Getuigend leerlingschap
Gesprek met Israël
Met de invoering van de nieuwe kerkorde in 1951 werd ook een artikel opgenomen over de verhouding van 'Kerk en Israël'. Gekozen werd voor een nieuwe houding tegenover het Joodse volk, namelijk die van het 'gesprek met Israël' in plaats van 'zending onder Israël'. Grondliggende gedachte hierbij was, dat God Zijn Verbond met Israël niet had opgezegd. Kerk en Israël zijn samen – zo was de gedachte – door het ene Verbond Gods omsloten en daarom is de kerk niet uit vrije keuze maar 'van-huis-uit' met Israël verbonden.
In de loop der jaren is steeds de vraag aan de orde geweest wat we, sprekend als kerk, als nieuw-testamentische gemeente dan wel bedoelen met dit gesprek. De zaak van de verhouding Kerk en Israël is nu opnieuw in de synode besproken, aan de hand van een nota, getiteld 'Getuigend leerlingschap', met daarbij voorstellen tot wijziging van het kerkordeartikel dat over de verhouding van kerk en Israël handelt.
Uit de nota citeren we:
‘Wij hebben gezocht naar een formulering, die duidelijker doet uitkomen, dat men niet eerst af gedacht van Israël het wezen der kerk kan bepalen om dan daarna de verhouding van deze kerk tot het joodse volk te omschrijven. Deze verhouding is niet een moment, zij het dan het eerste, in het apostolaat der kerk. Het is veeleer zo, dat de gemeente, omdat zij en voorzover zij in Israël is ingelijfd, deelt in de roeping en verkiezing Israëls en dientengevolge apostolair in de wereld staat. Israël is gesteld tot een licht voor de volkeren; dat de roeping dat te zijn veelszins is verduisterd neemt niet weg dat deze roeping onberouwelijk is. In zijn trouw aan de beloften, die aan de vaderen zijn geschonken, heeft God zijn eigen Zoon gesteld als een licht 'tot openbaring voor de heidenen' (Luc. 2 : 32). Door het geloof in Jezus de Messias mogen de volkeren in deze roeping delen: daarmede nemen zij niet de roeping van Israël over, maar zij nemen die veeleer waar. God heeft blijkens Romeinen 11 niet de edele olijfboom Israël uitgegroeid uitgeroeid een nieuwe in plaats daarvan geplant. Hij heeft juist wilde loten daarin geënt, zodat zij aan de saprijke wortel van de edele olijf deel gekregen hebben.
Als heidenen zich daarop gaan beroepen ten koste van de weggebroken takken, zegt Paulus: 'Wees niet hoogmoedig, maar vrees'. Het wegbreken van onnut gebleken takken is zeker een pijnlijke en ingrijpende operatie, maar het is geen definitieve handeling. 'Want indien gij uit den wilden olijf, waartoe gij naar Uw natuur behoort, weggekapt en tegen Uw natuur op den edelen olijf geënt zijt, hoeveel temeer zullen dezen naar hun natuur op hun eigen olijf geënt worden' (Rom. 11 : 24). Men lette op de nadruk, die daar valt op het: 'hoeveel te meer', 'naar hun natuur' en 'op hun eigen olijf'. Het is een aangrijpend beeld, dat midden in alle discontinuïteit, op de breuklijn van een nieuwe inzet in het handelen Gods met de wereld, de continuïteit van roeping en belofte bewaart. Daarom is het niet geheel juist in het verband van het apostolaat te spreken van de verwachting der kerk van het Koninkrijk Gods, alsof deze verwachting een exclusief kenmerk van de kerk zou zijn.
Juist de belijdenis van het Koninkrijk Gods moet het besef wekken dat het gaat over een verwachting, die in Israël is gewekt en die in onnaspeurlijke trouw nog altijd Israëls verwachting mag zijn. Als de kerk hierin haar verbondenheid met Israël zou miskennen, zou dat een usurpatie zijn, die de hoogmoed verraadt waarvoor Paulus waarschuwt.'
Intussen is wel duidelijk, dat de aanvaarding van Jezus als de Messias hèt punt is tussen de kerk en Israël.
De nota zegt daarover:
‘Als het Messiasschap van Jezus aan de orde komt, komt alles aan de orde. Het gaat niet om de geïsoleerde vraag of Jezus wel dan niet de Messias is, maar om de consequenties die dat heeft voor ons zicht op de hele werkelijkheid, op de geschiedenis en de bestemming daarvan, op de plaats van de mens en zijn gemeenschap in de wereld, op de schepping, op de saecrisatie, op onze taak en roeping in het licht van het komende Koninkrijk. Als Joden het gesprek over Jezus de Messias afweren, maar wel willen spreken over vragen van leven en samenleven, van verantwoordelijkheid voor de ander en over de omgang met de natuur, over de gerechtigheid in de politiek en de omgang met de machten denken sommige christenen ten onrechte dat zij dan van het eigenlijke gespreksthema naar oneigenlijke vragen worden afgeleid. Misschien is het voor christenen wel heilzaam om juist bij die bredere verbanden te worden bepaald om zo tot 'klaarder inzicht' te komen in wat het inhoudt om Jezus de Messias en de komst van Zijn Koninkrijk te belijden en zichzelf te verstaan als messiaanse gemeente in de wereld. In het getuigenis van de Heilige Schrift in Oud en Nieuw Testament lichten deze brede verbanden op en worden wij weggeroepen van een versmalde Jezusbelijdenis, die boven het feitelijke leven zweeft.'
Om de wederkerigheid in de ontmoeting met Israël te onderstrepen is nu gekozen voor de uitdrukking 'getuigend leerlingschap'. De kerk is in de ontmoeting met Israël zowel leerling als getuige.
Voorgesteld is nu de volgende formulering in de kerkorde:
1. Als Christus-belijdende geloofsgemeenschap, gesteld in de wereld om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen, vervult de Kerk, delend in Israëls verwachting van het Koninkrijk Gods haar apostolische opdracht in het bijzonder in haar gesprek met Israël.
2. (nieuw) De Kerk zoekt het gesprek met Israël, opdat het voor Israël en de Kerk beide tot grotere klaarheid moge komen inzake het getuigenis der Heilige Schrift, dat Jezus de Christus is.'
Uit de discussie
Op de synode kreeg één en ander een diepgaande discussie. We laten hier enige synodestemmen volgen.
Oud. J. Haeck (Hoevelaken: 'Ik 'Ik stel voor art. VIII, 2, te wijzigen: De kerk zoekt het gesprek met Israël om hun uit de Schrift te betuigen dat Jezus de Christus is.
Temeer omdat dit artikel in het kader van het apostolaat staat en een wijziging zeker consequenties zal hebben t.a.v. de zending waar in bepaalde sectoren het getuigenis van Christus niet of nauwelijks een plaats vindt. Denk b.v. de benadering van moslims.'
Oud. J. Kuiken (Maassluis), wilde meer met een 'witz', een grap met Israël omgaan, omdat daar één van de kenmerkende dingen van de Joden ligt.
Mevrouw dr. C. Rozemond (Waalse gemeenten) wilde meer duidelijkheid over het getuigenis aan Israël vanuit de Heilige Schrift, met name t.a.v. de Messias.
Prof. dr. H. Berkhof hield een fundamenteel betoog. In welke context – zo vroeg hij – komt deze kerkordewijziging tot stand? De kerkorde van 1951 had ten aanzien van de verhouding van kerk en Israël een triumfalistische trek. Er klinkt een kwasi-rijkdom in door, die ons in de afgelopen dertig jaar is afgenomen. We willen nu van het triumfantelijke aangaande Israël kennelijk af. Er is nu een identiteits-onzekerheid van de kerk in het gesprek met Israël. Er is daarom nu geen overmoed meer maar bevangenheid. Hopelijk gaat het nu toe – zo wenste hij – naar een situatie van meer ònbevangenheid, vrijheid en on-triumfantelijkheid, om zó de Naam van Jezus Christus te noemen als 'verbinding èn scheiding met Israël'. Hij noemde intussen de formulering in de kerkorde, waarin gezegd wordt, dat de kerk het gesprek met Israël zoekt 'opdat het voor de Israël en de Kerk beide tot grotere klaarheid moge komen… dat Jezus de Christus is', een slag in de lucht. 'Is er bij de joden dan al klaarheid omtrent het messiasschap van Jezus?' Anders behoeft er toch niet van grotere klaarheid gesproken te worden?
Ds. C. H. Krijger, voorzitter van de 'Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël', ging in de beantwoording van de synodale sprekers in op het 'getuigend leerlingschap'. We moeten – zo zei hij – weer leren luisteren om opnieuw wat in deze wereld te kunnen zeggen. Dat luisteren van de kerk kan niet buiten Israël om. Uit het Nieuwe Testament blijkt, dat Israël door verkiezing een vreemdeling is onder de volkeren. Als Israël komt tot 'de volheid' zal dàt het heil van de volkeren zijn. Dat relativeert onze kerkelijke opdracht. 'Oegstgeest' (waar de zending is gehuisvest, v. d. G) – zo zei hij – is een tijdelijke onderneming. Daarom is een gesprek tussen de 'Raad voor de Zending' en de 'Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël' nodig.
Dr. S. Gerssen, secretaris van de 'Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël', stelde dat de opstellers van het nieuwe kerkorde-artikel gedacht hebben aan 'fundamentalistisch vuur zonder belangstelling voor het volk (Israël) als zodanig'.
Hij ging óók in op een vraag van prof. dr. H. Berkhof ten aanzien van een formulering in één van de ordinantiën, dat het gesprek met Israël dient te worden gevoerd met zowel 'woordvoerders van zijn traditie uit het verleden', als met hen 'die in het heden tot dit volk behoren'. Is dat dan een gesprek met doden en met levenden, had prof. Berkhof gevraagd. Gerssen merkte op, dat beoogd was een gesprek met 'de traditie'. Kun je echter, met de traditie in gepsrek zijn?
Ds. P. van den Heuvel (Harmelen) vroeg – in tweede ronde – nog of we 'spreken over Jezus buiten het Rijk om' vervangen kunnen over 'spreken over het Rijk buiten Jezus om'.
Ds. G. H. Cassuto (Bilthoven), zelf Jood en deel uitmakend van de Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël, ging in op wat door iemand gezegd was over het 'neen van Israël, dat geklonken had vóór het christelijke 'ja' ten aanzien van Jezus. Hij stelde dat het 'ja' van Israël ten aanzien van Christus éérder geklonken had en het 'neen' pas later. Het 'neen' klonk later wèl steeds sterker en het 'ja' steeds zwakker.
Gezien de vele kritische noties, die op het onderwerp van het nieuwe kerkordeartikel in de synode werden gemaakt, besloot de synode dit artikel nu nog niet aan te nemen maar de commissie van ontwerp eerst het 'huiswerk' te laten meenemen. Het gaat hier om fundamentele punten betreffende een onderwerp, dat zeer weerbarstig is. Het gaat om de plaats van Jezus, die de kerk belijdt als de Messias die gekómen is en die de Jood als zodanig niet aanvaardt.
Daarom staat de formulering in het voorgestelde kerkordeartikel, dat de kerk het gesprek met Israël zoekt 'opdat het voor Israël en de kerk beide tot grotere klaarheid moge komen inzake het getuigenis der Heilige Schrift dat Jezus de Christus is', terecht ter discussie.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's