Kersmis
All is de herbergh voll, all ligt Gods soon in 'thoij,
Myn' ziele mach'er in, en wild'er by vernachten.
Kom, vleeschelicke mensch, de vleesighe gedachten
Zijn heden van verdienst. Daar schreidt wat in dit stroij,
Dat voor ons schreijen will. Daer all het ijdel moij
Van Koninghinnen kraem voor stroij is bij te achten.
Daer light in dese Kribb dat ons geloovigh wachten
Voll-tydelick vervull' en all ons leed verstroij.
God light'er in ons vleesch; God, vaderloos op aerde,
God, moederloos by God; het mede-scheppend Woord;
God, vader van de maeghd die hem ontfing en baerde,
En nu te voete light. En gaet niet voort,
Mijn ziele, maeckt een end van d'ongerijmde Rijmen:
Ons beste seggen waer ootmoedelick beswijmen.
Constantijn Huygens (1596-1687)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's