De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om de rechte leer en het verbond

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om de rechte leer en het verbond

Kanttekeningen bij boek 'Zij is mijn bruid' van ds. H.J. Hegger

15 minuten leestijd

Het is al weer jaren geleden, dat twee boeken van ds. H. J. Hegger brede aandacht trokken: Mijn weg naar het Licht en Moeder ik klaag u aan. Ze waren geschreven rondom zijn uittreden uit de Rooms Katholieke Kerk.

Het is al weer jaren geleden, dat twee boeken van ds. H. J. Hegger brede aandacht trokken: Mijn weg naar het Licht en Moeder ik klaag u aan. Ze waren geschreven rondom zijn uittreden uit de Rooms Katholieke Kerk. Hij werd predikant van de Gereformeerde Kerken en behoorde daarbij formeel tot de Gereformeerde Kerk van Denderleeuw in België, terwijl hij later predikant-directeur werd van de Stichting 'In de rechte straat'. Het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken liep op een grote teleurstelling uit. Ds. Hegger weerde zich jarenlang in de Vereniging 'Schrift en Getuigenis' en schreef niet aflatend over het verval aan Schrift en Belijdenis in de Gereformeerde Kerken. In 1977 begon hij te schrijven over het goed recht van de huisgemeenten (we besteedden daar aandacht aan in de Waarheidsvriend van 1 september van dat jaar) en vorig jaar verbrak ds. Hegger de band met de Gereformeerde Kerken. We schreven bij die uittreding dat, bij alle begrip voor de desillusies die ds. Hegger, na zijn breken met Rome, ook in de kerk der Reformatie ervaren had, het te hopen zou zijn, dat hij zicht zou blijven houden op de kerk als instituut. Thans is opnieuw een boek van ds. Hegger verschenen, onder de titel 'Zij is mijn bruid'. Hierin maakt hij duidelijk waarom hij nu ten principale kiest voor de huisgemeente, zonder de formele band met de Gereformeerde Kerk te Denderleeuw, die intussen in de Verenigde Protestantse Kerk in België is opgegaan, te verbreken; al is het mogelijk dat die kerk zelf de band zal verbreken, zegt hij. De huisgemeente ziet ds. Hegger als een aanvulling op de ene plaatselijke (Schriftgetrouwe) gemeente van Christus. Hij kan zich ter plaatse niet aansluiten bij 'een van de kerkinstituten, die zichzelf beschouwen als een volkomen gemeente in die plaats en daarom zich opstellen naast en tegenover andere Schriftgetrouwe kerken in diezelfde plaats'. Ds. Hegger zegt daarover: 'wij menen dat wij op deze manier zouden meewerken aan de instandhouding van een zondige verdeeldheid en dat we dan Paulus tegenover ons zouden krijgen, die ons vermanend zou toespreken: Is Christus gedeeld? '

Begrip
Bij een globale beoordeling van dit nieuwe boek van ds. Hegger wil ik graag beginnen met positief te waarderen wat positief te waarderen is. Heel mooie dingen worden gezegd over het geestelijk leven. Eveneens worden waardevolle, op de Schrift gefundeerde dingen gezegd over de gemeente als bruid van Christus en over de gemeente als lichaam van Christus en wat dit alles betekent voor het leven des geloofs.

Ik wil ook graag bekennen dat er veel in dit boek is wat ons aanspreekt. In dit boek ligt een levende klacht over de schrikkelijke verdeeldheid van het lichaam van Christus. Daarover moesten we geen dag vrede hebben maar we hebber er, vastgeroest als we vaak zijn in onze eigen kerkelijke structuren, zo weinig last van. In dat opzicht heb ik het boek van ds. Hegger gelezen als een krachtig appèl.

Het is daarbij waardevol, dat ds. Hegger voortdurend benadrukt het 'Sola Scriptura', alléén de Schrift. Voor iemand die, aanvankelijk komend uit een kerk, waar de traditie de Schrift heeft verdrongen, zelf teruggeworpen werd op de Schrift alleen en daarin - als ooit Luther - het bevrijdende van de genade heeft ervaren, moet het teleurstellend zijn om óók in de kerk(en) der Reformatie zoveel aan te treffen, dat onbijbels is. Ook in dit opzicht is zijn boek een appèl, en werkelijk niet alleen naar de kant van linkse, schrift-kritisch ingestelde theologieën. Met de éne Schrift is het Lichaam van Christus in véle - ook rechtzinnige - delen uiteen gevallen.

Als belemmeringen voor het Sola Scriptura noemt ds. Hegger ons verstand (en, wie zal durven ontkennen dat daartoe ook behoort het theologisch geoefende verstand? ), menselijke manipulaties van de rede, machtsbegeerte (Rome heeft de Paus maar dezelfde trekken kunnen in de reformatorische kerken voorkomen), menselijke tradities en - wat ons betreft - westers intellectualisme. Wat betreft de menselijke tradities zegt ds. Hegger niet ten onrechte:

'De Reformatie heeft Rome altijd verweten: 'Jullie hebben de Schrift, plus de traditie, maar wij laten ons leiden door de Schrift alleen'. Maar in de praktijk is dat beslist niet waar. We zouden eerlijker zijn voor God en voor de mensen, wanneer we erkenden dat wij de Schrift hebben, plus onze algemene protestantse tradities met daarnaast nog de eigen tradities van elk kerkverband, terwijl Rome de Schrift heeft, plus hun eigen roomse tradities.'

Ds. Hegger heeft ook bepaald gelijk als hij wijst op het gevaar, dat de gemeente als bruid van Christus gedwongen wordt in een 'harnas' van kerkelijke bepalingen en menselijke tradities. Zo'n harnas kan dan zo gaan knellen dat inderdaad, als eertijds door David, gezegd moet worden: daarin kan ik niet gaan. De geestelijke vrijheid, eigen aan het christen-leven, kan kerkelijk bepaald in de verdrukking komen en we zien het dan hier en dan daar hoe dat ook reëel het geval is.

Zo zou veel meer uit het boek van ds. Hegger te noemen zijn dat als appèl, vermaning en ook bemoediging zeer positief te waarderen is.

Alleen organisch?
Intussen wordt uit dit boek ook duidelijk, dat onze eerder uitgesproken vrees, dat ds. Hegger zijn zicht op de kerk als instituut zou verliezen inderdaad bewaarheid is. Ik ga nu niet meer op de huisgemeente als zodanig in. Dat is in een eerder artikel gebeurd.

Liever ga ik op de afwijzing van de kerk als instituut in. Allereerst zegt ds. Hegger, dat uit de bede van Christus in Johannes 17 'Opdat zij allen één zijn' niet de conclusie mag worden getrokken, dat het hier gaat om een organisatorische maar om een organische eenheid. De kerk als Lichaam van Christus - die er volgens ds. Hegger onder het Oude Verbond nog niet was; toen was er slechts sprake van een 'verzameling van vromen' - is sinds Pinksteren niet een verzameling van losstaande gelovigen maar een lichaam met een organisch verband. Met deze nadruk op het organische, daarbij ook sterk gericht op de plaatselijke gemeente, staat ds. Hegger dan intussen kritisch tegenover de kerk als instituut en alles wat daarmee samenhangt, te weten een kerkorde en (zelfs) ook de belijdenis-geschriften. Ds. Hegger geeft weliswaar aan mensen niet de raad hun kerkinstituut te verlaten, ook al doet men door daar te blijven mee 'aan de zondige verdeeldheid', maar de kritische opstelling tegen het organisatorische, het institutaire van de kerk is duidelijk.

Calvijn
In tegenwerping op dit alles zou natuurlijk opgemerkt kunnen worden dat daar, waar maar een gemeente - al is het dan maar een huisgemeente - samenkomt er al sprake moet zijn en is van organisatie en dat er sprake is van orde en regels, zelfs al zijn die orde en regels ongeschreven. Maar wat dunkt me ten diepste tegen de hele visie van ds. Hegger moet worden ingebracht is het ontbreken van het juiste zicht op het verbond.

Als ik in dit verband Calvijn nu wil noemen in diens visie op de kerk juist ook in haar organisatorische gestalte - met alle zicht op het organische, het levende functioneren van de gemeente in de vrijheid des Geestes - dan zal ds. Hegger direkt kunnen zeggen, dat Calvijn de Schrift niet is. Wel zegt hij overigens van hem dat Calvijn iets heeft van 'het gezag van een apostel'. 'Beschouwen we zijn geschriften niet als grondleggend voor de gemeenten in zijn en ook nog in onze tijd? En wat heeft Calvijn zich niet ingezet voor de eenheid van de christenen van de reformatie?', zegt hij. Welnu, om te zeggen dat Calvijn iets had van een apostel gaat me, juist gezien het Sola Scriptura net iets te ver. Maar wel was Calvijn voluit Schrifttheoloog, die evenwel - anders dan ds. Hegger doet - uit de véélheid van Schriftgegevens ten aanzien van de gemeente, ook de bijbelse samenhangen heeft gezien om daarmee het katholieke karakter van de kerk, ook in haar organische gestalte wat betreft ambt, kerkorde, sacramenten e.d. te funderen.

Daarbij heeft Calvijn juist ook bizonder benadrukt de bijbelse leer van het verbond. Zou men de leer, die Calvijn zo klaar heeft ontvouwd, met name in boek IV van zijn Institutie meer hebben gevolgd, de kerk zou zeker niet in een situatie van een al maar repeterende breuk terecht zijn gekomen. Het is namelijk opvallend hoe Calvijn én niet aflatend betoogt, dat de kerk bij de rechte léér moet blijven én hoe zij vanwege het verbond ook één moet blijven. Dit zei hij toen hij zelf n.b. buiten Rome van zijn dagen was geraakt.

Calvijn had bij dit alles oog voor het bijbelse gegeven, dat niet alles Israël is wat die naam draagt, dat er in het verbond tweeërlei kinderen zijn en dat er ook velerlei zonden, gebreken, ook dwalingen in de kerk aanwezig zijn, die ons desalniettemin niet mogen verhinderen in haar te blijven en in haar voor de rechte leer te strijden. We hebben het kwaad uit te zuiveren maar ons niet door het kwaad te laten uitzuiveren. Maar omdat hij ook wist van de beperktheid van ons inzicht is er ook nodig een organisatorisch verband van gemeenten, met ambtelijke vergaderingen, opdat samen zal worden gezocht de weg der Schriften voor de gemeenten. Het ontbreken van een organisatorische gestalte met belijdenis en kerkorde doet de gemeente terecht komen in de chaos van menselijke willekeur. Dat heeft ook de geschiedenis telkens weer bewezen.

Ik laat hier graag de niet onduidelijke passages volgen, die Calvijn in het genoemde eerste boek van de Institutie terzake schrijft; temeer omdat het verwerpen van de kerk als instituut als het ware in de lucht zit en ook omdat velen zoeken naar een kerk die aan alle zonden en gebreken ontheven is.

Calvijn stelt dat de tarwekorrels in de kerk schuil gaan onder het kaf ('een groten hoop kafs') maar dat de tarwe bij God bekend is en dat we wanneer we op grond daarvan de gemeente scheuren we Christus scheuren.

'Maar opdat ze meteen mogen verstaan, dat de kerk uit goede en kwade menschen vermengd is, zoo laat hen uit den mond van Christus die gelijkenis hooren, in welke de kerk vergeleken wordt bij een net, waarmede visschen gevangen worden van allerlei slag, en niet worden uitgelezen voor en aleer die aan den oever gebracht en nedergelegd zijn. Laat hen ook hooren, dat de kerk is gelijk een akker, welke met goed koren bezaaid zijnde, door de listigheid des vijands met onkruid verontreinigd wordt, van hetwelk zij niet wordt gezuiverd, voordat de oogst in de schuur wordt verzameld. Laat hen eigenlijk hooren, dat de kerk is als een dorschvloer, waarop de tarwe alzoo bijeen is vergaderd, dat ze onder het kaf verborgen ligt, totdat ze door de wan en zeef gereinigd zijnde, ten laatste in de schuur opgedaan wordt. Indien de Heere verklaart, dat de kerk tot op den dag des oordeels zal zwanger gaan met dit kwaad, dat ze met de vermenging der boozen zal bezwaard zijn, zoo zoeken ze te vergeefs een kerk, die met geen vlek is bezoedeld en besprengd.'

Calvijn wijst dan op de gemeente van Corinthe:

'In de kerk van Corinthe was het getal dergenen, die gedwaald hadden, niet klein, ja het scheelde niet veel, of het gansche lichaam was met dwaling besmet en ingenomen; daar was niet alleen één soort van zonde, maar de zonden waren velerlei; het waren ook geen lichte feilen, maar sommigen waren gruwelijke zonden; daar was niet alleen verdorvendheid in de zeden, maar ook in de leer. Wat doet alhier de Heilige Apostel, dat is, dat instrument des Heiligen Geestes door wiens getuigenis de kerk staat en valt? Zoekt hij een scheiding te maken tusschen hem en haar? Werpt hij haar uit het koninkrijk van Christus? Slaat hij haar met den laatsten bliksem der vervloeking? Hij doet niet alleen geen van alle deze, maar hij bekent en verklaart, dat zij is een kerk van Christus en een gezelschap der Heiligen.'

Calvijn past dit als volgt toe op de avondmaalsgemeenschap:

'Ofschoon de kerk nalatig is in haar ambt, zo behoort nochtans daarom niet terstond een ieder bijzonder lidmaat zichzelf van de kerk af te zonderen. Ik ontken wel dit niet, te weten, dat de plicht van een godvruchtig mensch eist, dat hij zichzelf ontsla van alle bijzondere omgang met de goddelozen, en zich willens met hun gemeenschap niet laten. Maar het is wat anders, het gezelschap der bozen te schuwen, en wederom wat anders, uit een haat tegen de bozen, de gemeenschap der kerk te verlaten. En wat belangt, dat ze menen, dat het brood des Heeren met hen te nuttigen en heiligschennende daad en ontering Gods is, daarin zijn ze veel strenger dan Paulus. Want, als hij ons tot een heilig en zuiver gebruik des nachtmaals vermaant, zo eist hij niet, dat de een de ander of dat iedereen de ganse gemeente, maar dat een iegelijk zichzelf beproeve. Indien het niet ware geoorloofd met een onwaardige des nachtmaals deelachtig te zijn, zo zou Paulus gewisselijk ons bevelen rondom te zien, of er in de menigte der gemeente niet iemand is, door wiens onreinheid wij zouden mogen besmet worden. Maar, dewijl hij nu alleen eist, dat een ieder zichzelf onderzoeke en beproeve, zoo betoont hij, dat het ons in het minste niet schaadt, al is het, dat sommigen, die onwaardig zijn, zich met ons aan de tafel inschuiven.'

Over de kerk onder het Oude Verbond zegt Calvijn:

'De beschrijvingen zijn gruwelijk, waarmede Jesaja, Jeremia, Joel, Habakuk en andere de gebreken van de Juruzalemse kerk bewenen. Alle zaken waren onder het gemene volk, onder de overheid, en onder de priesters zo gans zeer verdorven, dat Jesaja zich niet ontziet Jeruzalem op één lijn te stellen met Sodom en Gomorra. De Religie was eensdeels veracht, andersdeels besmet; belangende de zeden daarin worden alom dieverijen, roverij- en, trouweloosheden, doodslagen en dergelijke boze stukken verhaald. En evenwel hebben de Profeten geen nieuwe kerken opgericht, of nieuwe altaren gebouwd, op welke zij bijzondere offeranden op zichzelf hebben en offeren mochten; maar hoedanig ook de mensen waren, dewijl zij nochtans overlegden en bedachten, dat de Heere zijn Woord onder henlieden vertrouwd en de ceremoniën ingesteld had, door welke Hij aldaar gediend werd, zo hebben we in het midden van de vergadering der goddelozen, reine handen tot Hem opgeheven.'

Dit alles toepassend op de kerk, zegt Calvijn:

'Somtijds zijn gehele kerken met zeer zware zonden beladen geweest, en evenwel heeft Paulus dezelve daaruit liever goedertierenlijk willen redden, dan dat hij den vloek tegen haar uitspreken zou. De afwijking van die van Galaten was geen geringe misdaad; die van Corinthe hadden nog meer schuld, want hun boosheden waren meer in getal en immers zo zwaar, en nochtans wordt gene van die twee kerken, noch de ene, noch de andere, van de barmhartigheid des Heeren uitgesloten. Ja, deze, die boven de andere door onreinigheid, hoererij en onkuisheid gezondigd hadden, worden bij name tot bekering genoodigd. Want het verbond des Heeren blijft en zal eeuwiglijk blijven onveranderd, hetwelk Hij openbaarlijk met Christus, de ware Salomo, en met zijn leden gemaakt heeft, en in deze woorden begrepen is: Indien zijne kinderen mijne Wet verlaten, en in mijne rechten niet wandelen, indien zij mijne inzettingen ontheiligen, en mijn geboden niet houden, zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. Maar mijne goedertierenheid zal Ik van hen niet wegnemen.'

Ook vandaag
Ook vandaag zal het heilzaam zijn voor de christenheid het bij deze klare visie van Calvijn te houden. Het zal verdere scheiding van de kerk voorkomen en het jagen naar de eenheid tegelijk met het ijveren voor de rechte leer bevorderen.

Zo blijf ik toch maar liever in de kerk met haar zonden en gebreken dan dat ik met ds. Hegger kies voor de huisgemeente wat infeite uitloopt - per uiterste consequentie - op 'een gemeente van louter wedergeborenen'. Ds. Hegger zegt het zo in feite ook:

'Een huisgemeente kun je alleen vormen met mensen, die de heerschappij van Christus over hun leven hebben aanvaard; vanzelfsprekend niet alleen met woorden, maar allereerst met hun hart, met hun klaar-bewuste 'ik'. (Dat men daartoe alleen maar kan komen door wedergeboorte, bekering en persoonlijke geloof, spreekt vanuit de Bijbel vanzelf). Volgens de Bijbel is het wel de bedoeling van Christus dat Zijn gemeente enkel uit wedergeborenen bestaat, maar wij mogen de wedergeboorte niet als een criterium, een norm, hanteren voor toelating tot de gemeente.'

Dan zeg ik toch maar liever met de titel van het eerste hoofdstuk uit het boek van prof. dr. A. A. van Ruler 'Waarom zou ik naar de kerk gaan?': 'om een kans op de bekering te lopen'. Zo is het door de tijden heen geweest. Mensen, die behoorden tot de gemeente werden in hun leven getrokken door de prediking 'uit de duisternis tot het licht'. Daarom is de kerk - ook dat is een uitdrukking van Calvijn - ons aller moeder. Die moeder kan ik aanklagen, maar zij blijft moeder. En de kerk verlaten kun je pas als die kerk tot secte wordt. Dat werd Rome op het concilie van Trente, zegt Groen van Prinsterer, door de waarheid buiten de deur te zetten toen ze de leer van de rechtvaardiging door het geloof uit vrije genade vervloekte.

N.a.v. H. J. Hegger: 'Zij is mijn bruid'; uitgave Evangelische Pers, Dieren, 208 blz.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1980

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Om de rechte leer en het verbond

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1980

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's