Een tussentijdse situatieschets
‘Samen-op-Weg’
Bijgaand stuk is ontstaan na breedvoerig beraad binnen het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond naar aanleiding van de recente ontwikkelingen van 'Samen op Weg'. Op de aanstaande vergadering van predikanten van de Gereformeerde Bond, welke op 3 januari in Zeist gehouden wordt, hoopt ds. C. den Boer over hetzelfde thema te spreken, waarbij hij een theologische fundering geeft van ons kerkelijk standpunt. Deze lezing zal ook geheel in ons blad worden afgedrukt. Bijgaand stuk en de lezing van ds. C. den Boer, die ook in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond is besproken, willen samen de bezinning ten aanzien van Samen op Weg dienen.
Op de gecombineerde vergadering van de synodes van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, die in oktober in Lunteren werd gehouden, is 'Samen-op-Weg', de beweging naar éénwording van deze beide kerken, kennelijk in een nieuwe fase gekomen. Op het eerste gezicht lijkt het alsof een flinke doorbraak in de richting van de eenwording is bereikt. Niet in het minst hebben daarbij in de persberichten zinnen de aandacht getrokken als: 'Gereformeerde Bond doet mee met Samen-op-Weg' of 'Gereformeerde Bond is óm'. Afgezien van de vraag of alle persberichten dienaangaande wel correct waren kan men zich afvragen op grond waarvan men tot zo'n ongenuanceerd oordeel komt. De afzonderlijke synodeleden, die tot de Gereformeerde Bond behoren bijvoorbeeld, vertegenwoordigen in de synode niet de Gereformeerde Bond maar hun classicale vergaderingen. En individuele stemmen in persorganen kunnen niet op naam van de Gereformeerde Bond als zodanig worden geschreven.
In het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond is intussen de nieuwe ontwikkeling in 'Samen-op-Weg' een zaak geweest van breed en diepgaand overleg. In het hiervolgende willen we allereerst een schets geven van de stand van zaken met betrekking tot het proces van éénwording der beide kerken en het spanningsveld in de overwegingen en discussies aangeven, waarna we een tussentijdse evaluatie geven met het oog op de huidige ontwikkelingen.
Stand van zaken
'Samen-op-Weg' is nu ongeveer 17 jaar aan orde en aan de gang. De laatste jaren vinden regelmatig gecombineerde vergaderingen plaats van de synodes der beide kerken. Op het plaatselijk vlak zijn er gemeenten – ongeveer honderd – waar reeds in federatief verband nauw wordt samengewerkt. In veel andere gemeenten is er meer of minder vergaande samenwerking. Er zijn ook gemeenten waar nauwelijks of geen samenwerking is. Voor de Nederlandse Hervormde Kerk geldt dat in hoofdzaak vrijzinnige gemeenten en gemeenten van gereformeerde signatuur. In 1973 is door beide synodes ingesteld een 'Raad van Deputaten 'Samen-op-Weg' met als secretaris de gereformeerde ds. B. J. Aalbers. Deze raad beschikt thans over vier werkgroepen, t.w. de Werkgroep Samenwerking Plaatselijk Vlak, de Werkgroep Kernen van Belijden, de Werkgroep Kerkordelijke Aangelegenheden en de Werkgroep Organisatie en Financiën.
Verslagen van de werkzaamheden van deze werkgroepen dienden voor de discussies op de laatstgehouden gecombineerde synode. De werkgroep Kernen van Belijden presenteerde voor deze vergadering een uitvoerig werkstuk, waarin het gaat over de volgende onderwerpen: 'de kerk in de reformatorische belijdenis', 'historische analyse van de beleving van het kerk-zijn in de Ned. Hervormde Kerk', 'idem van de Gereformeerde Kerken in Nederland', 'hervormde en gereformeerde ecclesiologie in het heden', 'de kerk, bijbels-theologisch gezien' en 'de kerk van de nabije toekomst'.
Van deze werkgroep Kernen van Belijden maken van hervormde zijde deel uit prof. dr. A. Geense (Groningen), prof. dr. C. Graafland (Gouda), dr. H. W. de Knijff (Utrecht), dr. S. Meyers (Leiden) en dr. L. G. Wagenaar (Overveen); van gereformeerde zijde ds. J. C. Baumfalk (Soest), prof. dr. G. P. Hartvelt (Kampen), dr. B. Wentsel ('s-Gravenhage), dr. H. B. Weyland (Lunteren) en – als gast – dr. J. M. Vlijm (Leiden). Ook de inmiddels overleden heer B. Roolvink maakte deel uit van deze werkgroep.
Op de nu gehouden gecombineerde synodevergadering is met grote eenstemmigheid een groot aantal aanbevelingen en voorstellen van de onderscheiden werkgroepen aangenomen, die inhouden dat de bezinning op het streven van 'Samen-op-Weg' voortgang moet vinden. In 1982 worden dan de resultaten van de voortgaande bezinning opnieuw op een gecombineerde vergadering van de synodes aan de orde gesteld.
Fiat voor 'Samen-op-Weg'?
De kernvraag waarom het nu gaat – en dat willen we met de spanningsvelden, die hier liggen, in het volgende verwoorden – is of van hervormd-gereformeerde zijde in de synode fiat gegeven is aan 'Samen-op-Weg' óf aan de voortgaande bezinning van 'Samen-op-Weg'. Ongetwijfeld is het laatste het geval en niet het eerste. En wat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond betreft: in 1976 werd een verklaring uitgegeven, waarvan de slotconclusie was, gezien de feitelijke toestand in beide kerken als het gaat om het functioneren van de belijdenis: 'in zo'n situatie, en wij zeggen het met leedwezen en bewogenheid maar ook in zorg om het belijden der kerk, kunnen wij de nu nagestreefde eenwording niet begeren'.
Deze uitspraak was gebaseerd op een aantal klemmende overwegingen, die we hier nog eens herhalen.
'Dat wat door een gereformeerde kerk beleden wordt ten aanzien van het gezag van de Heilige Schrift, de goddelijke verkiezing en verwerping, het particuliere van de genade wordt niet zelden óf aangevochten óf geheel weggelaten (…)
Het aanvechten van fundamentele stukken van de leer is verder birinen de Gereformeerde Kerken ook in zo sterke mate aanwezig, dat wij menen dat het samengaan van de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk het hele kerkelijke leven in een nieuwe stroomversnelling trekken zal, die bepaald wordt door de zich snel voltrekkende veranderingen binnen de Gereformeerde Kerken. Wij zien helaas de vrijzinnigheid in oude en nieuwe vormen tevoorschijn komen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en in toenemende mate ook aan de Theologische Hogeschool te Kampen, niet zelden gedragen door een militant en activistisch bezig zijn van de (uit)dragers ervan (…)
Het blijkt meer en meer dat nu in de Gereformeerde Kerken dezelfde beginselen worden gehuldigd als die in de vorige eeuw dominerend waren in de Nederlandse Hervormde Kerk en die mede de oorzaak waren van Afscheiding en Doleantie. Intussen wordt de prediking binnen de Gereformeerde Kerken sterk beïnvloed door deze nieuwe theologiebeoefening en ook blijkt deze vaak sterk beheerst te zijn door de geest des tijds. Het gereformeerde element daarin is zeer gering of ontbreekt vaak geheel. Vele, vooral jongere predikanten in de Gereformeerde Kerken zijn overgegaan op de politieke prediking met haar sterk maatschappij-kritische instelling, waarbij zij niet zelden marxistische ideeën op de kansel brengen en aldus het evangelie prijs geven voor een ideologie (…)
Een éénwording van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, zoals die op dit moment wordt nagestreefd, zal dan ook zeker niet betekenen een versterking van de prediking naar Schrift en Belijdenis, die door ons van harte wordt voorgestaan (…)'
Ten aanzien van deze punten, met de genoemde slotconclusie, is onder ons geen wijziging van inzicht en conclusie gekomen. Maar wél staan we thans voor de vraag van positiekeuze in het verdergaande gebeuren van 'Samen-op-Weg'. De ontwikkeling lijkt ons namelijk onomkeerbaar. Vroeg of laat komt het tot ingrijpende beslissingen. Laat men ervan doordrongen zijn, dat dit alle gemeenten aangaat. Op de gezamenlijke synodevergadering werd een voorstel om uit te spreken dat er geen kerk-scheidende kwesties tussen hervormden en gereformeerden meer liggen weliswaar nog duidelijk van de hand gewezen. Zó ver is 'Samen-op-Weg' dus kennelijk nog niet. De vraag is op dit moment nog: waar gaat het héén, naar welke kerk gaat het toe? Maar tijdens deze bezinning komt voor ons als hervormd-gereformeerden de vraag op óf en zo ja hoe wij als hervormd-gereformeerden in de beoogde kerk van de toekomst een plaats kunnen hebben.
De vraag is met name waarheen de bezinning binnen de werkgroep 'Kernen van Belijden' leiden zal. Wat zal de plaats én de functie van de belijdenis zijn in de kerk die er komt als beide kerken samengaan? Momenteel wordt weliswaar gesproken over het 'te bewaken hart van de prediking' en wordt de belijdenis – met daarin bijvoorbeeld de reformatorische notie van 'de rechtvaardiging van de goddeloze' – als uitgangspunt genomen voor voortgaand 'actualiserend belijden'. Maar zal dit 'actualiserend belijden' naar de belijdenis zijn? En zal aan de 'rechtvaardiging van de goddeloze' een bijbelse uitleg worden gegeven?
Er is de laatste tijd vanuit hervormd-gereformeerde kring in verscheidenheid over de verdere bezinning in 'Samen-op-Weg' gesproken. Dat zal ook niet in het minst samenhangen met het feit, dat momenteel nog onduidelijk is naar welke kerk het toegaat en welke plaats de belijdenis daarin heeft. De belijdenisgeschriften, ons gegeven vanuit de Reformatie, zijn voor ons allen onopgeefbaar omdat zij naar de Schrift zijn. En zo zijn zij voor ons bepalend voor de theologiebeoefening en voor de prediking. En de zorg onder ons is, dat in het 'actualiserend belijden' de reformatorische erfenis wordt prijsgegeven. Algemeen is in hervormd-gereformeerde kring de opvatting dat, als deze belijdenis wordt losgelaten in een vage conceptie van een 'evangelische kerk', participatie in 'Samen-op-Weg' is uitgesloten.
Maar – en dat is de andere kant van de zaak – moeten we de ontwikkelingen naar zulk een nieuwe kerk doen plaats vinden zonder onze inbreng? Of moeten wij kunnen zeggen, dat, als zulk een nieuwe kerk een feit wordt, wij als hervormd-gereformeerden er alles aan hebben gedaan om daar, waar de bezinning gevoerd werd, voor het recht der confessie, als spreekregel voor de kerk, te zijn opgekomen en duidelijk te hebben gemaakt wat voor ons de religie van deze belijdenis is en waarom wij die belijdenis en haar religie voor de kerk onmisbaar achten?
Een andere positie?
De vraag wordt intussen telkens wel gesteld – en ligt ook voor de hand – of de plaats van de Gereformeerde Bond in een nieuwe kerk, waarin de functie van de belijdenis onduidelijk of aangevochten is, wezenlijk zou verschillen van de plaats die hij nu inneemt in de Nederlandse Hervormde Kerk. Die plaats is nu toch óók al, met betrekking tot het functioneren van de belijdenis, moeilijk?
Men kan dan tegenwerpen dat die positie nog moeilijker zal worden. Er zal een schaalvergroting van problemen ontstaan. We gaan een kleinere minderheid vormen. De gereformeerden zijn verder nogal koplopers, actief in het organiseren, zodat vele hervormden – en dan niet alléén hervormd-gereformeerden – een fobie, een vrees voor de gereformeerden hebben.
Maar dit alles mag geen doorslaggevende rol spelen. Het gaat ons niet om de positie van een groep in de kerk, maar om de kérk zelf. Het gaat niet om een kerk, waarin een groep óók een plaats kan innemen, maar – en dat heeft de hervormd-gereformeerden immer voor ogen gestaan – het gaat om de vraag wat de kérk belijdt. Zo bezien heeft elke verzwakking van het belijdende karakter van de kerk, in de zin van de belijdenis, onze zorg en hebben wij steeds ontwikkelingen in die richting duidelijk bestreden, waaronder ook 'Samen-op-Weg'.
En als wij dan nu als gereformeerden in de Nederlandse Hervormde Kerk erbij moeten zijn als het gaat om 'actualiserend belijden' dan kunnen wij dit alleen maar vanuit datgene wat beleden is. Om dat belijden, om die belijdenis gaat het voor en in de hele kerk.
Hier keert zich intussen de spits ook naar eigen (hervormd-gereformeerde) kring. Wij kunnen als hervormd-gereformeerden immers ook al te gemakkelijk verleerd hebben te lijden aan de gehele kerk, tevreden zijnde met een positie, die we thans in de Hervormde Kerk verworven hebben. En met ons steeds terugkerend beroep op de belijdenis der kerk behoeft het nog met zo te zijn dat de belijdenis onder ons zelf in de volle breedte en diepte functioneert en onbekrompen en ondubbelzinnig wordt gehanteerd. Maar dit te erkennen sluit een opkomen voor het recht der confessie niet uit maar in.
In gesprekken op kerkeraadsniveau, als die er komen zullen, zal dan ook blijken wat onze geestelijke spankracht is in de ontmoeting met de ander. Zullen we het wezenlijke van de gereformeerde belijdenis ook werkelijk ter tafel kunnen brengen?
Tussentijdse evaluatie
We besluiten, na het signaleren van de vragen en problemen, die er ten aanzien van 'Samen-op-Weg' liggen, met een aantal puntsgewijze overwegingen en conclusies.
I. De hervormd-gereformeerden hebben door de jaren heen de weg van Afscheiding en Doleantie afgewezen met een beroep op het Verbond Gods. God houdt Zijn trouw tot in duizend geslachten. Op grond van die trouw is men trouw gebleven aan 'de kerk der vaderen', óók toen afgescheidenen en dolerenden heen gingen en aan anderen de strijd om het recht van de belijdenis in de Nederlandse Hervormde Kerk overlieten of zelfs hen het recht betwistten die strijd dáár te voeren.
De vraag is of nu deze 'kerk der vaderen' zich van hen zal afkeren nu beide kerken, die ooit om de belijdenis uiteen gingen, niet om dezelfde belijdenis samen komen? En zullen zij, die om de belijdenis heengingen, thans eerder een verzwakking betekenen als het gaat om kerk-zijn naar de belijdenis dan een versterking? Wij willen hierbij overigens niet over het hoofd zien, dat er in de Gereformeerde Kerken ook zijn, die lijden aan het functieverlies van de belijdenis en de vervlakking in de prediking.
Bovendien rijst de vraag wat de volgende fase zal zijn van de nu in gang gezette beweging. Dat in het kader van 'Samen-op-Weg' thans zo bewust gekozen is voor de formulering 'Una Cathohca Sancta' voor de kerk, laat het beeld van een bredere oecumenische kerk oprijzen, waarvoor de huidige Raad van Kerken in Nederland een voortrekkersfunctie heeft. Dan ligt een gereformeerde kerk, in continuïteit met de Reformatie vér achter ons.
II. Als de nieuwe 'gefuseerde' kerk de gereformeerde belijdenis en kerkorde zou hebben losgelaten, geraken wij als hervormd-gereformeerden in grote gewetensnood. Zij is dan immers geen gereformeerde kerk meer. Al te goed weten wij hoe de invoering van de reglementenbundel van 1816 het gereformeerd karakter van onze kerk, alsook het gezag van de belijdenis heeft aangetast. Enerzijds willen wij niet verloochenen al die jaren, dat wij sinds de Doleantie (1886) en de Afscheiding (1834) de Nederlandse Hervormde Kerk, ondanks haar verval, zijn trouw gebleven. Anderzijds pijnigt ons de vraag, hoe wij als gereformeerde christenen zouden kunnen leven en werken in een kerk, die duidelijk niet meer staat in de traditie van de Reformatie.
III. Op het plaatselijk vlak zal de samenwerking moeilijk, geheel niet of nauwelijks op gang komen. We verstaan elkaars prediking in het geheel genomen niet (meer) al valt hier niet te generaliseren. De leer van de veronderstelde wedergeboorte, gepaard aan een optimistische cultuurvisie vanuit de opvattingen omtrent de algemene genade in de Gereformeerde Kerken, hebben in het verleden belemmerend gewerkt om elkaar onder de prediking als gereformeerden en hervormd-gereformeerden te vinden. Nu deze elementen binnen de Gereformeerde Kerken bovendien een modernistisch-theologische onderbouw hebben gekregen (of is het slechts een consequent dóórdenken van de oude leer?) is de kloof veel breder nog en dieper geworden. Daarom is de samenwerking op het plaatselijk vlak sterker tussen gereformeerden en hen, die behoren tot deelgemeenten van midden-orthodoxe signatuur in de Hervormde Kerk, dan tussen gereformeerden en hervórmd-gereformeerden.
Er zijn ook ingrijpende verschillen in de inrichting van de eredienst wat betreft de liturgie en bijvoorbeeld met betrekking tot de aanvaarding van het ambt voor de vrouw. In dit opzicht hebben de Gereformeerde Kerken door de jaren heen gevolgd de ontwikkelingen die zich in het niet-gereformeerde deel van de Hervormde Kerk al eerder voordeden.
We zijn ernstig verontrust over de vervlakking in de prediking binnen de Gereformeerde Kerken. Ook al is deze vervlakking voor sommige leden van de Gereformeerde Kerken reden om zich te begeven onder de gereformeerde prediking in de Hervormde Kerk, is dit laatste toch niet als motief te gebruiken vóór het samengaan van beide kerken. De kerk is namelijk niet wat individuen willen maar wordt bepaald door wat zij in haar geheel belijdt.
IV. Als wij thans meegenomen worden in de beweging 'Samen-op-Weg', dan betekent dit dat wij daarin onze positie naar Schrift en Belijdenis hebben te bepalen. Het zal voor de eigen verantwoordelijkheid der kerkeraden liggen om gesprekken aan te gaan waar die gevraagd worden. Bepalend voor het gehalte van de kerkeraden zal het zijn hóé en waarover zulke gesprekken zullen plaats vinden. Daarbij zullen dan wel aan de orde moeten komen de dogmata, de leerstukken der kerk, bijvoorbeeld terzake van het gezag van de Heilige Schrift, de heilsfeiten, het genade-karakter van het heil, rechtvaardiging en heiliging, het werk van de Heilige Geest in de levendmaking van zondaren en in de versterking van het geloof, de sacramenten en het functioneren daarvan, alsook de bevinding of de bijbelse spiritualiteit, kortom de vragen die het wezen van het kerk-zijn bepalen en niet over randverschijnselen.
Zulke gesprekken over en weer zullen een toets blijken te zijn van wat gereformeerd zijn naar de belijdenis waard is.
Conclusie
Samenvattend moeten wij zeggen, dat wij intussen geen reden hebben om op de conclusie van 1976 terug te komen: vanwege de zorg om het belijden kunnen we de huidige samenwerking niet begeren. Dat betekent evenwel niet dat we ons aan de bezinning kunnen onttrekken. Wanneer het spoor van de belijdenis geheel verlaten zou zijn rijst wel de vraag: wat dan? Daaromtrent geven we niet bij voorbaat een program. We weten niet hoe de Heere Zijn kerk verder leiden zal. Wel weten wij – en daarmee zijn we getroost en bemoedigd – dat Hij gezegd heeft: Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.
Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1979
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1979
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's