Opnieuw: God in Nederland (3)
De mate van gelovigheid en de betekenis daarvan
Van de Nederlanders van 17 jaar en ouder beschouwt 43% zich als gelovig, 20% beslist niet gelovig, 24% enigszins gelovig, 12% als eigenlijk toch niet gelovig.
In onderstaande tiabel (overgenomen uit het boek 'Opnieuw: God in Nederland') is aangegeven welke betekenis de hierboven genoemde groepen aan hun geloof hechten.
[Tabel]
Opvallend is dat van degenen, die eigenlijk niet geloven 40% vindt dat het geloof enige betekenis heeft; van hen, die beslist niet geloven, vindt altijd 15% het geloof nog van enige betekenis.
Uit dit soort gegevens blijkt dat het denken in zwart-wit schema's onmogelijk is.
Staat er iets in de sterren geschreven?
In 1966 vond 80% van de Nederlanders dat er beslist niets in de sterren geschreven staat; thans is dat 66%.
15% vindt dat er misschien iets in de sterrenloop is dat correspondeert met ons leven; in 1966 was dat 11%.
Over deze vraag wil 13% zich niet uitlaten, tegen 5% in 1966. Zowel in 1966 als nu vindt 6% dat ons leven beslist wel met de sterren te maken heeft.
Er is dus een duidelijk toenemende onzekerheid waar te nemen in dit opzicht. Van: 'beslist niet' naar: 'mogelijk wel'.
Is kontakt met overledenen mogelijk?
7% van alle Nederlanders gelooft dat dit kontakt rnogelijk is; 77% acht het onmogelijk en 11% zegt 'misschien wel'.
Wanneer wij horen over toenemende invloed van het spiritisme, is dat in overeenstemming met deze cijfers.
Stromingen en bewegingen
Er is gevraagd welke stromingen mensen kennen naast de kerken en of zij zich daarmee verwant voelen of zich er van afkeren. Het meest bekend zijn: Leger des Heils (99%), Jehova's getuigen (99%), humanisme (83%), yoga (79%), spiritisme (74%).
Lang niet iedereen voelt zich verwant met de stroming, die hij of zij noemt. Verwant met het Leger des Heils is 60%, met het humanisme 30%, met yoga 18%, met antroposofie 13% en met transcendente meditatie (TM) 11%.
Afwijzend tegenover de Jehova's getuigen staat 56%, tegenover Unified Family 57%, tegenover het spiritisme 47%, tegenover Children of God 43%, tegenover Mormonen e.a. 42%. Van Youth for Christ had slechts 7% gehoord.
Geloofsinhouden
Om meer te weten over de inhoud van het geloof dat mensen belijden is gevraagd of zij in een persoonlijk God geloven, of zij geloven dat Christus de Zoon van God is, of er leven na de dood is, of de Bijbel het Woord van God is en dergelijke vragen meer.
a. Het geloof in God
Op dit moment is men er in ons land minder van overtuigd dat er een persoonlijk God bestaat dan in 1966.
In 1966 geloofde 48% van alle Nederlanders vanaf 17 jaar in een persoonlijk God; thans is dat 34%. Dat is 14% minder. Aan dit gegeven zien we een duidelijke 'verdunning' van het godsgeloof optreden. Hoeveel mensen ontmoeten we niet die zeggen dat zij zich niets kunnen voorstellen bij een gedachte aan 'God'. Men noemt dit wel de antenneloosheid van de huidige mens. We zouden er goed aan doen ons af te vragen welke middelen en methoden geschikt zijn om deze mensen te benaderen. En wat zit er achter? Hoe kwam het zover? Op welke wijze werkt de secularisatie door in.de harten van de mensen? Voor het kerkewerk (met name het jeugdwerk en het evangelisatiewerk) dringende vragen! We geloven toch dat onze God machtig is dit te doorbreken?!
In 1966 geloofde 34% in een hogere macht, thans 40%; in het onzekere verkeerde in 1966 13%, nu 17%; 9% gelooft nu niet in God of een hogere macht, in 1966 was dat 4%.
Ook dit laatste cijfer is sprekend; in dertien jaar is het percentage van hen die absoluut nergens in geloven verdubbeld.
b. Het geloof in Christus als de Zoon van God
Dat Christus de Zoon van God is, gelooft 41% van de Nederlandse bevolking; in het jaar 1966 was dat nog 56%; een teruggang van 15% in enkele jaren. Dat Christus een bijzonder mens is geweest, gelooft thans 20% tegen 17% in 1966.
Dat Christus een gewoon mens geweest is denkt 20% op dit moment en bij het vorige onderzoek was dat 15%.
Uit deze cijfers blijkt dat de klassieke interpretatie van Jezus als de Zoon van God minder aanvaard wordt dan vroeger. Nogmaals: hoewel deze cijfers ons niet alles zeggen, geven toch de meetbare en definieerbare opvattingen van de mensen ons heel wat inzicht in de geestesgesteldheid van de Nederlanders.
c. Geloof in leven na de dood
In vergelijking met 1966 geloven thans veel minder mensen in een leven na de dood. Toen 57%, nu nog 42%. Het percentage van hen die beslist niet geloven in een leven na de dood steeg van 34% tot 40%. In het onzekere verkeren thans 18% van de mensen, tegen 9% dertien jaar geleden.
d. Wat is de Bijbel?
Is deze het Woord van God? 41% zegt ja, tegen 31%, neen. De overigen vinden de Bijbel een bijzonder boek of in 'zekere zin' het Woord van God. Van degenen, die geloven in een persoonlijk God zegt 79% dat de Bijbel het Woord van God is.
In de hele enquête wordt duidelijk dat er naast de algehele teruggang met betrekking tot het geloof in God en de betekenis daarvan, onder de gelovigen ook een zekere consolidatie ontstaat. De kloof tussen hen, die niet geloven en die wel geloven wordt breder.
e. Is bidden zinvol?
53% van de mensen vindrbidden nog altijd zinvol. In 1966 was dat 16% meer. De onzekerheid aangaande het gebed nam ook toe. Nu denkt 13% dat bidden mogelijk zin heeft, destijds 6%.
Wie al deze cijfers overziet zal begrijpen dat vooral in het evangelisatiewerk ernstig rekening gehouden zal moeten worden met deze feiten. Lang niet iedereen gelooft meer dat de Bijbel het Woord van God is. Dat wisten we natuurlijk al, maar hier zien we de cijfers zwart op wit. Lang niet iedereen weet meer wat bidden is. Tot wie zou men bidden? Wat is bidden? Maar het moet mogelijk zijn om ook in onze tijd zinvol over de Schrift en het gebed te spreken. Alleen we zullen bidden en bijbellezen niet meer als 'opstapjes' kunnen gebruiken in vele gevallen om tot enig kontakt te komen.
Kerk en Christendom
Het zal duidelijk zijn dat niet allen, die zeggen te geloven in God, in Christus, in de zin van het gebed en in de Bijbel als het Woord van God, ook bij de kerk(en) aangesloten zijn.
De kerken lopen qua aantal werkelijk betrokkenen sneller terug dan dat'het aantal mensen dat niet gelooft stijgt. Het geloof werkt langer door dan we vaak denken. Er blijven lang brokstukken en restanten bewaard.
Op de vraag 'bent u in een bepaald geloof grootgebracht?' antwoordde 81% van alle Nederlanders ouder dan 17 jaar, ja, tegen 83% in 1966. Ongeveer 20% zegt 'godsdienstig niets meegekregen' te hebben.
Van deze laatste groep (20%) is later slechts 9% alsnog met godsdienstige vragen in aanraking gekomen en daardoor beïnvloed. Uit deze cijfers kunnen we aflezen hoe belangrijk een christelijke opvoeding is. Als we deze niet geven of ontvangen is de kans erg groot dat we later niet meer met het christelijk geloof in aanraking komen en daardoor worden gevormd.
Uiteraard speelt hij de christelijke opvoeding de school ook een grote rol. Voor een christelijke school (RK en Prot. samen) kiest 45% van de ouders, voor een openbare school 34%. In vergelijking met 1966 is het percentage van hen die een christelijke school wensen voor hun kinderen met 11% afgenomen. Geen gering aantal mensen worden er door dat percentage vertegenwoordigd. Een interessant gegeven levert de vraag naar de wenselijkheid van het godsdienstonderwijs op openbare scholen op 69% van hen, die voor openbaar onderwijs zijn, vindt godsdienstonderwijs nuttig, maar niet direkt nodig, 7% vindt dit onderwijs nodig en 23% is er tegen.
Het zou niet goed zijn als we als kerk voor dit cijfer geen oog hadden. Als er vraag is, laten we dan met het aanbod niet achter blijven.
Zending en missie
Vond in 1966 71% van de Nederlanders het wenselijk dat het Christendom over de gehele wereld wordt verspreid, thans is dat nog maar 52%. 25% is tegen verspreiding van het Christendom over de hele wereld tegen 16% in 1966.
Duidelijk is uit de enquête gebleken dat naarmate het geloof meer voor de mensen betekent zij meer aan zending en missie willen doen. Dit gegeven is bij GZB en IZB (evenals bij anderen) al jaren lang bekend. Een gemeente waarin het geloof niet leeft is er ernstig aan toe.
Wil men een wereldkerk?
In 1966 vond 70% van de mensen de verdeeldheid van de christenen zo erg dat zij graag zouden zien dat er één wereldkerk ontstond. Dit percentage is thans afgenomen tot 52%. De tegenstanders van één wereldkerk vertegenwoordigen thans 26% tegen 18% in 1966.
Uit deze gegevens blijkt ook duidelijk dat er sprake is van een grote heroriëntering inzake geloof en kerk. Met de oecumene is het niet rooskleurig gesteld. De 'resultaten' daarvan zijn immers, vaak ook niet bemoedigend.
Veranderingen inzake geloof en kerk
Vinden de mensen dat er veel in de kerken verandert?
Ja, zegt 47%, niet zoveel zegt 38%, niets zegt 14%. Lang niet iedereen vindt het veranderen of niet veranderen gunstig. Van hen, die vinden dat er veel verandert, acht 48% dat gunstig, tegen 43% minder gunstig.
Van hen, die menen dat er niets vernadert vindt 32% dat gunstig en 34% minder gunstig.
Opnieuw werden we gekonfronteerd met sprekende cijfers. Nadat we nog een aantal gegevens met elkaar hebben bekeken, willen we nagaan wat we daaruit kunnen leren. Tussen de regels door heb ik hier en daar al op een en ander geattendeerd.
C. Snoei, Amersfoort
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's