Ook ons is het Evangelie verkondigd… (1)
Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hen geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben. Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust…Hebreeën 4 : 2, 3
Want ook ons is het Evangelie verkondigd gelijk hun. Aan het woord is de schrijver van de brief aan de Hebreeën. En het grote thema van de Hebreeënbrief is de persoon en het werk van de Heere Jezus Christus, de enige Hogepriester, door Wiens dienst de tempel en de offerdienst van het Oude Testament hadden afgedaan, in Hem tot vervulling waren gebracht.
De Hebreeën echter, een groep jodenchristenen, die vanuit het joodse geloof tot het geloof in de Heere Jezus waren gekomen, wankelden tussen deze enige Hogepriester en de aardse hogepriester. Ze zaten er zo'n beetje tussenin en liepen daardoor de kans – en meer dan dat – achterop te raken. Vandaar dat er dwars door de Hebreeënbrief telkens vermaningen van allerlei aard worden gevonden. Ze moesten acht geven op de prediking en de onderlinge bijeenkomsten niet najaten, ze moesten aflaten van de zonde en tegelijk standhouden en volharden bij het eeuwige, onveranderlijke Woord van God. In voorgaand hoofdstuk klinkt zo'n vermaning met de woorden van de dichter van Psalm 95: 'Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn.
Want de vaderen hebben niet kunnen ingaan in het land van de rust vanwege hun ongeloof.'
Het volk Israël werd éénmaal uitgeleid uit Egypte. Maar tussen Egypte en Kanaän, het land van de rust, lag de hete, droge woestijn. Daar moest het volk doorheen. En daar kon het niet anders doorheen dan alleen door het geloof in de Heere hun God. Dat was de weg – de weg van het gelovende vertrouwen en het vertrouwende geloof. God zou Zelf hun Leidsman wezen, des daags door een wolk, des nachts door een vuurkolom. Hij heeft brood gegeven uit de hemel, water uit de rotssteen, vijanden voor hun aangezicht verdreven; En van alles wat ze nodig hadden op reis, beloofde de Heere: 'doe uw mond wijd open. Ik zal hem vullen.' Kon de Heere het volk nu nog meer beloven? Zeker, het volk is goed begonnen. Want zij zijn, zegt de apostel Paulus, allen door de zee doorgegaan en allen in Mozes gedoopt én in de wolk én in de zee.
En ze hebben allen dezelfde geestelijke spijze gegeten en allen dezelfde geestelijke drank gedronken. Het heeft hen aan niets ontbroken. En toch hebben zij het beoogde doel niet bereikt. Velen hebben het beloofde land nooit bereikt en zijn in de woestijn omgekomen. Waarom? Omdat ze de Heere hun God niet vertrouwd hebben. Zij hebben hem door hun ongeloof getergd. Het is één grote kettingreactie van opstand en revolutie geweest tegen de levende God. Zij hebben het geduld van God uitgeput, zodat Hij klagen moest: 'Och dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in mijn wegen gewandeld had.'
Dat heeft hen hun ongeloof gebracht. Uit Egypte verlost, nooit in Kanaän, nooit in het beloofde land gekomen. Vreselijke werkelijkheid. En al deze dingen worden ons verhaald ter waarschuwing. Ook wij dragen het teken van het Verbond der genade aan ons voorhoofd. Ook ons komt de belofte toe. Wat is de belofte, vraagt u? Deze: 'Ik wil uw God zijn. Ik zal uw God zijn, en gij zult Mijn volk zijn.' En in de woestijn van ons leven, die daar ligt tussen onze Doop en het hemels Kanaän is ook ons het Evangelie verkondigd, gelijk als hun.
De verkondiging van het Evangelie is in zijn oorsprong een blijde boodschap. De verkondiging dat God de Heere Zich tot deze wereld verloren in zonde en schulp genadig heeft toegewend in de zending van de Zoon Zijner liefde, de Heere Jezus Christus. De Heere Jezus mogen we aanwijzen, aanprijzen, tot Hem nodigen en lokken. Die gezegd heeft: 'Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven'! En als zodanig is het Evangelie medicijn, spijs en drank, licht en vermaak voor arme zondaren. Behalve het Evangelie wordt ons de Wet Gods gepredikt. Nee niet als een weg ten leven, maar als een tuchtmeester tot Christus. De prediking van de Wet Gods is om ons te ontdekken aan onszelf en ons tot zondaar te rpaken voor God. We worden aangedrongen om de dienst der zonde en der wereld te verlaten en onze schijnvroomheid weg te werpen, en onze toevlucht te nemen tot het Lam Gods, Wiens bloed reinigt van alle zonden.
En wordt onder ons de toorn Gods niet aangezegd over alle goddeloosheid en ongeloof, worden we niet ernstig gewaarschuwd tegen het eten van twee walletjes: God wat en de wereld wat. God en de Mammon en noemt u maar op! Daar zijn nog steeds twee wegen, daar is een brede en een smalle weg. Maar er zijn er heel wat, die willen tussen deze twee wegen nog een derde weg. Maar dat kan niet en nooit. U loopt óf op de smalle weg óf op de brede weg!
Dit Evangelie wordt ons verkondigd, tot vermaning en waarschuwing, maar ook tot vertroosting en bemoediging. Dat heeft Mozes gedaan, dat hebben de profeten gedaan en dat heeft Christus gedaan. Als er Eén het Evangelie heeft gepredikt, is het Christus geweest! En als er Eén gewaarschuwd heeft tegen het vuur, dat niet geblust wordt en tegen de plaats waar de worm van wroeging niet sterft, dan is het Christus geweest.
Dit Evangelie van Gods reddende zondaarsliefde en van de hoge rechten Gods op ons leven is ook ons verkondigd! Daar kunnen we nooit onder uit, hoeveel we ook tegenwerpen aan allerlei beschouwingen en ons op de been houden met alles wat we willen en kunnen en kennen.
Kom, zeg eens, hoe is dat met ons, die het Evangelie werd verkondigd, gelijk hun? Hoe is dat met ons, die onder het Woord mogen verkeren, onder Gods gunstbewijzen, onder het aanbod van Zijn genade? Wij hebben ook zoveel goedheid van de Heere genoten. Maar wie is er onder gebroken? Wie is er mee op zijn knieën voor de Heere gevallen? Wie kreeg de Heere Jezus nodig als een arme zondaar en werd het Woord Gods een kracht tot zaligheid. Ja, die zal het zeggen: 'Heere, het is te groot en te wonderlijk, dat U zo goed bent voor een slecht mens, ik ben het zo geheel onwaardig, maar U hebt het Zelf beloofd: 'Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen!'
Wee ons, wanneer we onder het Evangelie van Gods reddende zondaarsliefde dezelfde mensen bleven, in zonde ontvangen en geboren en door onze zonden levend onder de toorn en het oordeel Gods. Dat is een huiveringwekkende mogelijkheid; hoe dat mogelijk is hopen we een volgende keer te overdenken.
L. Schaap, Schoonhoven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's