Dienstboek ‘Onze Hulp’
De kerk heeft een dienstboek, waarin de formulieren en orden voor de eredienst zijn samengebracht. Onder andere staan daarin het doopformulier en het avondmaalsformulier. Er is nu een gezamenlijke nieuwe uitgave van de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk onder de titel 'Onze Hulp'. Deze uitgave ondervond veel kritiek in de hervormde synode vanwege de 'eensporigheid'. Het is een weergave van wat in één flank van de kerken ten aanzien van de eredienst wordt beoogd. Op fundamentele zaken is daarover gesproken door ds. G. Kaastra te Amerongen, die vreesde dat dit nieuwe dienstboek een nieuw shibbolet zou worden. Ds. J. Vroegindewey vreesde, dat met dit nieuwe dienstboek een nieuw stuk wildgroei zou ontstaan. Hij bepleitte intussen – zoals met de Statenvertaling is geschied – een herziene uitgave, een 'editie 1979' van de klassieke formulieren.
Ds. P. van den Heuvel uit Harmelen ging fundamenteel in op dit nieuwe dienstboek, waarvan – zo vertelde ds. Overbosch van de Raad voor de Eredienst 15.000 exemplaren zijn verkocht. We laten de tekst van wat ds. Van den Heuvel zei hier letterlijk volgen.
‘We hebben van de Raad voor de Eredienst begrepen, dat men een dienstboek wil gaan vormen naar twee-sporig model, met een vierende en een lerende orde.
De voorzitter van de Raad, ds. M. G. J. v. d. Velden heeft al verzekerd dat zo'n tweesporigheid niet als tegenstelling is bedoeld. Persoonlijk ben ik daar toch niet helemaal gerust op. Ik ben (met ds. R. H. M. de Jonge) bevreesd, dat we daarmee de kerk gaan opsplitsen in tweeën, in vierende en lerende gemeenten.
Ik zou aan de raad willen vragen te bevorderen, dat in de eredienst van de gemeente lering en viering beide en in een goede samenhang tot hun recht komen.
In het huidige dienstboek-in-ontwerp is ook een orde voor de viering van het Heilig Avondmaal opgenomen waarin ruime aandacht is gegeven aan het element van de viering. Maar de Synode heeft dat indertijd slechts aanvaard nadat ook in deze orde een duidelijk onderwijzend element was opgenomen. Ik stel de synode voor daar ook nu aan te blijven vasthouden. (…)
Ik ben erg dankbaar, dat ds. v. d. Velden met zoveel nadruk heeft gezegd, dat de taal van de liturgie moet zijn op de hoogte en in de diepte van de bijbelse taal.
Maar ik moet zeggen, dat ik het niet als bijbelse taal herken als we Jezus gaan belijden als een
‘onvergetelijke mens, die alles heeft volbracht wat menselijk is: ons leven, onze dood, –' die 'zich met hart en ziel gegeven heeft aan deze wereld' (blz. 46 en 97).
Op de gezamenlijke vergadering van de beide synoden is uitgesproken dat de rechtvaardiging van de goddeloze het 'te bewaken hart van de prediking' is. Maar wat moet ik in het licht daarvan met de belijdenis van Jezus
'hij is in ons midden geweest
als de minste der mensen,
voor wie het vanzelf sprak,
dat Hij zou aanvullen wat wij te weinig doen' (blz. 107).
In de reformatorische avondmaalsviering is veel aandacht gegeven aan het avondmaal als versterking van het persoonlijk geloof; met name Calvijn heeft dat sterk geaccentueerd. We horen dat doorklinken in het klassieke avondmaasformulier, waar de mens bemoedigd wordt, die dagelijks met de zwakheid van zijn geloof te strijden heeft. In 'Onze Hulp' klinken deze noties niet meer door. Elk vermaan in deze richting ontbreekt ook. We horen wel van het geloof
'dat ons is doorgegeven van vader op zoon, van hand tot hand' (blz. 114),
dus van de geloofstraditie en overlevering, maar er is zo weinig sprake van het geloof in zijn persoonlijke, existentiële zin.
Ik betreur het, dat het moment van de heiliging van het leven en van de tucht aver het leven, die toch ook door en rond het Heilig Avondmaal geoefend wordt, in de voorgestelde orden van dienst ontbreekt. Prof. A. F. N. Lekkerkkerker heeft indertijd gezegd, dat dit een bij uitstek reformatorisch moment in de avondmaalsviering is, wat niet mag ontbreken.
Toen het dienstboek-in-ontwerp verscheen, werd daarin benadrukt de verwachting als een wezenlijk moment in de viering. Men meende, niet geheel zonder grond, dat dit element in het klassieke formulier teveel op de achtergrond was gebleven. Het is dan ook een goede zaak als in orde IV van het huidige dienstboek wordt beleden, dat 'we met groot verlangen uitzien naar de wederkomst van Christus en naar de bruiloft van het Lam in de volkomenheid van Zijn Rijk'. Ik heb me afgevraagd hoe dit in de voorgestelde orden functioneert. Inderdaad komen daar ook telkens de woorden van de inzetting voor 'totdat Hij komt', door de gemeente beantwoord met Maranatha.
Maar als we dan vragen hoe die toekomstverwachting wordt ingevuld hoor ik:
‘zodat Uw lieve aarde bewoond wordt
in vrede en vreugde, vandaag en alle dagen en tot in eeuwigheid' (blz. 33).
Ik vraag me af of daarin de bijbelse verwachting op verantwoorde wijze verwoord wordt. Samenvattend moet ik zeggen, dat ik met het belijdend karakter van 'Onze Hulp' grote moeite heb. Het lijkt me, dat 'de viering' eerst maar eens in 'de lering' moet bij het belijden der kerk.
Ten aanzien van het nieuwe gezamenlijke dienstboek, waaraan gewerkt wordt zou ik tenslotte aan de Raad willen verzoeken te overwegen om in het klassieke avondmaalsformulier, dat daarin ook zal worden opgenomen, aan de zogenaamde 'zonden-catalogus' een nieuwe redaktie te geven.
Indertijd is, volkomen terecht, een wijziging aangebracht in het formulier voor de bevestiging van diakenen. Dat lijkt me ook in het avondmaalsformulier geboden. Voor zover mij bekend heeft men in ons land nergens meer te kampen met de zonde van het 'zegenen van vee, mitsgaders die aan zulke zegening geloof schenken'.
Ik wil u hierbij een voorstel tot wijziging ter hand stellen, zoals dat door onze kerkeraad in Harmelen indertijd is besproken en aanvaard:
‘Wij vermanen hen die zich met de volgende zonden besmet weten zich van de tafel des Heren te onthouden, en verkondigen hen dat ze geen deel in het rijk van Christus hebben, te weten
alle afgodendienaars,
allen die zich een beeld van God maken,
allen die het Woord van God en Zijn heilige sacramenten verachten,
allen die de Naam van God lasteren en misbruiken,
allen die tweedracht zaaien in de kerk en in ons volk, die weigeren gezag te aanvaarden in kerk en samenleving,
allen die in haat en nijd tegen hun naaste leven,
allen die lichtvaardig hun woord breken, die het leven, door God geschonken, verachten, die het huwelijk moedwillig in gevaar brengen, van zichzelf of van anderen,
allen die zich aan verslaving overgeven,
allen die in de ban zijn van geld en bezit,
allen die van het genot hun God maken.
Deze allen, zolang zij zich niet bekeren en in zulke zonden blijven, zullen zich van deze spijze… onthouden.'
Aldus vastgesteld en aanvaard door de
kerkeraad der hervormde gemeente te
Harmelen, in februari 1979.
Het lijkt me wel gewenst in deze zaak met name hen te betrekken, die van dit formulier geregeld gebruik maken. (…)'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's