De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geloof en gevoel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geloof en gevoel

11 minuten leestijd

Nijkerkse beroeringen
Toen zich in het midden van de 18e eeuw te Nijkerk op de Veluwe en elders in ons land, een godsdienstige opwekking voordeed, speelden zich daarbij hartroerende tonelen af. Onder de prediking van Gerard Kuypers, destijds predikant te Nijkerk, kwam het tot een uitbarsting van allerlei emoties. Er waren hoorders en vooral hoorderessen die stuiptrekkend op de grond vielen. Men hoorde anderen luidkeels hun zonden bejammeren. Het huis van de predikant en trouwens ook dat van zijn collega, Johannes Jacobus Roldanus, was dagelijks gevuld met mensen die om hun pastoraat verlegen waren. Zo geladen was de situatie dat men sprekend over deze gebeurtenissen de naam 'Nijkerkse beroeringen' heeft bedacht. (Zie D. Nauta, Gerard Kuypers, in: Opera Minora, Kampen 1961).
Opwekkingsbewegingen, réveils, zijn vaak met deze en dergelijke verschijnselen gepaard gegaan. Opwekkingspredikers deden vaak een krachtig appèl op het gevoel van hun hoorders. Dat was al zo bij de laat-middeleeuwse boetepredikers. Het was ook zo bij een deel der puriteinen in Engeland; in mindere mate bij de mannen van de Nadere Reformatie in Nederland. Het was zo bij de Methodisten. Het was zo bij de talrijke opwekkingsbewegingen in Amerika. En het is heden nog wel zo in opwekkingsbewegingen.
Dat gevoel is dan in de eerste plaats een gevoel van zonde en schuld. De opwekkingspredikers zijn vaak – hoewel niet altijd – boetepredikers. Dat was een Savonarola, aan het einde der middeleeuwen in Italië. Dat was de bekende franciscaner pater Brugmans die ongeveer in diezelfde tijd in Nederland werkzaam was. Dat was Geert Groote. Dat was, om iemand anders uit later tijd te noemen, Jonathan Edwards in Nieuw Engeland.
Zij predikten in eerste instantie de Wet, met al haar dreiging voor de zondaren en goddelozen. Ook Kuypers te Nijkerk heeft dat gedaan. In de late middeleeuwen dreef men de boetelingen in het klooster. Na de Reformatie van de 16e eeuw deden protestantse opwekkingspredikers dat uiteraard niet meer. Maar wel wekten zij op tot een heilig leven, zij het ook na eerst te hebben vermaand tot het vragen om vergiffenis van zonden in het bloed van Jezus Christus.

Emotioneel
Men zou kunnen zeggen dat in deze opwekkingsbewegingen het geloof een sterk emotioneel karakter draagt. Zo zelfs dat het gevoel het kenmerk van het ware is. Men moet zijn zonden hebben gevoeld, en niet zo weinig, en anders is men niet bekeerd. Men moet de vreugde in Gods heil in ruime mate ervaren, gevoelen en anders is er geen troost. Het geloof wordt sterk gevoelsmatig beleefd.
Nu zijn er echter groepen in de christenheid waar eerder het tegenovergestelde wordt gevonden. Waar het gevoel min of meer van het geloof is uitgesloten. Wij denken aan kringen waar men vuurbang is voor alle mystiek, en zelfs voor alle bevinding, voor alle ervaring van het geloof.
Terwijl er in de opwekkingsbewegingen het gevaar is dat men het gevoel voor het geloof gaat aanzien en de grond van het geloof in de mens zelf in zijn ervaringen gaat leggen, is aan de andere kant, waar men zo bang is voor alle geloofservaring, het gevaar groot, dat men het geloof te koud en te rationalistisch waardeert en beleeft. In dat laatste geval dreigt het geloof te degraderen tot een enkel en alleen maar voor waar houden, nl. een voor waar houden van het Woord en de beloften Gods.

Het geloven is dan een louter intellectuele bezigheid. Men kent en hoort de beloften Gods en neemt deze aan, men eigent zich deze beloften toe, maar dat gaat teveel buiten het hart om. Daarom kost het ook geen strijd, men komt er gemakkelijk mee klaar. Het léven ontbreekt er aan. En omdat het leven er aan ontbreekt, daarom ook het gevoel. Want waar leven is, daar is ook gevoel. Waar een levend geloof is, daar is het een beleefd geloof, een geloof dat zijn ervaringen heeft, ook zijn gevoelservaringen.
Als wij in de Schrift nagaan hoe ef gesproken wordt over het geestelijke leven der gelovigen dan bemerken wij dat het gevoel daar bepaald niet buiten staat, dat dit leven zijn ervaringen kent.
Hoe hartstochtelijk zijn vaak niet de gebeden van de gelovigen in de Schrift. Men leze eens het gebed van Daniël in Daniël 9. Daar hoort men een gelovig man op een uiterst gevoelige wijze zijn God aanroepen en Hem smeken om Zijn heil. In dat gebed ontbreekt ook niet het gevoel van zonde en schuld. Hetzelfde vindt men bij Jeremia in zijn Klaagliederen. En in ettelijke Psalmen. Er is in de Psalmen enerzijds het hartelijk leedwezen over de zonde, een gevoelig betreuren van de zonde; er is in diezelfde Psalmen anderzijds een hartelijke vreugde in God en zijn heil.

Geloof en liefde
Het mag ons ook niet ontgaan, dat in de Schrift het geloof vaak heel direkt verbonden wordt met de liefde. En de liefde is naar haar aard gevoelig. De liefde tot God en de liefde tot Christus zijn een hartelijke liefde.

De zondaren die tot Jezus kwamen, kwamen met gevoel van hun zonden, en zij waren opgetogen en verrukt wanneer hun zonden werden weggenomen. Nergens in de Schrift is het geloof alleen maar een redelijke werkzaamheid, een puur intellectuele aangelegenheid, een alleen maar voor waar houden. De beloften Gods zijn in geen enkel opzicht te vergelijken met de akten van een notaris die men accepteert zonder innerlijke bewogenheid.
Dat is de reden waarom wij in de Schrift en vooral in de Psalmen, zelfs het woord 'tranen' zo vaak tegenkomen. Tranen van droefheid en tranen van vreugde. Het ware geloof kent intense droefheid, het kent ook intense blijdschap. Het ware geloof is een levend geloof, het heeft gevoel.
Wij vinden in de Schrift de waarschuwing tegen het dode geloof. Vooral Jacobus heeft in zijn Brief daarover gesproken. Een dood geloof is bij hem een geloof dat geen vruchten draagt, het geloof dat te vergelijken is bij een dorre boom, met kale takken. Een dood geloof is een geloof zonder werken. Met evenveel recht kan men zeggen: zonder liefde. En dus: een geloof zonder gevoel, zonder ervaringen, zonder bevinding. Zulk een geloof kan ons niet behouden, zegt Jacobus.

Buiten de mens
Intussen, hoezeer wij ook zullen moeten benadrukken dat een waar geloof een lévend geloof is, dat zijn ervaringen, ook gevoelservaringen heeft, wij zullen nimmer vergeten mogen dat het geloof naar zijn aard niet gericht is op die ervaringen maar op de beloften Gods. De grond van het geloof ligt niet in de mens maar buiten de mens. De zekerheid van het geloof rust niet in menselijke ervaringen, die altijd iets wisselvalligs behouden, maar in de vastheid en betrouwbaarheid van God zelf in zijn Woord en beloften.
Wij mogen geloof en gevoel niet vereenzelvigen, het gevoel is een kwalificatie van het geloof; men kan ook wel zeggen: een vrucht van het geloof. Het is zeker nodig dit te onderstrepen. Een zekere religieuze gevoeligheid wordt soms aangezien voor christelijk geloof. Die gevoeligheid is dan gewoonlijk onbepaald, niet definieerbaar, heeft in elk geval weinig inhoud.
De vraag kan gesteld worden of niet ieder mens een zekere religieuze gevoeligheid heeft. Niet ieder zal dat toegeven. Men kan deze gevoeligheid ook verdringen. Maar daarmee is nog niet bewezen dat zij er niet is.
En toch zijn niet alle mensen christenen. Het geloof der christenen is iets anders dan deze algemeen menselijke religieuze gevoeligheid. Het geloof der christenen heeft een duidelijk 'object'. Het is gericht op God, Zijn Woord, Zijn beloften. Er zit in dit geloof een kenniselement. Jezus zei in zijn hogepriesterlijk gebed: Dit is het eeuwige leven dat zij u kennen, de enige en waarachtige God en Jezus Christus die Gij gezonden hebt (Joh. 17 : 3). Er zou veel te zeggen zijn over de aard van dit kennen, maar het is in elk geval een kennen. En dat kennis-element van het geloof vinden wij niet alleen hier maar ook op vele andere plaatsen in de Schrift.
De groei van het christelijk geloof wordt daarom mede bepaald door de mate waarin men vordert in de kennis. Het is geen wonder dat in de christelijke kerk altijd zoveel aandacht en zorg besteed is aan het onderwijs. Vooral het onderwijzen van de jongeren, maar toch ook wel van de ouderen. Waarbij dan van alle mogelijke hulpmiddelen gebruik wordt gemaakt. Dat is omdat tot het geloof de 'kennis' behoort, en zonder deze kennis geen waar christelijk geloof mogelijk is.
Het christelijk geloof heeft dus een object, het heeft inhoud; in dit geloof is de kennis onontbeerlijk; en daarin onderscheidt het zich van een algemeen religieus gevoel.
Nauw hiermee verbonden is de stelling dat het naar buiten is gericht. Alle niet-christelijke religie heeft de neiging zich te richten op de mens zelf, op zijn innerlijk, op zijn gevoel, op zijn waarnemingen, op zijn daden en prestaties. Het is zo verwonderlijk niet dat heden de niet-christelijke oosterse religies de moderne wereld in het Westen overspoelen. De ontwikkelingen in het Westen waren er rijp voor geworden. In het Westerse denken was al de mens zelf in het middelpunt van alle aandacht komen te staan. Daar behoefde alleen nog maar een religieus karakter aan gegeven te worden en dat hebben deze oosterse mystieke religies gedaan. Deze religies konden dus enerzijds aansluiten bij de groeiende antropocentrische instelling van de westerse mens en zijn denken, en anderzijds bij het onuitroeibaar religieus besef dat elk mens aangeboren is, en dat ook onder de schors der secularisatie niet verdwenen is.
Het is uitermate hard nodig, vooral met, het oog op de jongeren, dat het hemelsbrede verschil dat er is tussen het christelijk geloof enerzijds en alle oosterse mystiek, met haar innerlijke waarnemingen en bewustzijnsverruimingen, dus met haar gevoel anderzijds, niet verdoezeld wordt.

Enthousiasme
Daarom ligt er op het moment een extra groot gevaar in alle 'enthousiasme', waarmee ik dan bedoel een overdreven gevoelsmatige geloofsbeleving, ook al meent men dat te kunnen herleiden tot het werk van de Geest. Men brengt daarmee de jongeren tot de uiterste grens van het geloof, één stapje verder en ook zij zitten in een of andere oosterse mystieke beweging. De grenzen tussen christelijke opwekkingsbewegingen en andere bewegingen die bepaald niet christelijk zijn, zijn soms uitermate vloeiend.
In de Schrift ontmoeten wij menigmaal de vermaning nuchter te zijn. Christenen zijn niet dronken, zij zijn nuchter. Zij doen er goed aan zich te onthouden van de sterke drank der mystiek, het hoofd koel te houden ook al is het hart warm. Het waren op de Pinksterdag te Jeruzalem de vijanden die van de apostelen zeiden: Zij zijn vol zoete wijn! De apostelen zelf waren zo nuchter dat zij het Woord Gods konden prediken; en Petrus deed dat zelfs heel nuchter, exegetisch verantwoord, hij legde Joël 2 uit.
Wanneer al te ruime teugel wordt gegeven aan het gevoel is er ook het gevaar dat menselijke hartstochten hun kans grijpen. Die hartstochten zijn van dien aard dat zij élke gelegenheid aangrijpen, ook wanneer de mens religieus op een 'toppunt' staat, om zich uit te leven. Bijkans alle opwekkingsbewegingen, geestelijke réveils uit het verleden kunnen ons leren, dat hier grote gevaren liggen. De reine maagd der christelijke religie wordt immer belaagd door een onreine erotiek.
Ook aan het gevoel van zonden en schuld zal men de teugel moeten leggen. In de late middeleeuwen deden zich allerlei excessen voor als gevolg van een overdreven boete-prediking; getuige de beweging van de flagellanten, mensen die zichzelf geselden en meer gekke dingen deden.
Ook tijdens de Nijkerkse beroeringen waar wij het zoeven over hadden, liep het uit de hand.
Mensen zijn soms gelijk blik, zo heet en zo koud. Er is behalve het gevaar van ongewenste wanhoopsverschijnselen ook dat van een tijdelijke opwinding die geen enkele blijvende vrucht oplevert.
Er zijn genoeg mensen geweest die bij tijden hun zonden lagen uit te kermen en na verloop van tijd alles geheel vergeten waren of zelfs kerk en christelijk geloof de rug toekeerden.
De ware droefheid over de zonde is, zoals de Schrift zegt, een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid uitwerkt. De vrucht: de onberouwelijke bekering tot God, is het bewijs dat deze droefheid oprecht was.
Het is niet nodig dat zij luidruchtig is, dat is zelfs niet eens gewenst. De ware droefheid over de zonde is naar haar aard innerlijk, hartelijk. Niemand anders behoeft van haar kennis te nemen dan God alleen. Elk christen mag zijn geheim hebben.
Geloof en gevoel liggen dicht bij elkaar. Toch moeten wij ze wel onderscheiden. Zij hebben beide een eigen recht en een eigen plaats in het ware christelijke leven. Daarbij zal aan het geloof het primaat worden gegeven. Nergens lees ik in de Schrift: Uw gevoel heeft u behouden; maar wél lees ik allerwege in de Schrift: Uw geloof heeft u behouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1979

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Geloof en gevoel

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1979

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's