Samen op weg
Een theologische bezinning
Lezing t.g.v. de contio van GB-predikanten op 3 januari 1980 te Woudschoten, door ds. C. den Boer
I. WAAR STAAN WIJ? ONS KERKELIJK STANDPUNT
II. DE GESCHEIDEN KERKEN VAN HET VERLEDEN (EEN ANALYSE) - DE ÉNE KERK VAN DE TOEKOMST (EEN PROGNOSE)
III. ONZE ROEPING
I. WAAR STAAN WIJ? ONS KERKELIJK STANDPUNT
Van fundamenteel belang met betrekking tot de beweging "Samen op weg" (S.O.W.) en met betrekking tot de vraag wat de G.B. in deze te doen staat, is de vraag naar het kerkzijn in bijbels licht en in het licht van onze belijdenis. Terecht wordt telkens weer de vraag gesteld naar het kerkelijk standpunt van de G.B. Daarom ga ik daar eerst op in. En ik kan dat alleen recht doen in de zojuist omschreven context van Schrift en belijdenis. In het kader van deze lezing is een uitvoerige bijbels-theologische verwerking van de gegevens in het N.T. over de gemeente niet mogelijk. Ook niet een grondige uitleg van de artikelen 27 v.v. van de N.G.B. Ik geef (slechts) een aantal lijnen aan, die m.i. het evenwicht vormen van wat Schrift en belijdenis over de kerk zeggen en waarin de G.B. haar kerkelijke standpuntbepaling steeds heeft gezocht.
1. De tweepoligheid van stad en bruid
Uit de veelheid van bijbelse beelden over de gemeente van Jezus Christus (kahal, ekklesia, gebouw, stenen, bruid van Christus, kudde, ranken (wijnstok), lichaam (leden-Hoofd), pilaar van vastigheid en waarheid, stad op een berg) haal ik om te beginnen twee woorden naar voren, die in de heilige Schrift duidelijk functioneren als twee polen van het gemeentezijn, nl. bruid en stad op een berg. Het diepste geheim van Christus' gemeente ligt verklaard in haar unieke verhouding met de hemelse Bruidegom Christus (ekklesiologie = christologie = een zaak van rechtvaardiging van de goddeloze). Maar juist dit geheim maakt de kerk werfkrachtig. Zo is de kerk er ook voor de wereld (het er voor een (A)ander zijn). Het bruid-en stad-zijn zijn zijn schering en inslag. Dat wil zeggen, dat de gemeente van Christus in haar beleving van haar bruidsverhouding met de Heere in de hemel nooit de naaste op aarde kan vergeten. Wat zij voor zichzelf geniet, dat richt zich op de verheerlijking van Gods Naam en dat gunt zij tegelijk ook de medemens. Een dieper ingroeien in de gemeenschap met Christus, geeft tegelijk sterker banden aan elkaar (Ef. 4 : 12 v.v.) en verlevendigt de ijver om anderen voor Christus te winnen. Omgekeerd kan de gemeente eerst recht werfkrachtig zijn, als ze iets bezit van de gloed, die op Mozes' aangezicht lag, toen hij van de Sinaï (uit de Godsgemeenschap) kwam en die de eerste christenen kenmerkte. Er is echter ook het gevaar van een overaccentuering van het bruid-zijn. Dit kan leiden tot eenkennige, consumptieve vroomheid (de kerk is instituut voor "ziele-zaligheid"; het vroomheidstype is egocentrisch, meer exclusief dan apostolair). Een overaccentuering van het stad-op-de-berg-zijn anderzijds, kan leiden tot een horizontalistische verenging van het kerk-zijn tot activisme, waarbij de kerk weinig meer is dan S.O.S.-station "tot nut van 't algemeen" en het "heil" radicaal veraardst. Voor het bijbels beeldmateriaal verwijs ik naar teksten als: Joh. 3 : 29, Matt. 5 : 13 v.v.. Hand. 2 : 43 V.V., Joh. 10, Joh. 15, 1 Cor. 12 (ook 2 Cor. 11 : 2), Efese 1 : 3 v.v., 2 : 22 v.v., 4 : 14 V.V., 5 : 25 V.V., 1 Petr. 2 : 4 v.v., Openb. 22 : 17. Door de twee genoemde polen (bruid en stad) ten nauwste op elkaar te betrekken (als schering en inslag) blijven we bewaard voor twee verengde kerkvisies: a) een individualistische geïntroverteerde en b) een activistische geëxtraverteerde (de kerk binnenstebuiten). Beide gevaren bedreigen ons.
2. De tweepoligheid van het organisatorische en het organische
De gemeente van Jezus Christus is gegeven met de levende Christus (Joh. 17). Zij is een onzichtbare realiteit. Maar zij treedt toch ook in de zichtbaarheid. Zij krijgt gestalte op twee manieren. In de eerste plaats krijgt zij in haar aardse verschijningsvorm gestalte en structuur door het Woord, de prediking (Woord = ziel van de kerk, Calvijn), de sacramenten, de ambten. Deze zijn de onvervangbare ruggestreng van de kerk. Door deze gaven uit de doorboorde hand van Christus wordt de gemeente geboren en bestaat zij voort. Denk aan Efese 4 : 4 v.v.: én lichaam, één Geest, één Heere, één doop, één God en Vader . . . (sommigen tot apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars). Daarin openbaart zich de kerkvergaderende Christus (de gemeente als congretatio). Zo spreekt ook artikel 27 v.v. van de N.G.B, (men zie vooral artikel 29 over de merktekenen van de ware kerk en de artikelen 30 v.v.: ver de regering van de kerk, de ambten, de kerkorde, de sacramenten). Denk u dit institutaire weg en u houdt de groep over (dopersen, charismatische bewegingen nu). Onze hoogachting voor dit institutaire bewaart ons voor een haastige vlucht uit de (zichtbare) kerk, ook al zijn daar vele dwalingen en al lijkt die kerk haast tot niet gekomen (art. 27 N.G.B.). Daar staat echter tegenover, dat de kerk nog op een andere manier in de zichtbaarheid treedt, nl. in de onderlinge gemeenschap (als coëtus), in dezelfde waarachtige geloofsbetrokkenheid op Woord en sacrament, in een liefdadig opkomen voor elkaar (diakonaat). "Waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn . . . " (Matt. 18 : 20). Het: én Geest, één hoop uwer roeping, één geloof . . . van Efese 4. Het "Ziet, hoe lief zij elkander hebben" van de eerste christengemeente. Deze meer personele lijn van het kerk zijn (met een gemeenschappelijke doorleving van de schatten des heils en een gelovige (h)erkenning van elkaar daarin) vinden we ook in onze belijdenis. "De kerk als vergadering van de ware Christ-gelovigen." (art. 27 N.G.B.) Artikel 29 N.G.B. zegt het zo: "En aangaande degenen, die van de kerk zijn, die kan men kennen uit de merk tekenen der christenen; te weten uit het geloof en wanneer zij, aangenomen hebbende de enige Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet afwijken, noch ter rechter-, noch ter linkerhand, en hun vlees kruisigeh met zijn werken. Alzo nochtans niet, alsof er nog geen grote zwakheid in hen zij; maar zij strijden daartegen door de Geest al de dagen huns levens, nemende gestadig hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid des Heeren Jezus; in Dewelke zij vergeving hunner zonden hebben, door het geloof in Hem.'' In dit zg. organische kerk-zijn is de geloofsbeleving en - uitleving van centraal belang. De eenheid van de kerk is dus niet alleen gegeven met het institutaire, maar ook met het organische. Deze beide verhouden zich weer als twee polen tegenover elkaar. Het r.-k. kerkbegrip is institutionalistisch: "De R.K. Kerk blijft de ware kerk, ook al zouden alle bisschoppen liegen." De doperse gemeente-idee zit uitsluitend op de tweede lijn: het kerk zijn wordt exclusief gemeten aan het geloofsgehalte van de individuele leden. Een bijbels-kerkelijk standpunt echter betekent een staan in de spanning van deze tweepoligheid. Het respect voor het institutionele doet ons (de G.B.) dan ook trouw blijven aan de kerk der vaderen tot het uiterste. Maar de tweede lijn doet ons tegelijk kritisch in die kerk staan, juist omdat van gemeenschappelijkheid in de geloofsbeleving in de praktijk bitter weinig blijkt (wij voelen ons veeleer als vreemden in eigen huis). Ons oriëntatiepunt voor ons blijven in de N.H. Kerk is echter nooit geweest: en schatting van het aantal echte gelovigen. M.a.w.: wij denken er niet aan ons heengaan uit de kerk der vaderen te laten bepalen door een exclusief organische denklijn ("als het percentage ware gelovigen gedaald is beneden x%, dan stappen we op"). Veeleer hangt ons blijven in die kerk af van Gods verregaande verbondstrouw en van een ons geschonken ruimte om in gewetensvrijheid met het Woord daar te staan en te werken. Er zijn ook hier weer twee gevaren acuut: a) Het gevaar van automatisme: alle nadruk ligt dan op het institutaire; men pleegt haast afgoderij met het hervormd-zijn; het kost ons te weinig moeite; we komen zelf amper toe aan de diepere geloofsvragen en slikken daarom veel "hervormde dingen" met huid en haar. b) Het gevaar van dopers individualisme: alle nadruk op het zg. organische kerk zijn; de groep van gelijkgezinden; een zich afschermen tegen alles wat nieuw is, vaak formalistische criteria voor de waarheid; een binnenkerkelijke doleantie; als wij maar gereformeerd kunnen leven, wat interesseert ons dan de rest?
3. De polariteit tussen gemeenschap en enkeling
Het N.T. spreekt met twee woorden over de gemeente als gemeenschap. Het eerste woord, waarover het onder dit punt 3 van mijn inleiding gaat, is metochoi (deelgenoten). De gemeente is een gemeenschap van gelovigen, die hoofd voor hoofd geacht worden deelgenoten te zijn van het in Christus geschonken heil. De kerk is "vergadering van ware christgelovigen" (N.G.B., art. 27). Het gaat om een levend lidmaatschap (Heid. Catechismus, antw. 54). In dat gemeenschappelijke deelgenootschap wordt ook de éénheid der gemeente gedurig "gesticht" (Joh. 17 : 21 v.v.). Die éénheid is hechter naarmate de geloofsdoorleving dieper is (Ef. 4 : 13 v.v.). Eenheidsdoorleving is correlaat aan waarheidsdoorleving. De waarheid is een beslissend facet van de éénheid van de kerk. Ware oecumene is geen kwestie van aftrekken (ieder laat wat van zijn "dierbaarheden" schieten), maar een zaak van optellen (het onder elkaar opdelen van de schatten des heils). Dat is de ene kant. Maar er is ook een andere zijde. De gemeente als gemeenschap van deelgenoten is niet de optelsom van alle individuele gelovigen bij elkaar. Er is een hoogst individuele gemeenschapsstichtende factor. Maar er is ook een vóór-gegeven gemeenschap. Deze is nl. gegeven met de tweede Adam, in Wie de gemeente verankerd ligt. Hij is corporate personality (Col. 1 : 16 V.V.). Elke keer, als iemand tot bekering en geloof komt, wordt hij in deze vóór-gegeven gemeenschap ingezet. Daarom staat of valt de kerk niet met de ontrouw van een aantal leden der gemeente (1 Cor. 1 : 2: aan de gemeente Gods, de geheiligden in Christus Jezus . . . ). Het geloof in deze vóór-gegeven gemeenschap moet de individuele gelovige ervoor behoeden, om de éénheid van de kerk te verbreken, wanneer hij tot zijn droefheid waarneemt, dat het er met de handhaving van de waarheid en de waarheidsdoorleving niet zo best voor staat (m.a.w. wanneer "de kerk haast tot niet gekomen is ..."). De waarheid is een facet van de eenheid. Maar ook omgekeerd is het waar: de eenheid is een facet van de waarheid. Calvijn zegt ergens, dat in het apostolicum niet voor niets het artikel over de vergeving der zonden onmiddellijk vastzit aan dat over de kerk. En hij zegt dan: "Omdat de herders niet altijd zo ijverig waken, soms ook wel eens wat toegeeflijker zijn dan behoorde of verhinderd worden die gestrengheid te oefenen, die ze wilden, gebeurt het soms, dat niet altijd zij, die in het openbaar slecht zijn, uit het gezelschap der heiligen verwijderd worden . . . Maar ook al zou de kerk in haar plicht nalatig zijn, dan mag daarom nog niet terstond ieder lid oordelen, dat hij zich moet afscheiden." "Aan vrome en vreedzame mensen geeft Augustinus de raad, dat ze met ontferming bestraffen, wat ze kunnen en wat ze niet kunnen, geduldig dragen en met liefde erover zuchten en treuren, totdat God het verbetert of straft of bij de oogst het onkruid uitroeit en het kaf uitwant." De bovengenoemde polariteit tussen gemeenschap en enkeling, zoals de Bijbel ons die voorhoudt, is naar mijn besef in de geschiedenis van de christelijke kerk nogal eens scheefgetrokken, zowel naar de éne als naar de andere kant. Ik noem in verband met ons onderwerp in de eerste plaats het beginsel van afscheiding en doleantie. Daarin overheerst de idee van de gemeenschapsstichtende enkelingen. Het is vooral A. Kuyper, die met zijn leer van de veronderstelde wedergeboorte zijn kerkidee gebouwd heeft op het principe van de individualiteit. Een nog diepere wortel, van de afscheidingsbeweging in de vorige eeuw is, dunkt mij, de verzelfstandiging van het geestelijk leven (het zaad der wedergeboorte in de gelovigen, min of meer losgemaakt van een constante betrokkenheid op de levende Christus en de rechtvaardiging van de goddeloze). Kohlbrugge heeft daarop in zijn briefwisseling met Da Costa reeds gewezen (Rom. 7 : 14). Mijns inziens hangt de kerkelijke verzelfstandiging van afscheiding en doleantie (bij alle verscheidenheid daarin overigens) met dit altijd weer acute gevaar van de "geestelijke" verzelfstandiging samen. De G.B. echter heeft nooit kunnen instemmen met het kerkscheidende beginsel van afscheiding en doleantie. De diepste wortel daarvan (en van het blijven in de N.H. Kerk) ligt in het geloof in de trouw-houdende (Verbondsgod, die tot de uiterste grens gaat met "Jan Rap en zijn maat" (uitdrukking van Kuyper). Dat houdt verband met een wedergeboorteleer, die constant verweven blijft met de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze. Toch heeft ook de G.B. steeds weer het risico gelopen van de verzelfstandiging, zowel in geestelijk als in kerkelijk opzicht. Een "geïsoleerde" wedergeboortetheologie, die meer de christen dan de Christus centraal stelde, leidde onwillekeurig tot een egocentrisch gerichte vroomheid, waarin het dominerende aspect van de "gloria Dei'' bedolven werd onder een ongezonde en overdreven belangstelling voor het "vrome" ik. En telkens weer, als zich dat openbaarde, doemde ook het gevaar op van verwettelijking, verkramping, het drijven van "schibboleths", enz. Bovendien ging deze "geïsoleerde" wedergeboortetheologie vaak samen op met "groepsverzelfstandiging" (zij het dan meestal binnen de N.H. Kerk). Toch zouden we aan de zaak onrecht doen, als we zouden beweren, dat de zojuist genoemde dingen het beeld van de G.B. in het verleden hebben bepaald. Veeleer is het beleid van de G.B. in grote lijnen steeds gedragen geweest door het geloof in Gods verbondstrouw en in de bovengenoemde "voorgegeven" gemeenschap. Mijns inziens hangt daarmee ook de grote belangstelling voor de theologie van Kohlbrugge in onze kring samen. Toch is er ook nog een ander punt dat ik wil noemen. De verhouding van gemeenschap en enkeling kan nl. ook naar de andere kant scheef worden getrokken. Tegenover een overtrokken individualiteitsbeginsel (separatisme) staat een verobjectiveerde verbondsbeschouwing, waarin de idee van de gemeenschap heel sterk domineert, maar dan ten koste van een bijbelse aandacht voor de gelovige enkeling. We kunnen niet ontkennen, dat ook dit gevaar de G.B. steeds heeft bedreigd. In de prediking overwoekert dan de objectieve heilsmededeling de constante verwondering over de rechtvaardiging van de goddeloze. ("Het gestadig de toevlucht nemen tot Christus" van art. 29 N.G.B.). De prediking van de noodzakelijkheid der wedergeboorte krijgt weinig en onvoldoende aandacht. Hier is het gevaar van de gearriveerdheid levensgroot. En zeker wordt daardoor ook het geestelijk en kerkelijk leven uitgehold. Hier is ook geen sprake meer van een kritisch staan in de kerk. Men lijdt weinig aan de kerk. Het hervormd-zijn gaat boven alles. Als wij echter gaan laboreren aan gemis van echte, warme "bevindelijkheid", verzanden we in verstarring, dogmatisme en vormelijkheid en bewijzen we tegelijk de kerk in haar geheel een slechte dienst.
4. De polariteit tussen verdraagzaamheid en tucht
Nog een enkele opmerking tot slot over het andere woord, dat in het N.T. gebruikt wordt voor de gemeente als gemeenschap. Het is het woord: oinonos. De gemeente van Christus is een gemeenschap van deelgenoten niet alleen, maar. ook van metgezellen (koinonoi). Zij wordt bijeengehouden door ware kameraadschappelijkheid. Zie de eerste christengemeente: Hand. 2 : 42 v.v. Het kenmerk van de "deelgenoot" is het geloof, het kenmerk van de "metgezel" is de liefde. Elkander vurig liefhebben (Joh. evangelie en brieven). Elkaar niet bijten en vereten . . . (Gal. 5 : 15). Kleine verschillen kunnen door hooghartigheid en zelfhandhaving tot grote twisten uitgroeien. In het diakonaat moge het "metgezel" zijn, de zorg om en voor elkaar gedurig gestalte krijgen. Verder bedenke men, dat elk gemeentelid zijn eigen "inbreng" mag hebben. Er is een veelheid van gaven en bedieningen (1 Cor. 12 en 14). Met al de heiligen . . . ! Ook hier weer de tweepoligheid. Het op elkaar afgestemd zijn in de gemeente roept op tot grote verdraagzaamheid. Elkaar niet verketteren. Naar elkaar luisteren. De ander kan ons geven, wat aan ons geloof ontbreekt. Daartegenover echter, juist vanwege het beginsel van de liefde, is er ook de tucht. Dwaalleer, die het hart van het Evangelie raakt, kan niet worden geduld (2 Joh. 10, 11: ontvangt hem niet in Uw huis). Een ergerlijke zondaar, die na herhaaldelijk vermaan onbekeerlijk blijft leven, wordt afgesneden (1 Cor. 5). Zie artikel 32 N.G.B. Deze spanning tussen verdraagzaamheid en tucht heeft het kerkelijk standpunt van de G.B. steeds getypeerd. Wij moesten in de N.H. Kerk heel vaak luisteren en we konden er ook veel leren. (Ik denk aan de gedurige relatering van de geloofsvragen aan de vragen van de tijd, de cultuur, het volk, de maatschappij, de politiek, de verre naaste). Maar we hebben tegelijk de "geest-en hoofdzaak"-mentaliteit aangewezen als een dodelijke kwaal.
In bovenstaande schets van ons kerkelijk standpunt is constant sprake van een dubbelspoor. De polariteit van de steeds herhaalde dubbele lijnen is echter ook in onze kring niet zelden verworden tot polarisatie. Dan worden de a-lijnen (stad zijn, het institutaire, de gemeenschap, de verdraagzaamheid) tegen de b-lijnen (bruid-zijn, het organische, de enkeling, de tucht) uitgespeeld. En de G.B., die graag de koninklijke weg van zowel het één alsook het ander gaat, wordt dan van links en van rechts onduidelijkheid in het beleid of gemis aan kerkelijke standpuntbepaling verweten. Het is zeer de vraag, of dat correct mag heten.
II. DE GESCHEIDEN KERKEN VAN HET VERLEDEN (EEN ANALYSE) - DE ÉNE KERK VAN DE TOEKOMST (EEN PROGNOSE)
De vraag, waarvoor we nu verder gesteld zijn, is hoe wij bovenstaande bijbels-theologische en confessionele elementen van ons kerkelijke standpunt hanteren inzake de beweging "Samen op weg" (S.O.W.). Om daarin onze weg te vinden is een korte analyse van de situatie van het verleden en een voorzichtige prognose van de nabije toekomst nodig. Het één is van het ander niet los te maken. Wij kunnen nl. niet recht over S.O.W. oordelen vanuit een geprojecteerd beeld van de kerk in de toekomst (futurologische benadering). De wijze van kerk-zijn, zowel van hervormde als van gereformeerde zijde, in het jongste verleden zou dan minder ter zake doen. Het zou zelfs niet interessant zijn voor het eenwordingsproces. Want dat eenwordingsproces wordt immers toch bepaald door het beeld, dat men ontwerpt van de geünieerde toekomstige kerk (geen volkskerk meer, een kerk van bewust gekozen hebbende leden, die getraind zijn op de uitdagingen van de tijd (politiek, sociaal). Maar een kerk van de toekomst, waarin de continuïteit met het verleden ontbreekt, is immers volmaakt onmogelijk. Alleen al omdat het verleden (met zijn verschillende en gescheiden tradities) zich niet zonder meer laat doorstrepen. Daarom geven we heel kort eerst een analyse van de huidige situatie. We geven enkele typeringen van het hervormdzijn in de vorige eeuw met de verschuivingen in onze eeuw. Idem van de Gereformeerde Kerken.
Typeringen van het hervormd-zijn
- De idee van de volkskerk, de gedoopte natie (het verbond heeft open grenzen - er zijn ook geboorteleden).
- De idee van de "geest en hoofdzaak" met betrekking tot de belijdenis. Confessionele tolerantie. Geen leertucht.
- De idee van de theocratie. In de reglementenbundel is op juridisch-staatsrechtelijke gronden de verhouding kerk-staat "op orde" gebracht. De vragen van de cultuur en de staat drijven boven.
Idem van de Gereformeerde Kerken
+ De idee van de belijdeniskerk, een uitgepelde kern van belijdenisgetrouwen (doop gekoppeld aan geloofsbelijdenis der ouders).
+ De idee van de juridische confessionaliteit. Bolwerk van fundamentaliteit. Vanuit de gedachte van de eenheid van de kerk: geen plaats voor richtingen. Wel is er de pluriformiteitsgedachte (doleantie verklaart N.H. Kerk niet direct voor vals). Maar dat voorkomt geen leertuchtprocedures (Assen b.v.).
+ De idee van de antithese. Er is een sterk "tegenover" (tegenover het volk, de cultuur, de staat). De "kleine kerk" is een bolwerk van goed getrainde kerk-leden (theologisch, maatschappelijk, politiek). Een eigen gereformeerd organisatiewezen (VU, vakverenigingen, enz.).
Verschuivingen (hervormd)
- De volkskerkidee is geminimaliseerd door een sterke secularisatie. Deze secularisatie wordt (soms) gewaardeerd als iets positiefs: de kleiner wordende kerk kan kwalitatief sterker worden.
- De "geest-en hoofdzaak"-idee is niet overwonnen door de nieuwe kerkorde met zijn artikel 10 over het belijden. Vier decennia barthianisme hebben geen dam opgeworpen tegen wassend modernisme. De richtingen zijn gebleven. Leertucht is ondenkbaar.
- De idee van de theocratie is aanleiding geworden tot een steeds verdergaande bemoeienis van de kerk met maatschappelijke en politieke vragen (Synodale schrijvens, Raad van Kerken).
- Een grote oecumenische openheid terwille van de geloofwaardigheid van de kerk mede. Studentenpastores werken vaak samen (hervormd, gereformeerd, rooms-katholiek).
- De verontrusting is sterker georganiseerd (G.B.).
Idem (gereformeerd!)
+ De belijdeniskerkidee is afgezwakt door secularisatie. De grenzen met de wereld vervagen (geloven buiten de kerk). Toch werken verbondsautomatisme en groepsdenken sterk na.
+ Juridische confessionaliteit heeft plaats gemaakt voor een synthese-denken (synthese met de geest van de tijd; de waarheid is een vlottend begrip). Een ondertekeningsformulier voor ambtsdragers met een dynamische binding aan de belijdenis wordt bepleit. Tucht is meer een zaak van het medisch-ethische, dan van het juridisch-justitionele (Wiersinga). De gedachte van de plurale kerk (pluriformiteit) verdringt de gedachte van de éénheid van de kerk (= geen richtingen).
+ De idee van de antithese heeft plaatsgemaakt voor gematigd (? ) cultuuroptimisme. Het maatschappelijk en politieke engagement in prediking en kerkelijke praxis (doorvertaling van het Evangelie) is sterk in opmars.
+ Een grote oecumenische openheid terwille van de geloofwaardigheid van de kerk mede.
+ Idem, maar met minder gehoor.
Uit het nevenstaande kan duidelijk worden, welke de bewegende krachten zijn, die de Hervormde Kerk en Gereformeerde Kerken naar een toekomstige eenheid stuwen. Het snelle proces van verschuivingen in de Gereformeerde Kerken heeft deze kerken in de kortste keren vlak in de buurt gebracht van de Nederlandse Hervormde Kerk. De hier gesignaleerde verschuivingen bewegen zich in de richting van wat de N.H. Kerk in de vorige eeuw typeerde. Zo gezien is de gescheidenheid van beide kerken bepaald niet maar een zaak van "huiselijke twist" (Van Ruler).
Een prognose van de éne kerk van de toekomst, waaraan we ons wagen op grond van de geschetste ontwikkelingen, blijft uiteraard erg onzeker. De genoemde ontwikkelingen geven echter het volgende beeld. Naast de prognose van de geünieerde kerk met haar "notae ekklesiae" (kenmerken der kerk) plaats ik de vragen en bezwaren van de G.B. Ik volg daarbij de opzet van de hiernaast gegeven analyse. Ik ben me daarbij ook bewust van het feit, dat er naast de G.B. in de Nederlandse Hervormde Kerk alsmede ook in de Gereformeerde Kerken zijn, die deze bezwaren in meerdere of mindere mate delen.
Na een verkenning van ons kerkelijke standpunt en een analyse van het verleden plus prognose van de toekomst, komt tenslotte de vraag wat ons te doen staat met betrekking tot S.O.W. Waar ligt onze roeping? Het is duidelijk, dat we die niet los kunnen zien van het onder I omschreven kerkelijk standpunt. Een dringende vraag is, of wij in de vereniging van de N.H. Kerk en de Geref. Kerken een opdracht van God moeten zien. Een andere dringende vraag is, of wij geroepen worden te blijven in de geünieerde kerk, ook wanneer die er tegen onze begeerte in zou komen. En tenslotte, of wij op dezelfde wijze en met hetzelfde kerkelijke standpunt kunnen functioneren in de nieuwe kerk.
Of wij in de vereniging van de N.H. Kerk en de Geref. Kerken een roeping van God zien? Voorop sta, dat de eenheid van christelijke kerken (zeker van gereformeerde origine) een kostbaar goed is (zie I punt 3 en 4). De gescheidenheid van de kerken is een zaak, waar geen enkele christen zich zonder meer bij kan neerleggen (ook niet terwille van Joh. 17 : 21: opdat de wereld gelove . . . ). Wie daar nooit van wakker gelegen heeft, kan de vraag naar onze roeping met betrekking tot S.O.W. niet beantwoorden. Wij behoren in elk geval doodsbang te zijn om het reeds bestaande aantal kerken met één te vermeerderen. In de tweede plaats komen zeker bij onze beoordeling van de beweging S.O.W. heel wat niettheologische factoren om de hoek kijken. Wij verliezen veel van het eigene en vertrouwde. Ook is er ten onzent stellig sprake van aversie tegenover dolerenden, die bepaald niet altijd uit een geestelijke bron spruit.
De belangrijkste overweging echter met betrekking tot de vraag naar onze roeping is, óf en in welke mate wij in de nieuwe geünieerde kerk het beeld van de gemeente van Christus (h)erkennen, zoals in hoofdstuk I van deze inleiding aangegeven. De prognose van de nieuwe S.O.W.-kerk (boven gegeven) geeft ons niet veel moed om te geloven, dat deze nieuwe kerk aan bijbels en confessioneel gehalte zal winnen. Integendeel er zal sprake zijn van een sterke reductie in deze. Wij durven niet geloven, dat de gereformeerden in het algemeen van hun calvinistisch erfgoed, dat er ondanks veel neo-calvinisme toch is geweest, veel hebben overgehouden en veel zullen inbrengen. In de geünieerde kerk zullen zeker de b-lijnen van hoofdstuk I van mijn inleiding (het bruid-zijn van de kerk, het organische, de enkeling, de tucht) niet of zeer vertekend voor de dag komen. Verder verwijs ik naar deel II van de inleiding, sub: bezwaren en vragen van G.B. Het lijkt mij echter, zacht gezegd, prematuur om daaruit in dit stadium reeds de conclusie te trekken, dat "bij samengaan van de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk, dit lichaam niet meer de kerk der Hervorming is" en dat wij daarom beter doen nu reeds naar een "geestelijke gemeenschap van alle Schriftgetrouwe gelovigen" te zoeken in een hereniging van hen in een andere kerkformatie dan die van de geünieerde kerk. Zo ongeveer wordt het gesteld in de open brief van de vereniging "Schrift en Getuigenis" aan het hoofdbestuur van de. G.B. In deze open brief komen trouwens de a-lijnen van mijn inleiding bijna niet aan bod (het stad-opde-berg-zijn van de kerk, het institutaire, de gemeenschap, de verdraagzaamheid). Trouwens binnen welke andere bestaande kerkformatie zou de voorgestelde hereniging van alle Schriftgetrouwe gelovigen kunnen plaatsvinden? Bij welke kerk zou de G.B. moeten aankloppen? Of denkt "Schrift en Getuigenis" veeleer in de richting van een hereniging in een nieuw te formeren verband van gemeenten? Maar dat betekent een stap verder op de weg van de repeterende breuk van het afscheidingsbeginsel (het uitpellen van gelovige kernen). Het is nu reeds duidelijk immers, dat tot zo'n soort hereniging lang niet alle, om niet te zeggen, weinige Schriftgetrouwe gelovigen te bewegen zijn. Afgedacht echter daarvan is het de grote vraag, of God het van ons vraagt om het instituut (de instituten) los te laten terwille van een zg. geestelijke éénheid, die enkel op geloofsovereenstemming gebaseerd is. Zonder een wissel op de toekomst te willen trekken, zeggen wij nu reeds, dat een participatie van de G.B. in de geünieerde kerk sterk afhankelijk zal zijn van de vraag, of en hoe wij in deze nieuwe kerk de, omtrekken van de ware kerk kunnen ontdekken. (In de in artikel 29 N.G.B, gegeven kenmerken van de ware kerk liggen voor ons nog steeds de grenzen van de kerk). Nu reeds blijft staan, dat wij als G.B. niet om een S.O.W.-beweging hebben gevraagd en zeker niet om een spoedige éénwording van beide kerken. En dat waarlijk niet, omdat dan de rol van de G.B. in de verrechtsing van de kerk lijkt uitgespeeld. Het gaat ons niet om eigen machtspositie. Het gaat ons om de kerk als geheel en om de waarheid Gods. Wij voor ons kunnen in een S.O.W.-beweging met de drijfkrachten, zoals boven omschreven, ondanks onze begeerte naar het één-zijn van het lichaam van Christus, niet de stem van God horen. Maar wij zullen wel moeten weten, wat ons te doen staat als de unie van kerken straks een feit wordt. Wat vraagt God dan van ons?
Wij kunnen noch willen daar in dit stadium een uitspraak over doen. Wel moet het nu reeds duidelijk zijn, dat we in dat geval slechts de keus hebben tussen: participatie in de geünieerde kerk of afscheiding. De N.H. Kerk (de vaderlandse kerk) zal verdwijnen (opgaan in een totaal nieuwe kerk). En wij moeten onszelf niet wijsmaken, dat niet-meegaan met de unie kan betekenen, dat wij op ons eentje de oude vaderlandse kerk kunnen voortzetten. Nu reeds moeten we vaststellen, dat het loslaten van die vaderlandse kerk (terwille van één nieuwe kerk) ons bijster zwaar zal vallen, juist omdat die kerk ons zo lief is en omdat elke verandering nog geen verbetering is (deze bepaald ook niet). Daarom zou het kunnen zijn, dat een meegetrokken worden in de fusie van de beide kerken behoort bij de kosten, die wij uit kracht van het hervormd-zijn moeten betalen. Dat deze weg verkieslijk is boven een zelfstandig voortleven als (nieuw georganiseerde) kerk, die zg. de voortzetting is van de vaderlandse kerk, willen wij nu reeds betuigen. Maar of deze verkieslijke weg begaanbaar is, zal zeker ook in sterke mate afhangen van de ons gelaten vrijheid om naar Gods Woord en met eer en geweten in de geünieerde kerk te leven. Onze roeping om hervormd te zijn en te blijven valt ons zwaar genoeg. Of wij zwaarder lasten moeten en kunnen dragen, dat weet God.
Betekent dat, dat de G.B. het maar moet laten afweten ook in het voorbereidend en bezinnend werk van de S.O.W.-beweging nu? Ons hervormd-zijn verplicht ons tot participatie in een werkelijk fundamentele bezinning. En juist omdat de éénwording zich vooral op het plaatselijke vlak zal moeten afspelen, roepen wij onze kerkeraden op om tot een wezenlijke verkenning van elkaar te komen in de gemeenten. En als deze verkenning (door gesprekken van kerkeraden) niet tot (h)erkenning leidt (wie zal dat altijd en overal uitsluiten?, ik denk aan de verontrusten in de Gereformeerde Kerken), dan dient zij er in elk geval toe om eindelijk het zwaartepunt van de beslissing over de fusie van beide kerken op het grondvlak van He kerk (de plaatselijke gemeente) te laten vallen. Wat over ons komt, hoeft ons nog niet te overvallen. Van onze kerkeraden zal dan wel een werkelijk geestelijke inbreng moeten worden verwacht. En het is nu de tijd om zich daarin te oefenen. Bovendien kan een ontmoeting met de Schriftgetrouwen in de Gereformeerde Kerken hen en ons tot standvastigheid aansporen. Het is God, Die zijn kerk regeert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's