Boekbespreking
H. Baarlink: Anti-Judaisme in het oudste Evangelie; J. L. Koole: Aspecten van de Godskennis in het Oude Testament; H. N. Ridderbos: Het Woord is vlees geworden, (Kamper Cahiers, nr. 34, 36 en 35 respectievelijk). Kok, Kampen 1979, prijs resp. ƒ 9,90, ƒ 8,90, ƒ 8,90.
In de bekende reeks 'Kamper Cahiers' verschenen weer enkele nieuwe uitgaven, nL een tweetal afscheidscolleges, en de bij zijn ambtsaanvaarding uitgesproken rede van dr. Baarlink.
Prof. Koole gaat in op het vraagstuk van de kennis van God in het Oude Testament. Werd in het verleden het onderzoek ingezet bij het verschijnsel van de profetie, Koole begint bij de oude tradities van Israël inzake Exodus en Sinai. Israël heeft God Ieren kennen in wat het van Hem gehoord en gezien heeft in zijn machtige daden. In de traditie is deze Godskennis blijven voortleven (vgl. Ps. 78). Weliswaar kent Israël ook de botsing tussen werkelijkheidservaring en wat het in het verleden van God gehoord heeft. Maar God kan zich doen ervaren in sprekende feiten die in Zijn Naam aangekondigd en afgebeden zijn. Godskennis is niet afhankelijk van de werkelijkheidservaring (vgl. Job: Tegen de feiten in meermalen het 'Ik weet…'). In de derde plaats onderzoekt Koole de relatie tussen Godskennis en praxis. Die zijn met elkaar verbonden, maar de praxis verzwelgt de Godskennis niet. Integendeel, vanuit de kennis van God komt het handelen op.
Ridderbos wijdde zijn afscheidscollege aan de bekende tekst uit Joh. 1 : 14. Hij schetste de posities van Bultmann en Käsemann, laat ook de eenzijdigheden van beider positie zien. De soteriologie, de heilsleer rust in de Christologie. Maar de nadruk op de heerlijkheid van de Zoon Gods doet geen afbreuk aan het historisch karakter. Ridderbos ziet de eigen aard van het vierde evangelie als een poging om de gemeente te bevestigen in het geloof dat Jezus de Messias is (Joh. 20 : 30). Enerzijds ontvouwt het vierde evangelie de heerlijkheid van Jezus op een wijze die de grenzen van de joodse verwachting overschrijdt en de christelijke gemeente tot een dieper inzicht brengt in de rijkdom van haar geloof. Anderzijds getuigt de evangelist van geen andere Jezus dan in wie de gemeente heeft leren geloven, nl. de Messias van Israël. Het einde (Joh. 20 : 28) weerspiegelt zich in de proloog.
Dr. Baarlink gaat in op de vraag of het Marcusevangelie anti-judaistische trekken vertoont. Hij behandelt deze vraag, die hij ontkennend beantwoordt, in voortdurend gesprek met joodse exegeten. Achtereenvolgens gaat Baarlink na: Marcus' weergave van het lijdensverhaal, Jezus' verhouding tot zijn joodse tijdgenoten, de vraag naar de verwerping van Israël en de relatie tot de volkeren. Jammer dat Baarlink de dissertatie van dr. Farla niet meer in zijn onderzoek kon betrekken. De auteur komt m.i. tot afgewogener en billijker conclusie dan Farla. Verhelderend vond ik zijn exegese van de pericoop van de vervloeking van de vijgeboom.
Drie belangrijke studies die veel bijbels-theologisch materiaal op tafel leggen en belangrijke aanzetten geven voor de prediking. Zeer aanbevolen.
A. N., Ede
Dr. G. L. Goedhart: Het groepsgesprek besproken, verschenen in de serie Gemeentetoerusting, Uitgeversmij. J. H. Kok, Kampen 1979, 76 blz., ƒ 9,90.
Schrijver bedoelt met 'groepsgesprek' (onder leiding van een gespreksleider) gesprekken die plaatsvinden als groepshuisbezoek, d.i. het klassieke huisbezoek maar dan met meerderen tegelijk, of wel in gespreksgroepen over uiteenlopende onderwerpen.
Waar zulke groepsgesprekken op touw worden gezet, zullen de groepsleiders-in-spe met de in dit boekje gemaakte opmerkingen over zulk een gesprek, over de gespreksleider, over de groep, veel voordeel kunnen doen. Schr. heeft een uitgebreide ervaring op dit gebied. Hij deelt daar – min of meer systematisch geordend – veel wetenswaardigs over mee, kennelijk vanuit een deskundigheid in de zogenaamde C-wetenschappen. Hij denk daarbij in het bijzonder aan gespreksgroepen binnen de kerkelijke gemeente, ten dienste van gemeenteopbouw.
De vraag laat zich stellen of hij daarbij die groepsgesprekken misschien een te zelfstandige rol wij laten spelen. Is de goede preek in de klassiek-gereformeerde zin niet gemeente-opbouwend bij uitstek? Zodat groepsgesprekken op een tweede plaats behoren te worden beschouwd? Daardoor zouden licht verschuivingen optreden in de prioriteiten-volgorde van de beoordeling van zulke gesprekken; misschien zelfs in hun opzet.
G. B. Smit, Ah.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's