Hulpverlening (1)
Medemenselijkheid
Barmhartigheid
In de beide vorige artikelen ging ik in op de aspecten van voorbede, getuigenis en vergeving. Het vierde aspect is stellig niet het minst belangrijke, nl. de barmhartigheid die we om Christus' wil bewijzen aan de ander. Het grote Nederlandse woordenboek van Van Dale omschrijft het Woord 'barmhartigheid' met: gezindheid van medelijden, mededogen te hebben'. De barmhartigheid lijkt vooral iets innerlijks, iets gevoelsmatigs. In de Bijbel is gezindheid echter nooit iets wat op zich zelf staat. De gezindheid uit zich in de konkrete daad. De barmhartige Samaritaan bewijst metterdaad barmhartigheid aan de getroffene. 'Zoals de vergeving de reactie van God en zijn kinderen is op de schuld, zo is de barmhartigheid het op de nood' (Berkhof, De Mens onderweg, blz. 111).
De Schrift doet ons de Heere kennen als een barmhartig, helpend God Die omziet naar allen die geen helper hebben, naar mensen die vastgelopen zijn in konfliktsituaties, die niet meer gezond kunnen funktioneren in de samenleving. De arme, de vreemdeling, de wees, de weduwe, de zieke, de dove, de blinde, de verlamde, de mens in doodsnood, de mens aan de zelfkant…, zij allen zijn in Ouden Nieuw Testament voorwerp van Gods barmhartigheid. En die God die zijn barmhartigheid openbaart in Jezus Christus vraagt ook van ons barmhartigheid te bewijzen, te helpen waar geen helper is.
In de Zaligsprekingen horen we Christus zeggen: Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden (Matth. 5 : 7). Waar God zijn koningsheerschappij gaat oprichten, geschiedt barmhartigheid.
Aan dit betoon van barmhartigheid zijn de kinderen van het Koninkrijk te herkennen (vgl. Matth. 9 : 13; Jac. 2 : 13). En dit betoon van barmhartigheid is dan geen goedgunstigheid, die we aan de dag leggen als het ons schikt. Nee, zoals de Heere in het Verbond der genade zichzelf verplicht tot barmhartigheid, zo roept Hij ook ons er toe. Barmhartigheid en gerechtigheid hangen dan ook nauw samen. De God van Israël laat het recht van armen en verdrukten gelden, zegt Psalm 146.
Ik noemde hierboven een aantal categorieën naar wie de barmhartigheid zich in de Schrift uitstrekt. In de geschiedenis kunnen verschuivingen optreden, in die zin dat mensen, die in de bijbelse tijd geen helper hadden, nu het voorrecht kennen, dat overheid of maatschappij zich bekommeren om hun nood en in hun levensonderhoud voorzien. Toch moeten we daarom niet denken dat onze samenleving aan barmhartigheid geen behoefte zou hebben.
Ook in de best georganiseerde samenleving is de hulpeloze te vinden. Zeker in de harde massamaatschappij van onze tijd, waar ieder de mond vol heeft van gerechtigheid en het recht niettemin struikelt op de straten. Berkhof typeert de barmhartigheid als de ontferming over hen wier geschrei in staat en samenleving niet of nog niet gehoord wordt (a.w., blz. 112). Telkens weer zal het front verschuiven: de werklozen, de joden, de zigeuners, de gevangenen, de politieke gevangenen, de daklozen, de vluchtelingen op botert en in kampen, de zwervers, de verslaafden, de eenzamen!
Hier ligt voor de beoefening van het christelijk dienstbetoon ook in een verzorgingsstaat een wijd terrein, waarop ze in woord en daad getuigen mag van de barmhartigheid van God in Christus voor ons mens-zijn.
Christenen en humanisten
Nu stuiten we op het verschijnsel dat niet alleen christenen, maar ook humanisten op allerlei wijze pogen te voorzien in de noden van hen die geen helper hebben. Ons bezwaar tegen de humanistische levensvisie mag ons er niet toe brengen dit daadwerkelijk hulpbetoon te minimaliseren ofte ontkennen. Sterker nog: We zullen eerlijk en ootmoedig moeten erkennen dat in menig geval humanisten taken aangevat hebben die christenen niet zagen of lieten liggen.
Er zullen ongetwijfeld terreinen zijn, waar in konkreet hulpbetoon een stuk samenwerking kan zijn tussen christenen en niet-christenen. Ik denk b.v. aan de zorg voor vluchtelingen, politieke gevangenen, opvang van achteruitgestelde groepen, vreemdelingen enz. Wij zien dan ook hoe dat soms op wereldniveau, maar ook landelijk en provinciaal gestalte krijgt.
Toch zullen we, zonder die verschillen breed uit te meten, er oog voor moeten hebben dat er verschillen bestaan tussen christelijke en humanistische naastenliefde en betoon van barmhartigheid. Om misverstand te voorkomen: We moeten dan niet in een onheilige competitie en competentiestrijd de christelijke naastenliefde gaan vergelijken met de betoning van barmhartigheid door humanisten. Wij moeten beiden toetsen aan het Woord van God. Ik zie dan op drie punten verschillen:
a: Vooreerst is daar het verschil in visie op de mens. De christen weet uit Gods Woord dat de diepste nood van elk mens de verstoorde relatie tot God is en dat alle barmhartigheidsbetoon die aan die nood voorbijgaat voorlopig is, en in wezen oppervlakkig blijft. De humanist erkent wel allerlei kwalen waaraan mens en maatschappij laboreren, maar weigert te erkennen dat de mens door zijn schuld verdorven is voor God, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad,
b: Daarmee hangt dan ook het tweede verschil samen. In de christelijke naastenliefde staat de konkrete betoning van barmhartigheid niet los van de drie andere aspecten die ik noemde: de voorbede, het getuigenis en de vergeving. Hoe zou dat ook kunnen daar we toch belijden dat Gods barmhartigheid ten diepste en voor alles daarin bestaat dat Hij om Christus' wil onze schuld vergeeft en ons tot zijn kinderen maakt die Hem in liefde mogen dienen. Dan zijn we pas waarlijk geholpen als we levend uit de vergeving in zijn wegen mogen wandelen en gericht zijn op de eeuwige toekomst in Zijn Rijk.
In het humanisme kent men het getuigenis en de voorbede niet, en evenmin de vergeving zoals het Evangelie daarvan spreekt, zodat de barmhartigheid het een en het al wordt in de liefdesbetoning. Maar barmhartigheid, losgemaakt uit het verband met de andere drie aspecten heeft dan toch een andere inhoud,
c: Niet alleen de inhoud ook de bron waaruit wij putten voor ons handelen, is verschillend. De humanist zal de roeping tot hulp zien als een gebod dat uit de mens voortvloeit en dat hij ook op eigen kracht kan volbrengen. De christen weet dat het God is die ons roept tot hulpbetoon en die daartoe ons omschept en vernieuwt door Zijn Geest opdat we, tegen de natuurlijke neiging in, helpen gaan waar geen helper is.
Daarom geldt ook voor de hulpverlening het woord van Christus uit Johannes 15: Zonder Mij kunt ge niets doen. En daarom zijn we aangewezen op de gaven en krachten van Gods Geest om in woord en daad te helpen. De christenenhulpverlener zal dan ook vanuit die gemeenschap met Christus dit christelijk hulpbetoon tnogen leren en beoefenen in de gemeente van Christus en vandaaruit in de samenleving. Hij zal alleen maar waarlijk helpen kunnen in het geloof. Het is vanuit Gods Woord gezien ondenkbaar dat de hulpverlener in zijn hulpbetoon het geloof buiten werking stelt en puur technisch-vakmatig bezig is. Zullen we in de verwrongen en vaak uitzichtloze levenssituaties helpend en dienend present kunnen zijn dan zullen we dit werk biddend moeten doen. Dan zullen we ook de zondagse eredienst als krachtbron voor ons werk, voor het helpen in evangelisch licht niet kunnen missen. Want daar mogen we de noden en kwalen van mens en samenleving brengen voor het aangezicht van God die barmhartig is en zeer genadig. Daar mogen we toegerust worden met het Evangelie van Gods barmhartigheid in Christus.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's