Opnieuw: God in Nederland (4)
In dit artikel komen opnieuw gegevens uit het onderzoek naar godsdienst en kerkelijkheid, zoals dat werd ingesteld door de KRO en De Tijd, aan de orde. We beginnen met de gegevens over het kerkelijk lidmaatschap.
Kerkelijk lidmaatschap
Lang niet alle mensen, die zich gelovig noemen, zijn aangesloten bij een kerk. Zoals reeds eerder in deze artikelenreeks aan de orde kwam, is 81% van de Nederlanders tijdens de opvoeding met het geloof in aanraking gebracht. Op latere leeftijd komt nog eens 2% van de Nederlanders met godsdienstige vragen in aanraking, zodat we kunnen zeggen dat 83% van onze bevolking door religieuze opvattingen beïnvloed is.
Van deze 83% nu is 42% door de Rooms-Katholieke Kerk beïnvloed tijdens de opvoeding of later, 25% door de Hervormde Kerk, 11% door de Gereformeerde Kerken en 4% door anderen.
Toch heeft deze opvoeding en beïnvloeding lang niet altijd geleid tot een kerkelijk lidmaatschap. Als we aan de Nederlanders vragen of zij akngesloten zijn bij een kerkgenootschap of een godsdienstige groep, dan antwoordt 58% met: ja (in 1966 was dat nog 67%) en 41% met: neen.
Hieruit kunnen wij concluderen dat, terwijl 83% min of meer godsdienstig opgevoed is, slechts 58% wil spreken van enige kerkelijke binding. 25% is dus wel godsdienstig opgevoed, maar bindt zich niet aan enige kerk.
De conclusie van het onderzoek is dat er een toenemende distantie is ten aanzien van het kerkelijk instituut.
In het kerkewerk, met name in het evangelisatiewerk, zullen we hiermee ernstig rekening moeten houden.
Er zijn tal van redenen waarom mensen wel geïnteresseerd zijn in het geloof, maar niet in de kerk. Ik wil er enkele noemen. De kerk zelf is tekortgeschoten. Zij heeft vaak de noden van de mensen niet onderkend. Te weinig ging ze daar op in. Soms gaf de kerk stenen voor brood. De diepste noden van het menselijk hart werden niet gepeild en in de prediking ging men daarop niet in. Anderzijds zijn er onder de mensen vervlakkende invloeden werkzaam waardoor het belijdend karakter van de kerken wordt geschaad. Dan is er vaak meer sprake van religieus besef dan van christelijk geloof. Andere factoren zijn: het complexe karakter van de samenleving; de neiging om te vluchten in de anoniemiteit; de dreiging van het massale; het wegvallen van sociale controle; de toenemende invloed van het moderne denken; de macht en de onmacht van de techniek. En toch blijft dwars door alles heen het menselijk hart en daarmee de hele mens zijn vragen stellen. De invloed van de Bijbel werkt lang na en keert telkens weer terug. De Heere laat mensen niet zo vlug los als wij wel eens denken.
Kerkbezoek
Aan het kerkbezoek kan tot op zekere hoogte worden afgemeten hoe de religieuze praktijk van ons Nederlanders er uit ziet. We moeten er echter wel aan denken dat er naast kerkbezoek meer maatstaven zijn waarmee de graad van meelevendheid met het kerkelijk gebeuren kan worden vastgesteld. Hoeveel mensen luisteren er niet naar godsdienstige uitzendingen via radio en t.v.? Hoeveel mensen zijn niet in staat om naar een kerk te gaan? Ook zijn er - hoe we daarover dan ook denken mogen - mensen bezig met de Bijbel op allerlei terreinen van het leven zonder dikwijls naar de kerk te gaan. Op de vraag of men de afgelopen zondag naar een kerkdienst of een godsdienstige samenkomst geweest was, antwoordde 73% met: neen. In 1966 was dat percentage 56. In 13 jaar tijd dus een achteruitgang in kerkbezoek op een willekeurige zondag van 77%. Thans gaat dus op een willekeurige zondag 27% wel naar de kerk, tegen 44% in 1966. De onderzoekers achten het niet onmogelijk dat het winterweer begin 1979, toen de enquête gehouden werd, enige nadelige invloed heeft gehad. Maar lang niet alles is daardoor te verklaren. Daarna werd ook nog gevraagd of men 'regelmatig', 'soms' of 'hoogst zelden' naar de kerk ging. Regelmatig gaat 34% (in 1966 51%), soms gaat 12% (in 1966 8%) en zelden 17% (in 1966 9%). De conclusie luidt dat regelmatige kerkgang sterk afnam in korte tijd. 37% gaat nooit naar de kerk. Aan deze 37 % is gevraagd of men vroeger wel naar de kerk ging; twee derde antwoordde met ja.
Aan degenen die wel naar de kerk gaan is gevraagd of zij meer of minder dan vroeger gaan. Overwegend gaat men minder.
De oorzaken van niet of minder gaan zijn: geen verplichting meer, niet zo'n behoefte aan, het zegt me niets meer, ouderdom, de kerk is vervlakt.
Radio en televisie '
Van de t.v.-kijkers kijkt 19% regelmatig naar godsdienstige programma's, 25% soms en 24% zelden, terwijl 32% er nooit naar kijkt. Van de radioluisteraars luistert 16% regelmatig, 17% soms, 16% zelden, terwijl 51% nooit luistert naar godsdienstige uitzendingen.
Bijbellezen
Op de vraag: is er een Bijbel (of een Nieuw Testament) aanwezig in uw huis, antwoordde 65% bevestigend (dat is 35% negatief, of wel een derde van de Nederlandse bevolking). Van genoemde 65% las twee vijfde er nooit in, een kwart regelmatig, 14% soms en 21% zelden.
Deze getallen zijn voldoende sprekend en behoeven geen nadere toelichting. Naarmate er minder kennis is vanuit de Bijbel, wordt het christelijk geloof minder belijnd en het religieus besef vager.
Kun je gelovig zijn zonder naar de kerk te gaan?
In 1966 zei 89% van de mensen dat dit inderdaad mogelijk is, thans zegt 91% dat. Deze uitspraak houdt niet in dat men dan ook vindt dat je zonder kerkgang een goed gelovige bent. Men zegt: het kan. En verder niet. Toch geven deze cijfers overduidelijk aan, dat de betekenis van de kerkgang sterk gerelativeerd is.
Ambtsdragers
Eerder werd in deze artikelenserie al opgemerkt dat de waardering voor het werk van de geestelijken achteruit gaat.
38% van onze bevolking vindt dat de geestelijken voor hun taak berekend zijn, in 1966 vond 49% dat. /
39% vindt dat zij ten dele voor hun taak berekend zijn (in 1966:35%). De overigen vinden dat zij weinig of niet voor hun taak berekend zijn. Drie kwart van de mensen vindt dat er geestelijken moeten blijven, al kan men zich soms niet vinden 'in de wijze waarop zij zich gedragen. Van degenen , die vinden dat het geloof geen rol in hun leven speelt, wil toch nog 45% dat er ambtsdragers blijven.
Voorschriften en standpunten van kerken
Ieder merkt dat men zich minder houdt aan kerkelijke voorschriften en standpunten. Menigeen gaét zijn eigen weg. Ook daarvoor zijn weer tal van oorzaken te vinden.
36% vindt dat je je niet altijd aan kerkelijke voorschriften moet houden (tegen 19% in 1966); 36% vindt dat je je altijd aan deze voorschriften moet houden (in 1966, 49%); de.groep die vindt dat je je er nooit aan houden moet, bleef ongeveer gelijE vanaf 1966 tot nu. Men is dus minder dan vroeger geneigd om de leiding van de kerken in hun uitspraken te volgen.
Waarover moet de kerk zich uitspreken?
In de enquête is gevraagd waarover de kerk zich zou moeten uitspreken. De volgende onderwerpen kwamen daarbij aan de orde: de apartheid in Zuid-Afrika 59%, atoombewapening 49%, abortus 47%, godsdienstig gemengd huwelijk 46%, actieve euthanasie 46%, passieve euthanasie 42%, echtscheiding 39%, samenleven zonder getrouwd te zijn 37%, homoseksualiteit 29%, het gebruik van voorbehoedmiddelen 28%.
Moeten de kerken deze zaken volledig afwijzen? 73% vindt dat atoombewapening volledig moet worden afgewezen, 65% apartheidspolitiek, 40% abortus, 38% ongehuwd samenleven.
Volledige aanvaarding van het gemengde huwelijk wil 58%, van voorbehoedmiddelen 45%, van homoseksualiteit 41%.
Uit deze gegevens kunnen wij opmaken waarmee mensen zich zeer uitgesproken bezighouden. We zien dat het hierbij niet alleen gaat om zaken die het persoonlijk leven raken, maar ook die de gehele samenleving aangaan.
In ons werk zullen we om deze interessen van de mensen niet heen kunnen en mogen gaan.
Maatschappelijke organisaties
In 1966 vond 63% van de ondervraagden dat de vakverenigingen niet behoefden uit te gaan van een godsdienstig beginsel, thans is dat percentage gestegen tot 69.
Ongeveer 30% van de Nederlanders boven 17 jaar wil een omroep waarin het godsdienstig beginsel de toon aangeeft, in 1966 was dat ongeveer 40%. Ongeveer 40% wil een politieke partij op confessionele basis, 57% wil dat niet en 4% weet het niet.
Globale cijfers
De cijfers, die ik tot nu toe in deze artikelen heb genoemd, geven een globaal inzicht in de huidige situatie ten aanzien van godsdienst en kerkelijkheid in ons land.
Ze zijn geput uit het boek: 'Onderzoek naar godsdienst en kerkelijkheid', een uitgave van De Tijd in Amsterdam.
Volgende artikelen
In twee artikelen wil ik nog wat nader ingaan op de vraag hoe onder jongeren over godsdienst en kerk wordt gedacht alsook hoe in rooms-katholieke, hervormde en gereformeerde kring hierover meningen leven. Daarna lijkt het mij goed in enkele afsluitende artikelen ons af te vragen wat deze cijfers ons in ons kerkewerk/evangelisatiewerk te zeggen hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's