Jan Jacob Knap sr. (6 – slot)
Zij die bleven (29)
Het gebed
Het bekendste en meest verbreide werk van ds. Knap is een boekje van bescheiden omvang, dat de titel draagt: Het eenzaam bidden. Meer dan vijftig jaar na de dood van de auteur beleefde het, voorzien van een voorrede van zijn kleinzoon ds. J. J. Knap Czn., een vijfde druk. Tal van kerkeraden hebben dit pastorale geschriftje ten geschenke gegeven aan de nieuwe lidmaten van de gemeente.
In de vorm van vier brieven aan een vriend, spreekt ds. Knap in dit boekje over het grote geestelijke belang – en de kracht van het gebed in de afzondering. In de eerste brief verzucht hij: 'Och knielden wij meermalen in, de eenzaamheid voor Hem, Hem klagende. Hem ons hart opdragende, Hem te kennen gevende, dat de verwachting onzer hulp alleen van Hem is. Wij zouden ons dan in grootere zegeningen verheugen, dan waarin wij ons nu mogen verblijden. Hij zou ons ook genade voor genade schenken.'
In de volgende brieven gaat hij pastoraal in op de vragen, die de vriend, tot wie hij spreekt, hem naar aanleiding van zijn gebedsonderwijs stelt. Telkens weer klinkt Knaps bewogen oproep: Denk van het gebed toch niet te klein. Met vele voorbeelden uit de Schrift wordt deze oproep onderstreept en herhaald. Zonder in puur methodisme te vervallen, is Het eenzaam bidden vol van zeer praktische raadgevingen. 'Ernstig, meen ik, u te moeten aanraden gezette tijden voor uwe eenzame afzondering te houden. Duizenden Godvruchtigen bevonden zich hier uitnemend wel bij. En anderen, die waanden niet te moeten bidden, dan wanneer zij in een goede stemming waren, ach! hoe kwijnden zij, hoe slordig werden zij in handel en wandel, hoezeer in vele opzichten der wereld gelijkvormig.' Op de bezwaren van diegene ingaande, die zegt geen tijd te hebben voor het gebed, zegt ds. Knap: 'Voor deze godsdienstige afzonderingen, gelijk vanzelf spreekt, is tijd noodig. Doch niet zoo veel, als zij die er niet toe genegen zijn, voorgeven. In weinige minuten, men beproeve het slechts, leest men een gedeelte der Schrift en spreekt men een gebed uit. Hoe gemakkelijk, mijn vriend! Indien het ons slechts ernst is, vinden wij tijd. Men sta wat vroeger op dan gewoonlijk. Men vermindere zijne uren van uitspanning. Menigeen, zoo dacht ik dikwijls, die nu gewoon is over tijdgebrek te klagen, vond voorzeker tijd in overvloed, indien hij van zijne bezigheden de niet noodzakelijke uitzonderde. Wat beuzelgeest openbaart zich niet vaak in de verrichtingen van menschen, die dan vooral, wanneer zij tot 's Heeren dienst worden opgewekt, velerlei verontschuldigingen hebben en niet het minst die van tijdgebrek.'
Dit alles heeft ds. Knap niet alleen geleerd, maar ook gepraktizeerd. Zijn zoon, ds. Chr. Knap, vertelt dat zijn vader altijd vroeg opstond en 'dan werd het eerste uur besteed aan gebed in de eenzaamheid en het onderzoek van Gods Woord, waarmede hij dan ook als doorvoed was… Nooit bezocht één der zijnen hem in het studeervertrek of het was: komt, dat wij knielen voor den Heer, en menigwerf keerde men van de deur van dat vertrek terug, opdat hij niet gestoord zou worden in zijn gemeenschapsoefening met God, waarin men hem bezig hoorde. Ja, hij was een voorbidder in en voor zijn huis…'
Huisgodsdienstoefeningen
Na het ontbijt en 's avonds voor het naar bed gaan had in het gezin van ds. Knap de huisgodsdienstoefening plaats. 'Vader was daarop zóó zeer gesteld', schrijft de zoon in de voorrede bij de uitgaaf van preken van zijn vader, 'dat ik het volkomen in zijn geest mogt rekenen, dat eene leerrede over het hoog belang en de voordeden van dien pligt, onder deze nagelatene predicatiën, werd opgenomen. Het was het laatste dat hij met zijne twee dochters verrigtte, met haar Gods Woord te lezen en knielende te bidden.' De bedoelde preek is een uitleg van Psalm 128 en draagt als opschrift De huiselijke godsdienst van hare voordeelige zijde beschouwd. De toepassing begint met deze woorden: 'De herinnering ter dezer ure gedaan, acht ik belangrijk en noodig te zijn. Omtrent hare belangrijkheid zal wel niemand eenigen twijfel kunnen voeden en wat betreft het laatste, Gel.! is het niet over het geheel genomen ellendig gesteld in de huisgezinnen der Christenen? –'Waar wordt de huiselijke Godsdienst gezet waargenomen? Wijden Joden en Heidenen niet meer tijds aan Godsvereering dan velen in ons vaderland, weleer van wege zijne Godsdienstigheid zoo hoog geroemd, die den naam van Christenen dragen?' Na vele practische raadgevingen met betrekking tot de huisgodsdienstoefening eindigt ds. Knap zijn vurig pleidooi met een citaat: 'Gelukkig het huisgezin, waar de dienst van God gezettelijk en Godvruchtig wordt waargenomen. Zulke huizen zijn tempels, waar de Heer woont, vestingen, door Goddelijk alvermogen beveiligd en beschut.'
De gereformeerde Belijdenis
Een tweede kenmerkende trek in Knaps spreken en handelen is een diep respect voor – en een grote liefde tot de 'leer der vaderen'. Alle drie de formulieren van enigheid staan bij hem in grote achting. Uit alle drie vinden wij vele citaten in zijn preken en van de Heidelberger Catechismus schreef hij zelfs een gedegen verklaring. Opmerkelijk is het dat hij de Belijdenis bijna altijd zeer nadrukkelijk noemt 'de leer (of: de belijdenis) onzer Hervormde kerk'. Knap lijdt er onder dat zovelen, juist binnen de Hervormde kerk deze leer minachten. Toch spreekt hij van 'onzer Hervormde kerk', omdat hij die kerk in al haar geledingen, van ambtelijke vergadering tot gewoon gemeentelid, op haar, nog steeds geldende, belijdenis wil aanspreken en haar tot dat geloof terugroepen. Op de laatste, door ds. Knap bijgewoonde, vergadering van de classis Sneek, riep hij de vergadering op tot een protest tegen de uit het kamp van de 'moderne theologie' komende ontkenningen van de dierbare leerstukken uit het gereformeerd belijden.
Telkens als hij in een nieuwe gemeente intrede doet komt hij rond voor zijn theologische opvattingen uit. In alle intree-preken, die ik las, komt een betuiging voor, waarin hij de gemeente duidelijk maakt, zich in het spreken van de kansel, en in de huizen, gebonden te weten aan de Belijdenis. Zo zegt hij bijv. in 1854 in Oud Alblas: 'Als predikant bij de gezindte der Hervormden, ben ik de bekende en erkende leer derzelve van harte toegedaan… Haar wensch ik u te prediken en tevens haar mannelijk te verdedigen met die bescheidenheid, die allen, maar vooral den dienaar van Christus betaamt.'
Het gezag van de Belijdenis ziet ds. Knap als een van de Schrift afgeleid gezag. Altijd als hij in een preek over de Belijdenis spreekt, toont hij de waarheid daarvan aan door Schriftbewijzen. De waarheid der Belijdenis staat vast omdat zij op de Schrift is gefundeerd. 'Mogen wij ons niet verblijden eene belijdenis te bezitten, die gegrond is op de onwraakbaarste getuigenissen van Gods Woord?'
Alle, de gereformeerde theologie kenmerkende, leerstukken vinden wij in zijn preken uitgelegd en tegenover tegenstanders ervan verdedigd. Zo noemt hij in een preek uit 1843, de verkiezing 'een veel miskende waarheid'. 'Is het geen vermetele stoutheid', zo zegt hij over hen die deze leer ontkennen, 'zich te stellen tegen het getuigenis Gods, of pogingen te doen om het zelve naar onze hand te stellen?'
De leer der verzoening door Christus voldoening is voor ds. Knap het hart van de bijbelse boodschap. In een in 1843 uitgegeven geschriftje over het sterven van Jezus, vaart hij uit tegen de 'roman-theologie', die dit hart uit de verkondiging tracht uit te snijden. 'Die leer toch, zij staat in verband met andere leerstellingen der Gereformeerde Kerk, als met die van de erfzonde, van 's menschen onmagt, van de krachtdadige bewerking des Heiligen Geestes, van de geestelijke vereeniging der geloovigen met Christus; en het zijn juist die leerstukken, welke de voorstanders van bovengenoemde theologie niet gelooven.' Knaps oproep is: Laat u niet verleiden en sla, om de waarheid van de leer der verzoening te beproeven, de Heilige Schrift maar op. 'Deszelfs onderzoek zal u onder de zegen des Allerhoogste leeren, dat Christus, Christus alleen, de plaatsbekledende Borg is van arme zondaren.'
Achter alle aanvallen op het reformatorisch belijden, zoals het in de formulieren is vastgelegd, ziet ds. Knap, en dat is zeer opmerkelijk, het voortleven van de oude dwaling van het ontkennen van de godheid van Christus. In een boekje Het hoog gewigt der leer van Christus' waarachtige en eeuwige godheid wordt door hem de 'nieuwe leer' als een oude dwaling aan de kaak gesteld. Wie op dit punt dwaalt, tast de eer van Christus aan, en dat doet ds. Knap in dit boekje zo fel tegen zijn tegenstanders uitvallen.
Afscheiden?
Blijven in een kerk, waarin zoveel is wat, naar de mening van ds. Knap, lijnrecht in gaat tegen Schrift en Belijdenis, is voor deze dienaar van het Woord geen vanzelfsprekende zaak. Zijn diepe teleurstelling in de slappe houding van de leiding der Hervormde kerk, komt duidelijk naar voren als hij ergens schrijft: 'Is het onwaar, dat ook binnen den kreits der Hervormde Kerk de leer der waarachtige en eeuwige Godheid van Christus openlijk wordt geloochend; dat dit ook geschiedt door enkelen van hen, die regtens gehouden zijn haar te leeren, te prediken en te verdedigen…; ware er meer liefde tot Christus… Wat stemmen zouden er opgaan tegen degenen, die met tooverwoorden liefde en verdraagzaamheid op de lippen, zich niet ontzien de door de Christenheid te allen tijde plegtig veroordeelde dwalingen te stellen in de plaats der eeuwige grondleeringen des Evangeliums, ons door God zelven uit den hemel zoo duidelijk geopenbaard. Maar men slaapt en sluimert. Men stelt uit en gaat voort uit te stellen.'
Breken met een zo diep gevallen kerk? Voor een man, die zoveel aan zijn collega Brummelkamp te danken heeft, moet het geen eenvoudige beslissing geweest zijn, niet met hem mee te gaan. Ongetwijfeld heeft men van de zijde van de afgescheidenen gehoopt op de overkomst van ds. Knap. In juni 1839 schrijft de kerkeraad van de afgescheiden gemeente te Leiden hem een broederlijke brief om hem op te wekken de gemeenschap met de Hervormde kerk op te zeggen. Men noemt hem: 'een waardig dienstknecht van Jezus Christus', maar zegt ook dat hij in de Hervormde kerk niet op zijn plaats is, 'wijl dat Genootschap gansch verdorven is, en daar banden voor de dienstknechten van Jezus Christus zijn, welke regelrecht strijdig zijn tegen Gods Woord.'
Knap schrijft echter resoluut terug geen vrijmoedigheid te hebben om met de Hervormde kerk te breken. Ook een in 1842 uit de afgescheiden gemeente in Zwolle op hem uitgebracht beroep, wordt om dezelfde reden door hem afgewezen.
Wat deed hem dan blijven? Geestelijk stond hij zeker dicht bij de afgescheidenen. Nergens hoor ik hem daarover zich laatdunkend uitdrukken. Kerkelijk stond hij echter op ander standpunt dan zijn beste vriend; hij kan zich zelfs nog wel in zijn standpunt verplaatsen, maar het beslist niet delen. Voor zichzelf ziet hij de weg van de Afscheiding niet als de van God gegeven weg tot kerkherstel. Ik ben ervan overtuigd, zijn geschriften lezend en zijn leven overziend, dat hij de vraag aangaande het al of niet afscheiden van de Hervormde kerk beantwoorden zal met: Zolang de weg van het gebed niet ten einde toe bewandeld is, zolang het nog klinken kan 'Keer weder', zolang is de weg van de scheiding een verboden weg.
Ds. J. J. Knap en zijn, in deze serie beschreven, geestverwanten hebben niet alleen door hun blijven ongetwijfeld veel voor de Hervormde kerk betekend. Behalve door hun gebed, en hun trouwe prediking in hun gemeenten, hebben zij ook door hun geschriften velen weerhouden met de vaderlandse kerk te breken. Grote betekenis hebben onder het kerkvolk de prekenseries gehad, Mie door 'hen die bleven' werden verzorgd. Bij uitgever I.J. Malga in Nijkerk verschijnt vanaf 1846 Maandelijkse leerredenen over verschillende onderwerpen door onderscheidene predikanten. Het zijn steeds dezelfde predikanten die eraan meewerken: de kleine maar ijverige kring van de, op hun post blijvende, orthodoxe predikanten. Vanaf 1840 verschijnt er bij Van Peursem in Amsterdam, van de hand van dezelfde auteurs, zelfs een prekenserie die de naam draagt Maandelijkse leerredenen ter verbreiding der waarheid, die naar de godzaligheid is, door onderscheidene predikanten bij de Hervormde gemeenten. Een eerste, zij het nog zwakke, poging van 'arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde waarheid in het midden van de Ned. Herv. (Gereformeerde) Kerk, om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepe val, en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk.'
H. Harkema, Brakel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's