De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Opnieuw: ‘God in Nederland’ (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Opnieuw: ‘God in Nederland’ (2)

9 minuten leestijd

Onderzoek naar godsdienst en kerkelijkheid ingesteld in opdracht van KRO en weekblad 'De Tijd'.

De aard van het onderzoek
In het verleden zijn er al tal van opinie-onderzoeken inzake godsdienst en kerkelijkheid in ons land gedaan.
Daarbij stonden de vragen naar het lidmaatschap van een kerk en het meedoen aan het kerkelijk leven centraal. Aan de hand daarvan bepaalden kerken en groepen hun groei of hun teruggang, hun betekenis in het leven van een volk of hun toenemend funktieverlies.
Uiteraard zijn deze cijfers van belang geweest, maar naarmate men er meer over nadacht bleken ze minder waardevol te zijn dan men aanvankelijk dacht. De cijfers suggereerden vaak teveel. Ze waren te ongenuanceerd. Laat ik een voorbeeld nemen. Als de volkstelling van 1971 uitwijst dat op dat moment 23% van de Nederlandse bevolking Hervormd is, wil dat niet zeggen dan deze 23% zich in de samenleving duidelijk als behorend bij de Hervormde Kerk opstelt. Het behoren bij de Hervormde Kerk sluit niet uit dat er tegelijkertijd tal van ontwikkelingen aan de gang zijn in deze groep, die juist tegen het 'hervormd-zijn' ingaan.
Kerken zijn geen losse groepen in de samenleving. Ze staan er midden in. Ze ondergaan de invloed daarvan. Lang niet iedereen die zich hervormd of gereformeerd of rooms-katholiek noemt zal zich op gelijke wijze kunnen of willen identificeren met datgene wat de leiding van deze kerken officieel voorstaat. En dat om tal van redenen.
Er is dus duidelijk reden om na te gaan wat de mensen zelf geloven, welke behoeften zij hebben in godsdienstig opzicht, waar ze warm voor lopen en wat hun niet interesseert.
Het gaat dus niet allen om zaken, die kerkelijk-organisatorisch van belang zijn, maar ook om de geloofsbeleving van de mensen.

Subjectief en objectief
Als we er van uitgaan dat zowel de subjectieve geloofservaring als de objectieve feitelijkheid van het behoren bij een kerk, de deelname aan het kerkelijk leven en de inhoud van het geloof, er toe doen, dan dringt zich de vraag op waarmee een onderzoek als dat wat voor ons ligt, moet beginnen.
In het boek, behorend bij de gehouden enquête, wordt begonnen met de subjectieve kant van de zaak. Een kenmerkende zin: 'godsdienst en levensbeschouwing worden gezien als interpretatiekaders, waarmee mensen hun eigen werkelijkheidservaring trachten uit te leggen' (blz. 11). Daarbij gaat het om de zingeving van het leven. Voorwaar geen onbelangrijke vraag.
Maar hoe belangrijk de werkelijkheidservaring ook is, toch moeten we ons afvragen wat het betekent als we daarmee beginnen.
Verleggen we de norm aan de hand waarvan we het geloof en de betekenis daarvan beoordelen daarmee niet te veel van de Schriften naar de situatie? Komen geloof en levensbeschouwing op deze wijze niet gemakkelijk als gelijkwaardige grootheden naar voren?
Ons interesseert toch de 'kwaliteit van het christelijk geloof'?! Nu is het duidelijk dat de sociologie tot een dergelijke beoordeling niet in staat is; laten we ons daarom dan ook niet verkijken op de uitkomsten van het onderzoek.
Het onderzoekt leert ons veel over de Nederlanders – over onszelf – maar zegt niet zoveel over de spiritualiteit, over het levende geloof en de kracht daarvan.
Na al deze dingen gezegd te hebben, gaan we ons bezig houden met de uitkomst van het onderzoek, met cijfers en tabellen.

Over de zin van het leven
De enquête begint als volgt: Bent u het eens met de uitspraak 'als ik mijn leven kon overdoen, zou ik willen dat het heel anders was'. Met deze uitspraak is 11% het volkomen eens, 19% is het er in grote lijnen mee eens, 6% weet het niet en 64% heeft geen behoefte om het leven over te doen. Van de 30% die het leven een beetje of helemaal willen overdoen, wil 45% dat met het oog op eigen levenssituatie en 34% met het oog op de genoten opleiding.
De volgende vraag handelde over de zin van het leven: Wat geeft uiteindelijk zin aan uw leven? Voor 51% is het gezin het doel van het leven, voor 18% is dat materiële zelfrealisatie, voor 16% een goede gezondheid, voor 12% een sociale houding, voor slechts 8% is dat godsdienst en kerk; daarnaast worden nog tal van andere doelen genoemd: bijv. het hebben van vrienden en relaties, hobby's, kunst, etc. Als we de vraag naar de zin van het leven en de vraag of iemand zijn leven wil overdoen aan elkaar verbinden blijkt dat van de 8%, die godsdienst en kerk als de zin van het leven zien, er slechts weinigen zijn, die het leven willen overdoen; van degenen, die gezin en gezondheid als doel van het leven zien (samen 67%), wil 29% het leven overdoen.
Bij verder navragen is gebleken dat 48% van de mensen, die een 'gerieflijk leven' als belangrijkste waarde van het leven noemen, hun leven willen overdoen; van hen die 'onafhankelijkheid' als belangrijkste waarde noemen, wil 38% het leven overdoen; van hen die 'prettig werk' als belangrijkste noemen wil 37% het overdoen; bij 'verdraagzaamheid' wil 33% het overdoen; bij' vergevingsgezindheid' 33%; bij 'vrede' 31%; bij 'zelfbeheersing' 31%; bij 'godsdienstigheid' 29%; bij 'vriendschap' 29%; bij 'liefde' 26%; bij 'innerlijke harnionie' 21%. Vooral uit deze laatste cijfers lezen we de ontevredenheid met eigen situatie duidelijk af. Als deze ontevredenheid mensen bezig houdt, mogen we in ons kerkewerk daaraan niet voorbijgaan. We mogen niet alles gladstrijken of met algemene waarheden afdoen. We zullen intensief en nauwkeurig moeten werken en veel luisteren.
In het eerste deel van de enquête kwam ook de vraag naar 'goed en kwaad' aan de orde. Waaraan ontlenen de mensen hun kennis van goed en kwaad? 39% zegt dat zij deze kennis ontlenen aan hun geweten (in 1966 zei 41% dat); 23% vindt dat het een kwestie van opvoeding is (in 1966 vond slechts 8% dat). Voor de mensen, die godsdienst en kerk als zingeving van hun leven zien, geeft 38% op dat hun geweten de norm is bij het vaststellen van goed en kwaad en 30% zegt dat hun geloof norm is. Naarmate het geloof in God afneemt worden 'opvoeding, fatsoen, geweten', belangrijker bij de beoordeling van goed en kwaad. Opvallend is dat betrekkelijk weinigen in geloof, gebod, e.d., de norm bij beoordeling van goed en kwaad zien.

Mensen als wegwijzers
Veel mensen nemen bij het zoeken naar de zin van het leven, andere mensen, of deze nog leven of al gestorven zijn, tot voorbeeld. Men heeft onderzocht op welk soort mensen men zich richt. Daarbij bleek dat 16% zich richt op mensen, die in religieus kader bezig zijn; 15% op hen, die in cultureel kader bezig zijn; 15% op hen, die zich met politiek bezig houden en 4% op wetenschappers. 46% van de Nederlanders richt zich niet op een bepaald voorbeeld. De hier genoemde cijfers hebben betrekking op referentiepersonen, die nog in ïeven zijn.
Bij overleden referentiepersonen liggen de cijfers iets anders. Hierbij richt 24% van de Nederlanders zich op mensen uit de religieuze sector; 23% op mensen uit de politiek en 17% op wetenschappers; slechts 1% op hen, die in de cultuur een belangrijke rol hebben gespeeld. Ook hier had 46% van de mensen geen mening.
Ook werd gevraagd tot wie men zich zou wenden indien er in eigen leven een gewetensconflict zou ontstaan. 18% zou naar een geestelijke gaan (in 1966 wilde 37% dat doen), 71% zou naar een arts, een vriend, een vriendin of een ander gaan (in 1966 was dat 40%). Het is duidelijk dat men het meer zoekt bij vrienden en kennissen, dan bij degenen, die beroepsmatig bezig zijn met het bieden van hulp aan mensen. Zeer opvallend is de snelle toename van het funktieverlies van de geestelijke. Hiervan dienen we te leren dat de gemeenteleden vaak meer over de betekenis van het christelijke geloof kunnen spreken dan de geestelijken. En een dringende vraag aan ons allen is of gemeenteleden voldoende tot deze belangrijke taak worden toegerust.

De betekenis van het christelijke geloof
Aan de mensen is ook gevraagd of zij vinden dat het christelijk geloof bijdraagt om de belangrijkste waarde in het leven te verwezenlijken. 26% van de ondervraagden vindt dat inderdaad het geval; 27% vindt dat het geloof iets bijdraagt; 43% vindt dat er geen verband is tussen geloof en verwezenlijking vande belangrijkste waarde in het leven; 2% vindt dat geloof zelfs een negatieve uitwerking daarop heeft.
Neemt de invloed van de godsdienst op het leven af of toe? 69% van de mensen zegt dat de invloed afneemt, 9% zegt dat de de invloed toeneemt. 57% van hen, die vinden dat invloed van de godsdienst op het leven afneemt, vindt dat jammer (in 1966 vond 77% dat jammer); 24% van hen, die vinden dat de invloed van de godsdienst op het leven afneemt, vindt dit juist gunstig (in 1966 vond slechts 14% dat gunstig). Ook hier zijn de verschuivingen duidelijk: meer mensen vinden het gunstig dat de invloed van godsdienst op het leven afneemt en minder mensen vinden dat jammer.
Heeft het geloof in uw leven grote betekenis: 35% zegt, ja: 26% zegt, geen betekenis; 39% zegt, enige betekenis.
Vindt u het erg als uw zoon of dochter een andere levensovertuiging er op na houdt dan uzelf? 49% heeft daartegen geen bezwaar; 36% vindt dat minder prettig en 8% zou zich verzetten. Gelovigen blijken meer vast te houden aan de overdracht van hun mening op hun kinderen, dan niet gelovigen.
Al deze cijfers – in volgende artikelen komen er nog meer – laten ons zien dat de ontkerstening ver voortgeschreden is en nog steeds doorgaat; in vergelijking met 1966 is er van een duidelijke achteruitgang van de invloed van het christelijk geloof sprake. Dit roept ons op tot bezinning. Enerzijds om te bewaren wat we (nog) hebben; anderzijds om uit te dragen waaruit we leven, waarbuiten geen mens kan. Wie dit alles vasthouden wil aan de theocratie (de Heere heeft recht op alles en idereen; Hij regeert in goedheid en recht), komt onder grote spanning te staan wanneer we van dat geloof rekenschap willen afleggen. Dat mag ons echter niet weerhouden om vanuit ons geloof te spreken en er naar te handelen.

Ds. C. Snoei

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Opnieuw: ‘God in Nederland’ (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's