een waar geloof nodig (art. 37). Wat de doop betreft, ook de kleine kinderen moeten gedoopt worden, omdat God zowel hen als hun ouders opneemt in zijn Gemeente (art. 35). De mening der wederdopers wordt dus afgewezen. En wat het avondmaal betreft, Christus' lichaam en bloed worden waarlijk gegeten en gedronken aan het avondmaal, doch op 'een geestelijke wijze' (art. 36). Dit is weer gericht tegen de lutheranen.
Zo gaat er dus in deze artikelen heel wat kritiek schuil. De gereformeerden namen welbewust hun plaats in temidden van de anderen. Zij grensden zich af naar links en naar rechts. Er was in die tijd nog passie voor de waarheid. Zeker, die had ook weleens minder aantrekkelijke gevolgen, men kon elkaar in de haren vliegen. In onze tijd acht men zich daar souverein boven verheven, en men lacht wat om al die 'twisten' en men spreekt al gauw over theologische haarkloverijen, die men dan doorgaans ook nog sociologisch bepaald acht. Ik beluister daarin altijd de stem der 'Verlichting'. En meen dat men bij de vaderen nog weleens in de leer zou kunnen en moeten gaan, om weer eens opnieuw te verstaan wat de waarheid is en wat zij waard is. De waarheid is het wel waard dat wij er onze zwaarden voor scherpen. De naaste die wij in liefde dienen moeten, moeten wij ook dienen met de waarheid. Wie dat niet doet bewijst hem een slechte dienst. Tegen deze achtergrond lees ik de 'polemiek' in deze artikelen.
Waardering der sacramenten
Het is goed gereformeerd de sacramenten zeer hoog te achten. Het is óngereformeerd hun waarde steeds naar beneden te praten (preken). Er zijn kansels waarop men duizend keer kan horen dat de doop niet zalig maakt en niet één keer dat de doop, mits goed gebruikt, wel degelijk zalig maakt. En toch staat dat laatste in onze belijdenissen. Ook hier. God werkt door de doop (art. 34), de doop is een getuigenis van ons kindschap Gods (art. 35); het nut van de doop strekt zich uit over leven en dood (idem); door de doop neemt God ons op in zijn gemeente (idem).
Alleen: die doop vraagt om gelóóf. De belofte Gods die er in verzegeld is mag in het geloof worden aangenomen. Door wie? Door alle dopelingen die er begeerte naar hebben. Het is God zelf die door zijn Geest deze begeerte, dit geloof werkt. Alleen in de harten der uitverkorenen. Maar ik behoef niet eerst te weten of ik een uitverkorene ben. Het is genoeg dat ik weet dat ik een arm en verloren zondaar ben, die zonder Christus niet behouden kan worden en daarom naar Hem en zijn gerechtigheid hongert en dorst.
De doop hélpt het geloof en beurt het op (art. 34). Zo mag hij dus ook gepreekt en de gemeente voorgesteld worden. Alwie het moeilijk heeft met zijn zonden, menigvuldiger dan de haren van ons hoofd, en gebukt gaat onder twijfel mag gewezen worden op zijn doop. Daarin heeft God aan de persoon in kwestie persoonlijk betekend en verzegeld dat Hij hem als zijn kind en erfgenaam aanneemt en al zijn zonden wegneemt, door het bloed van Christus.
Dit voorrecht willen wij de kinderen niet onthouden. Ook binnen onze gemeenten zijn er wel die gaan twijfelen aan het goed recht van de kinderdoop. Onder invloed van de sécten, ook al noemen zij zich 'opwekkingsbewegingen'. Wat wreed! Staan de kinderen dan buiten het verbond? Welke pleitgrond houden ouders en kinderen samen nog over als het verbond en de verbondsbelofte, betekend en verzegeld in de doop, wegvallen? Hier overschrijdt men de grens van het gereformeerde naar het sectarische, nog net als in de 16e eeuw, en verliest men de ware troost in leven en sterven, immers het nut van de doop strekt zich uit over leven en dood (art. 35).
Ook het avondmaal wordt hoog gewaardeerd. God geeft wat er in wordt afgebeeld (evenals in de doop) (art. 37). Teken en betekende zaak worden nauw met elkaar verbonden. De Hugenoten zeggen: Wij verbinden met de tekenen het ware bezit en genot van hetgeen ons hier aangeboden wordt. Het avondmaal is 'aanbod'. Het avondmaal is echter tegelijk nog méér dan aanbod, want het ware bezit en genot zijn met de tekenen verbonden.
Alleen, ook hier weer: het geloof! Aan het avondrnaal moet men komen met een waar geloof. Treffend is hoe hier in de Gallicana, dat geloof omschreven wordt, het heet 'een leeg vat'. Geloof is niet dat ik een heleboel heb, zelfs niet dat ik een heleboel berouw heb, maar juist dat ik niets heb, het vat is helemaal 'leeg'. Zo kan ik 'vol' zijn van Christus, mij in het avondmaal aangeboden. Men bemerkt hoe praktisch ook de gereformeerde belijdenissen zijn. Men kan er wat aan hébben. Zij zijn troostvol. Wie dat ooit ondervond, heeft zijn hart aan deze oude belijdenissen verpand. U ook?
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's