De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

15 minuten leestijd

Het ontslag van de heer J. D. Pronk als leraar godsdienst aan het chr. lyceum te Katwijk in verband met diens lidmaatschap van de C.P.N. heeft al heel wat pennen in beweging gebracht. Die discussie is opnieuw ontbrand naar aanleiding van een door prof. Verkuyl geschreven Cahier voor de Unie School en Evangelie, getiteld 'Er zijn grenzen'. In dit cahier trekt Verkuyl een aantal lijnen door die hij in zijn enkele jaren geleden gepubliceerde boek over het Marxisme al aanwees. Verkuyl acht het lidmaatschap van een atheïstische partij als de CPN onverenigbaar met het leraar zijn op een christelijke school en de dienst aan het prot. chr. onderwijs. In het uitstekend geredigeerde Bulletin van de Unie School en Evangelie (najaar 1979) zijn een aantal reacties pro en contra dit Uniecahier gebundeld. Op enkele daarvan willen we hier ingaan en enkele scribenten dan ook het woord geven. Vooraf wil ik opmerken dat de Unie een prijzenswaardige tolerantie aan de dag legt door ook diegenen die op dit punt het Uniebeleid, afkeuren volledig te laten uitspreken. Ik zie dat in bladen van communistische zijde nog niet gebeuren. En zeker niet in de totalitaire communistische staten. Dat zouden diegenen die zo begaan zijn met het lot van Pronk en zo vergoelijkend plegen te schrijven over de communisten toch eens in alle nuchterheid moeten bedenken.

Waar ligt de grens?
Dat is de vraag die prof. dr. F. O. van Gennep stelt. Z.i. is de vraag of Pronk leraar kan blijven afhankelijk van de vraag of hij de beginselverklaring van de school kan onderschrijven en of hij voldoet als leraar. Omdat er op die punten hem geen klachten bekend zijn, acht hij het ontslag fout. Het bestuur heeft zich z.i. ten onrechte een oordeel aangematigd inzake Pronk's loyaliteit aan de Messias. Ook dr. Wissink gaat in op de de vraag naar de verenigbaarheid. Ook Wissink wil de vraag naar het lidmaatschap van een politieke partij, ook de CPN, ondergeschikt maken aan die andere vraag: Hoe is iemands praxis? Handelt hij als christen? Dan is er z.i. nog een ander gezichtspunt:

de historie leert hoe men na de Tweede Wereldoorlog met doorbraakchristenen, meestal van hervormde huize, in de maag zat, die niet naar het openbaar onderwijs overstapten maar wel doordacht het christelijk onderwijs trouw bleven. Ook in de Partij van de Arbeid zat dat helemaal niet lekker. Aan het eind van de zestiger en in het begin van de zeventiger jaren werden dergelijke problemen toegespitst toen niet onbelangrijke delen van de gereformeerde jeugd het confessionele politieke erf verlieten en met groot gemak overstapten naar de PPR onder aanvoering van Bas de Gaay Fortman, zelf onbetwist degelijk gereformeerd, soms ook naar de PvdA of naar de PSP. Jonge gereformeerde onderwijzers en leraren die er niet over peinsden om met de AR ook het christelijke onderwijs vaarwel te zeggen. Radicale politieke denkbeelden kwamen zo christelijke scholen binnen en zetten het fijne weefsel van samenhang politiek-onderwijs onder hevige spanning. De problematiek is venijniger van aard geworden doordat delen van de protestants-christelijke jeugd, vooral onder de zogeheten intelligentia van HBO en WO (ook met name aan de VU en in Kampen??), ontvankelijk bleken voor neo­-marxistische ideeën en geraakt door revolutionaire bewegingen in de derde wereld. Op de sociale faculteiten en academies en op het terrein van opvoeding, vorming en onderwijs werden deze ideeën vaak versterkt en de emoties gevoed door de Frankfurter Schule. Voor zover deze intelligentia ging werken in het protestants-christelijke onderwijs, betekende dit niet minder dan dynamiet leggen onder gevestigde verhoudingen. Het is niet toevallig dat in deze zelfde periode de roep om protestants-christelijke lerarenopleidingen te stichten van duidelijke signatuur en protestants beroepsonderwijs op tertiair niveau harder klonk dan ooit. Zelfs mensen uit christelijk-historische kring waar men kritisch stond tegenover christelijk onderwijs aan jong-volwassenen en tegenover gesloten christelijke circuits van wieg tot graf, deden, verontrust door de wending der tijden, daaraan mee. De christelijke school zou immers van binnenuit ondergraven kunnen worden! De onevenredig heftige reacties in kringen van het protestants-christelijke over nota bene twee ontmaskerde CPN-ers kan ik slechts verklaren in het licht van deze historische gang van zaken. Deze twee beleefde men niet als een incident maar als een symptoom van een bedenkelijke ontwikkeling die de halsslagader van het christelijk onderwijs doorsnijdt! Ik vind het een ernstig tekort van Verkuyls Cahier en van de verklaring van de Nederlands Protestants Christelijke Schoolraad dat in beide geen woord wordt gerept over dit grote kader van de verhouding van politiek-onderwijs waarvan dat hele gedoe rond die twee CPN-ers slechts een heel klein onderdeel is. Deze hele vervlechting van onderwijs en politiek in de typische Nederlandse verhoudingen zullen weer onderwerp van gesprek dienen te zijn in een gedachten wisseling. Het is voor mij helemaal niet vanzelfsprekend dat die eenzijdige binding van, christelijk onderwijs aan confessionele partijen, christelijke scholen ten goede komt. Het zou wel eens gemakkelijker kunnen worden geloofsovertuiging en politieke overtuiging in hun relatie tot de inhoud en vorm van onderwijsleerprocessen te beschouwen zonder zulke historisch gelijkte bindingen.

Het punt dat m.i. in de op Verkuyl en het schoolbestuur uitgebrachte kritiek verzwegen wordt is de kwestie naar het recht van het bestuur om de grondslag en doelstelling te handhaven en daarop een beleid af te stemmen. Het gaat er niet om of Pronk zelf zijn lidmaatschap meent te kunnen verenigen met zijn geloof, maar veelmeer om de vraag of dat te combineren is met een lidmaatschap aan een school die een duidelijke confessionele, prot. chr. identiteit heeft. Men kan natuurlijk aan het begrip 'christen' een zodanige vage vulling geven dat het hart van het belijden er uitgesneden wordt. Maar is dit legitiem? En Wissink's betoog raakt maar niet de vervlechting van politiek en onderwijs, maar de gehele waardering van de doorbraak.

Een onoorbare vraag?
In de artikelen komen steeds weer twee vragen ter sprake: a) In hoeverre is Pronk's keuze voor de CPN een principiële keuze voor de ideologie van het Marxisme, dan wel ingegeven door een legitieme aandacht voor de verworpenen en armen? b) Hoe hebben we de CPN te taxeren vergeleken met de praktijken in de Oostbloklanden?
Naar mijn mening gaan allerlei auteurs dan erg ver om de ideologie van het communisme zo onschuldig mogelijk voor te stellen, als of bij Marx' atheïsme alleen maar een strijd zou zijn tegen een onbijbels Godsbeeld, waar we eigenlijk dankbaar voor zouden moeten zijn. Voorts vind ik het naïef een lidmaatschap voor de CPN als een alleen maar praktische beslissing uit te leggen. Praktijk en theorie kan men zo niet scheiden. Bovendien doet men keuzes. Wie voor de CPN kiest, kiest voor een partij die in het kielzog van Moskou vaart. En voorts suggereren dergelijke vertogen dat alleen zij die voor een socialistische of communistische partij kiezen daarmee opkomen voor de gerechtigheid.
Maar hoe zit het met de vraag aan de CPN om zelfkritiek? In een antwoord aan dr. J. A. Montsma schrijft ds. L. Ringnalda:

Maar waarom komen ze dan zo moeilijk aan zelfkritiek toe en kritiek op Rusland? De partijbonzen bakken daar de zaken zo mogelijk (benadrukt door mij, L.R.) toch nog bruiner dan hier, zo zegt Montsma. Hij wijt dit dan aan een oppervlakkig zondebesef: het grote kwaad zit in een bepaald stelsel! Wie overigens het boek van Verkuyl leest krijgt dezelfde indruk en Verkuyl kun je toch niet van een oppervlakkig zondebesef betichten. De werkelijke oorzaak zit dan ook ergens anders. Hun ervaring is dat elke (zelf)kritiek op Rusland hier direct gebruikt wordt als een bewijs van westers gelijk. Als er nu sprake was van twee gelijkwaardige grootmachten, dan snijdt dit argument geen hout. Maar het is gewoon niet waar dat het hier om twee gelijkwaardige machten gaat, waar je dus op gelijke wijze dingen van vragen kunt. Wij in het westen kunnen het ons permitteren om zelfkritiek te hebben, want wij zijn rijk en machtig, onze arm reikt over heel de wereld (nog wel). Vrijheid rust op economische gronden. Zodra immers ook maar even een economische crisis dreigt, daar smelten onze vrijheden als sneeuw voor de zon. Ze zijn brtrekkelijk, op zandgrond gebouwd. Niet voor niets wordt er gezegd: om werkelijk vrij te zijn… etc.
We moeten dan ook durend gedencen dat Rusland jaarar en dag in een economische crisis heeft geleefd en door de bewapening – bewust! – in die crisis gehouden wordt. Wie de geschiedenis en het heden kent, weet dat Rusland al tweemaal daadwérkelijk onder de voet gelopen is door ons, door het westen. Wanneer was Rusland ooit hier? Hij weet dat Amerika niet maar dreigt met atoombommen, maar er werkelijk al twee gegooid heeft op weerloze mensen en dit zonder militaire noodzaak! Hij weet dat er een ring van westerse wapenen en Amerikaanse bases om Rusland is heen gelegd tot vlak onder diens grenzen toe (Turkije b.v.) en om dan moord en brand te schreeuwen over Cuba is de hypocrisie ten top. Hij weet van de plannen van Churchill in 1945 om via de Dardanellen meteen maar door te stoten en het probleem Rusland te endlösen, dat in de 50-er jaren er serieus gedacht is in Amerika om Rusland met een atoombom uit te schakelen en dat nu weer dezelfde stemmen klinken, al is het wat gedempter omdat het nu niet zo makkelijk meer gaat: je gaat er dan zelf ook aan! Het kwaad zit inderdaad niet in een stelsel maar in ons eigen goddeloze hart, van vriend en vijand!
Deze uitweiding had ik nodig om aan te tonen hoe onoorbaar de vraag is aan communisten in Nederland om (zelf)kritiek te oefenen, waar wij die zelfkritiek tot nu toe alleen maar met lege woorden beoefenen. Onze vrijheid van spreken, van godsdienst en van handelen, is de vrijheid van het lege huis in de bijbel waarin, omdat het leeg was, zeven boze geesten kwamen, erger dan de eerste. Het is niet eerlijk om de CPN-ers, die in Nederland niet als volle staatsburgers erkend worden (het Friesch Dagblad van 28-7-'79 vindt het 'vanzelfsprekend' dat dit – ik citeer – 'in tal van functies zowel in de publieke als in de particuliere sector' zo toe gaat), te vragen dat zij iets doen wat wij alleen maar met ijdele woorden doen. Hier passen zij voor want dit is te goedkoop. Als er gelijke rechten waren (en die zijn er niet, communisten zijn in Nederland tweederangsburgers, dat moeten we ons niet ontveinzen), dan mag je ook van gelijke rechten spreken (zelfkritiek en zo), nu ecliter m.i. niet. We hebben dat recht en de vrijheid verspeeld. Maar het is nog niet te laat.

Men wrijft zijn ogen uit bij een dergelijke weergave van de geschiedenis. Op die manier kan men elke kritiek neutraliseren. Stellig is het waar dat er vanuit het Bijbels getuigenis een kritisch oordeel gaat over de wijze waarop wij onze vrijheden misbruiken, maar dat zelfde Bijbelse getuigenis stelt ook elk totalitair regiem en politieke partij die daarvoor kiest onder kritiek. Het gaat niet om westers of oosters gelijk. Het gaat om de eerbiediging van Gods rechten. Daarvoor is in door het communisme beheerste staten geen ruimte.
Ik ben het geheel eens met drs. H. G. Leigh als hij in een artikel over het wezen van de dialoog klaagt over de onduidelijkheid van de CPN in Nederland en dan de volgende vragen stelt:

Hoe ziet de CPN de 'dictatuur van het proletariaat'? In de zin van een tijdelijke, ja, zéér tijdelijke overgangsfase, in de zin van de democratie van de 'meerderheid', zoals Marx dat kennelijk heeft bedoeld? Of in de heel andere zin die daaraan in Sowjet-Rusland door het partijbestuur is gegeven? Staat de CPN achter de tekening van Stalin, die in 1969 door haar erelid Paul de Groot werd gegeven? En wel achter deze woorden: 'De beoordeling van de figuur van Stalin is… een toetssteen, die uitwijst of men leninist is of niet. Of men leninist is met de mond of met de daad. Stalins politiek was het socialisme in de praktijk, niet foutloos, niet ideaal, geen model voor de hele wereld. Maar ze was de enig mogelijke in de gegeven omstandigheden in Rusland…'?

Heeft de CPN definitief deze toetssteen veroordeeld? Een partij verliest onvermijdelijk zijn geloofwaardigheid, als men wel de misdaden van anderen, maar niet van zijn partijgenoten elders in de wereld veroordeelt. Waar is de CPN, als er duidelijke staaltjes van onrecht in de communistische wereld worden gesignaleerd? En kan een christelijke school mensen als docent aanvaarden, die dit minder erg zouden vinden? Christen-zijn betekent toch strijd tegen alle zonde en ongerechtigheid, tegen élke discriminatie en tegen élk systeem van arrestaties en doodvonnissen vanwege een andere overtuiging?
Wat wij zouden willen is dat marxisten eens duidelijk maken wat hun marxisme werkelijk is, in hoeverre zij Marx en Lenin wel of niet meer navolgen. Want dat de CPN zich over haar grondslagen nog steeds glashelder en voor geen andere uitleg vatbaar uitspreekt, is moeilijk te beweren. Het Nederlandse communisme is méér dan alleen een emancipatiebeweging.Waarin zit dat meer? Wij weten het, de CPN noemt zich de partij van het arbeidsproletariaat. Wij weten ook dat ze de laatste jaren steeds meer heeft gemikt op de studerende jeugd en dat niet zonder succes; al beweren wij bepaald niet dat elke studentenactie gestimuleerd is door de CPN.
En de christelijke scholen dan? Wanneer die weigeren leden van deze partij aan te stellen, of zelfs tot ontslag of niet-herbenoeming overgaan, schreeuwen sommigen moord en brand. Ook de CPN zelf. Maar wat wil men dan? Wil de CPN door middel van bepaalde leden, die op christelijke scholen zouden willen lesgeven, die christelijke scholen dienen? Het lijkt dat de bedoeling even anders is. In 'Onderwijs in beweging' (Amsterdam, 1978) wordt van 'marxistische' zijde verklaard dat 'de oude scheidslijnen tussen openbaar en bijzonder onderwijs van binnen uit dienen te worden opengebroken.' Van binnen uit!
Is het niet zo, dat iedereen, ook christenen het grondwettelijk recht hebben eigen scholen op te richten en naar eigen overtuiging in te richten? Die christenen hebben ook het recht te weren hen die naar eigen overtuiging niet op hun school thuis horen. Ja – hoe ongelooflijk het in sommiger oren zal klinken – zij mogen zelfs alle geëigende maatregelen nemen teneinde pogingen om 'van binnen uit' deze vrijheid te doorbreken of uit te hollen radicaal te weerstaan.

En de anderen?
Het gaat niet om de vraag of het boekje van Verkuyl van a. tot z. onderschreven kan worden. Het is mogelijk dat bepaalde al te persoonlijk getinte passages beter niet geschreven hadden kunnen worden omdat ze een handvat geven aan kritici. Maar de vraag is of de teneur van Verkuyl's betoog er naast is. Ik meen dat we de Amsterdamse hoogleraar dankbaar mogen zijn voor zijn duidelijke stellingname. Hij schrijft in zijn Weerwoord:

Het gaat wel om de taak en identiteit van het christelijk onderwijs.
Ik acht het een zegen, dat er in ons land volop de mogelijkheid bestaat tot het oprichten en onderhouden van christelijke scholen.
Op de dag van de herdenking van het Volkspetitionnement in Apeldoorn op 17 augustus 1978 heb ik de dank- en bidstond mogen leiden, die daarvoor belegd was en nu, na 100 jaar, ben ik nog steeds onzegbaar dankbaar voor de mogelijkheden om via het christelijk onderwijs Gods beloften en eisen over te dragen van geslacht tot geslacht.
In het christelijk onderwijs gaat het primair om de leerlingen. Het merkwaardige is, dat in vele reacties op mijn Cahier alle aandacht valt op de leerkrachten. Maar scholen worden opgericht voor de leerlingen. Zij bevinden zich als kinderen of in de adolescentie-periode in de pedagogische situatie. De pedagogische situatie is een situatie van grote gevoeligheid en kwetsbaarheid. Kinderen en jonge mensen die een christelijke school betreden, hebben er recht op, dat de leerkrachten bereid en in staat zijn om als hun oudere kameraden de feiten, stromingen, religieuze ontwikkelingen, de ideologische bewegingen te beoordelen en te toetsen aan de beloften en eisen van die God, die zich in Jezus Christus openbaart en die door zijn kruis en opstanding de wettige Eigenaar van mensenlevens is om die te bevrijden tot deelgenootschap aan zijn Koninkrijk. Daartoe is nodig dat leerkrachten discipelen van Jezus zijn; dat ze radicaal horig zijn, niet aan de linkse of rechtse ideologieën, maar aan Hem en dat ze met woord en daad, door voorbeeld en levenswandel de liefde van God in Jezus Christus vertolken en de liefde tot God en de naaste, die de grondwet van het Messiaanse Rijk is, aanbevelen en aanmoedigen.
Daarom gaat het in dit Cahier.
En vanuit die invalshoek komt dan de vraag aan de orde of het lidmaatschap van de CPN of welke variant ook van de communistische wereldbeweging verenigbaar is met een functie bij het christelijk onderwijs.

Naar mijn overtuiging is dit lidmaatschap onverenigbaar met het chr. onderwijs en doen besturen er goed aan om de hen gegeven grondwettelijke vrijheid om scholen in te richten naar eigen overtuiging zich niet te laten ontfutselen. Wel dient erkend te worden dat de kritiek zich niet eenzijdig zal mogen richten op hen die marxist of communist zijn. Het is evenzeer een ernstige zaak die onverenigbaar is met de dienst aan het christelijk onderwijs, wanneer onderwijskrachten benoemd worden die zich gedistantieerd kerkelijk opstellen, of er openlijk blijk van geven dat zij allerminst uit overtuiging het christelijk onderwijs willen dienen. Hoe moeilijk het ook is, ook hier zullen we waakzaam hebben te zijn. Juist terwille van de kinderen. Niet uit onverdraagzaamheid, maar wel uit liefde voor de zaak. En de zaak van het christelijk onderwijs in een geseculariseerde wereld is van een dusdanig belang dat we niet kunnen toelaten dat die C van binnenuit wordt uitgehold.

A. Noordegraaf, Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1979

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1979

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's