Boekbespreking
Dr. J. A. Hebly: Kerk in het socialisme - Gezichtspunten en stelUngname van een evangelische bisschop in de DDR, Ten Have b.v., Baarn 1979, 114 blz., ƒ 13, 50.
Dr. Hebly ontwerpt een beeld van de situatie van de evangelische (bijna geheel lutherse) kerk in de DDR, de Duitse Demokratische Republiek. Hij doet dit aan de hand van teksten van lezingen en rapporten, en van publicaties van teksten van lezingen en rapporten, en van publicaties van in hoofdzaak bisschop Krusche, die als de belangrijkste kerkelijke figuur in Oost-Duitsland kan worden beschouwd.
Niet echte de belangrijkheid maakt de inhoud van dit boekje waardevol, maar dat deze bisschop op essentiële punten voor de protestantse kerk in de DDR naar waarheid representatief kan worden geacht. Immers komt hij over als een wijs man en een goed herder, die daarom in eigen kerk in brede kring vertrouwen geniet. Hij is in 1954 uit West-Duitsland naar de DDR getogen, niet gedreven door communistische sympathieën maar uit pastoraal besef. Dat dwingt respect af, gezien de sociale repercussies waaraan predikanten in de DDR en hun gezinnen bloot staan. Hoe zo iemand de situatie ziet, is zonder meer belangwekkend. Het is een goed ding dat schrijver dit doorgeeft; overigens onder eigen verantwoordelijkheid. Eerst wordt het ontstaan van de situatie beschreven. Na de laatste oorlog is er nog lang een band gebleven met de Evangelische Kirche in West-Duitsland. Men heeft dit echter opgegeven omdat dit de staat niet welgevallig was. Vooral sindsdien, is het een angstvallig zoeken naar de meest geëigende houding die men aan moet nemen tussen kritiekloze solidariteit met de beginselen van 'de partij' en een liever maar geheel afzien van het überhaupt kritisch begeleiden van wat er zoal in dat land voorvalt.
Dr. Hebly ziet deze laatste houding voorgestaan door een werkgemeenschap 'Kerk en Belijdenis', die parallel loopt aan de beweging 'Kein anderes Evangelium' in West-Duitsland, een houding 'die wij (ook) kennen uit de kerken in ons land'. Deze gemeenschap oordeelt dat de (DDR-)kerk zich te veel bezig houdt met maatschappelijke en politieke vraagstukken (en dat dus uiteraard op een wijze die voor de staat aanvaardbaar blijft). Schrijver verwijst daarbij naar een kerkelijke uitspraak in 1963, door hem weergegeven als: 'geen terugtocht uit de roeping tot maatschappelijke verantwoordelijkheid en geen vlucht in de innerlijkheid.'
Deze woordkeus alleen al doet eraan denken, dat schr. meent dat maatschappelijk-politieke betrokkenheid en aandacht voor het persoonlijk kennen van God onverzoenlijk tegenover elkaar zouden staan, elkaar bijna zouden uitsluiten. In principe heeft men met hun relatie in lutherse kerken - in het bijzonder vóór de Barmer Thesen van de Bekennende Kirche - ook wel meer moeite dan in de gereformeerde Reformatie. Maar juist de meerdere belangstelling ook in Oost-Duitsland voor de Barmer Thesen met de kritiek op de twee-rijken-leer doet vermoeden, dat de groep 'Kerk en Belijdenis' het toch allicht niet zó polariserend bedoelt. Hun bezwaren tegen bisschop Krusche en andere kerkleiders-woordvoerders maken een meer kwantitatieve indruk; te veel - te weinig. Tenslotte doet Krusche zich kennen als iemand die óók wel degelijk van het innerlijk leven van de gelovige weet heeft. Maar hij wil elke schijn vermijden van dit via van allerlei te koppelen aan enig maatschappelijk systeem waaronder de kerk leeft. Daarbij gaat hij ook naar onze smaak wel wat ver in zijn afwijzen van 'ideologische frontvorming', in zijn distantiëren van 'iedere satanisering van de tegenstander'. Uiteraard zó gesteld om aanvaardbaar te blijven voor de DDR-overheid. Maar men vraagt zich af wat zijn commentaar dan wel mag zijn op de met Hitler meebabbelende kerkleiding in de dertiger jaren.
Hoe dan ook, de formule waarmee men nu werkt is: de kerk niet tegen, niet voor, niet naast, maar in het socialisme.
Een formulering die er wel erg opportunistisch uitziet. Maar kan men anders? Wie zijn wij, dat wij vanuit onze (nog) weinig aangevochten kerkelijke positie kritiek zouden uiten op wat bisschop Krusche CS. menen te kunnen of moeten doen om de vloedgolf van het officieel gesteunde atheïsme en de daarbij behorende doelbewuste bedreiging van de jeugd te weerstaan?
Wij mogen blij zijn dat dr. Hebly ons over deze zaken zo bijzonder verhelderend heeft willen inlichten; dat de uitgever dit werkje in samenwerking met Kerk en Wereld in de Oekumene-serie het licht heeft doen zien. Wij kunnen erdoor tot meer medeleven komen met deze zusterkerk, die op haar wijze er nog van tracht te maken wat ervan te maken is - en er dankbaarheid uit leren dat ons nog zoveel bespaard bleef. Zeer aanbevolen.
G. B. Smit
Aad Kili: Laat het Woord leven. Uitg. mij. J. H. Kok, Kampen z.j., 98 blz.,
ƒ 12, 50.
Schrijver is baptistenpredikant geweest en nu directeur van het Christelijk Jongeren Verbond. Hij richt zich in dit boekje tot hen die met jongeren bezig zijn: catecheten, jeugdwerkers, godsdienstleraars, met de bedoeling ze te helpen met die jongeren de bijbel naderbij te brengen. Het hoofdaccent ligt daarbij, naar de omslag vermeldt, niet op de exegese maar op de overdracht. Het werkje begint met algemene opmerkingen over het hoe van de overdracht: met de bijbel op vakantie - spelen met het Woord - ben je geloofwaardig? Daarna wordt een aantal thema's behandeld, elk gevolgd door suggesties voor verwerking in een jongerengroep.
Schrijver is uit hoofde van zijn arbeid op dit gebied zeer vindingrijk in het suggereren van vormen van verwerking (gesprek, rollenspel e.d.), terwijl ook in het algemene gedeelte veel waardevolle opmerkingen voorkomen waarvan men ook bij jongerenwerk onder ons wel nut zal kunnen hebben. Schrijvers kijk op de bijbel is evenwel sterk door nieuwere inzichten bepaald. Vooral thema's als 'Tekenen van het koninkrijk', 'Vrede', 'Gemeenschap' - maar ook andere - geven schrijver volop gelegenheid met die inzichten mee te zwemmen; en hij haast zich daar gebruik van te maken. Dat beperkt de bruikbaarheid vam het boekje belangrijk.
G. B. Smit
Aad Kik: Zit God daar achter? Uitgeversmij. J. H. Kok, Kampen z.j., 70 blz.,
ƒ 9, 75.
Als persoonlijke gedachte presenteert drs. Kik (blz. 41): 'Jezus sterft aan Zijn betrokkenheid op de wereld en aan het feit dat Hij zich de gebrokenheid van ons bestaan zo verschrikkelijk persoonlijk aantrekt. Hij zegt wat Hem dwars zit, zó direkt, zó radikaal, dat hij persona non grata wordt en uit de weg geruimd moet worden. Vertroostend vind ik (d.i. dus schrijver) daarbij, dat God van die mens gezegd heeft 'dit is mijn Zoon'. Hij zegt dat ook van al diegenen die in datzelfde spoor verder gaan.'
Het is niet aan te nemen dat veel lezers iets aan die persoonlijke gedachte hebben. Van bijbelse nodes als: Christus als Middelaar, en soortgelijke zaken, komt niets terecht. Ellende en verlossing worden in moderne trant 'umgedeutet' en dus in wezen ook om hals gebracht - bij het Laatste Avondmaal laat schrijver Jezus (consequent zó aangeduid) zeggen: 'Je denkt op de beste manier aan mijn dood door samen te eten, brood en wijn; dus aan het leven te denken. Als mijn lichaam voedsel wordt waardoor jullie het werk kunnen voortzetten, sterf ik niet voor niets.' Bij dat 'werk' moet dan worden gedacht o.a. aan het ondersteboven halen van het traditionele christendom om daardoor het 'Nieuwe Rijk' naderbij te brengen. Dat Rijk Gods en de oecumene, keren vrij vaak terug en worden ook modern en nogal naïef behandeld.
Dit moois en nog veel meer wordt door de achterpagina van de omslag aangekondigd als 'een welkome bijdrage voor jonge en oudere zoekers'. Jammer dat zulke dingen op 'zoekers' worden losgelaten. Als de kerk zo weinig zaaks heet, lijkt mij dat tegenover jongeren waarop schrijver mikt vrij negatief; meer naar de mond pratend dan opbouwend.
De goede woorden van het Evangelie zijn als vette koeien in dit boekje grotendeels verslonden door de magere koeien van het geamputeerde dogma en van de overdracht die zo ludiek moet zijn; en nu blijft het geheel mager als tevoren. Nogmaals: jammer, want in dat overdragen is schrijver werkelijk nogal eens origineel. En de laatste drie paragrafen'Vergeefse moeite'(over Ps. 127 : l), 'Van balken en splinters' (Matth. 7 : 1-6) en 'De kracht van kleine daden' (Matth. 13 : 24-33) spreken zowaar nog wel aan. Maar dan is het geheel al reddeloos in het moeras gezakt.
G. B. Smit
'n Nuwe lied vir die Here, red. J. A. Loader. Uitg. Haum, Pretoria/Kaapstad, 1979, 177 blz., R. 6.75.
Ter gelegenheid van een jubileum of afscheid van een hoogleraar worden nogal eens bundels uitgegeven van opstellen van zijn leerlingen. Waarom zou zo'n bundel niet verschijnen ter gelegenheid van een nieuw liedboek? Aldus is dan ook nu in Zuid-Afrika geschied.
Men moet wel bijzonder goed met Zuidafrikaanse toestanden en verhoudingen, zelfs in dit beperkte gebied van de blanke, Afrikaans sprekende kerken op de hoogte zijn om alle pointes van sommige bijdragen te kunnen plaatsen.
Allereerst: er zijn drie van zulke kerken. Daarvan is de Nederduits Gereformeerde Kerk (de NGkerk), veruit de grootste van de drie, de regelrechte voortzetting van onze Nederlandse Hervormde kerk in de Kaapkolonie. Daarnaast is er de Nederduits Hervormde Kerk, de vorige eeuw in Transvaal en Oranjevrijstaat ontstaan door de politieke controverse met de toen Engels geworden Kaapkolonie. Tenslotte de Gereformeerde of Dopperkerk, bij het ontstaan waarvan in 1859 de gezangenkwestie een veel grotere rol schijnt te hebben gespeeld dan ooit ten onzent.
Het op Hervormingsdag 1978 in gebruik genomen 'nuwe Psalm-en Gesangboek' gaat van twee van deze drie kerken uit; blijkens een 'voetnota' deed de Gereformeerde Kerk, die zich voor de vernieuwing van de psalmen uit het boek mede zeer heeft beijverd, uiteindelijk toch niet mee.
Ook is voor ons niet gemakkelijk te volgen, dat uit de bijdrage van D. J. C. van Wyk, die zeer onderhoudend en zorgvuldig vijftig jaar geschiedenis van deze zaak beschrijft, blijkt dat de Nederd. Herv. kerk (de Afrikaanse dus!) het meest bij het vernieuwen van psalmen (vooral melodieën) en gezangen heeft tegengestribbeld; terwijl de Raad voor Kerkmuziek van juist deze kerk de hier besproken 'feestbundel' organiseerde. Niettemin is de bijdrage van Van Wyk voor geïnteresseerden bijzonder belangwekkend. Er blijkt wel uit dat de NH-kerk zich als een behoedster heeft willen opstellen van meer behoudende elementen.
Daarnaast komen in de bundel lezenswaardige bijdragen voor van (prof.) A. van Selms (spijtig dat de auteurs niet aan de lezers worden gepresenteerd) die het begrip 'een nieuw lied' in de bijbel natrekt, van W. S. Vorster over het Magnificat (lofzang van Maria), van J. A. Stoop over de kerkliederen van Hilarius van Poitiers (een minder bekende evenknie van Ambrosius), van R. Mathlener over het kerklied tijdens de Reformatie met enige muzikale aspecten, van A. D. Pont over de Psalmzingers (kennelijk een medewerker uit de geen gezangen zingende Gereformeerde Kerk), van P. J. Cilliers over begeleiding en melodie van het kerkhed, en van S. G. A. Golden over kerkzang in Nederland en Zuid-Afrika vandaag.
De bundel wordt besloten door een fundamenteel opstel van de redacteur J. A. Loader: 'Waarom sing ons in die kerk? ' Interessant, maar misschien niet helemaal indiscutabel, zijn zijn opmerkingen over Ps. 137.
In het algemeen, maar in het bijzonder in de bijdrage van 'Van Wyk, komen de psalmmelodieën nogal eens ter sprake. Het valt op, dat nergens blijkt dat men wel eens heeft gedacht aan de oecumenische waarde van deze Geneefse melodieën. Maar daar zal de weinig vriendelijke houding van de niet-Zuid Afrikaanse kerken tegenover Zuid-Afrika wel schuld aan hebben.
De uitvoering van de bundel is bijzonder keurig. Hij zal de belangstelling kunnen wekken van wie ook in onze Nederlandse liturgische situatie geïnteresseerd is.
G. B. Smit
Dr. A. van Ginkel: De ouderling, Ton Bolland. Amsterdam 1975, 333 blz.,
ƒ 39, 50.
Door bepaalde omstandigheden is een bespreking van dit boek in De Waarheidsvriend tot dusver achterwege gebleven. Ons excuus daarvoor aan schrijver en uitgever.
Het boek heeft vier jaar geleden dienst gedaan als dissertatie. Het lijkt ons gewenst ook de ondertitel te vermelden, die luidt als volgt: Oorsprong en ontwikkeling van het ambt van ouderling en de functie daarvan in de gereformeerde kerk der Nederlanden in de 16e en 17e eeuw.
De omslag van het boek is versierd met een afbeelding van de ronde bank van de Nieuwe Kerk te Amsterdam, waarin men een aantal ouderlingen ziet zitten, nog echt ouderwetse, markante figuren. Nooit zag ik een foto op een omslag die zo goed passend was bij de inhoud van het boek als deze; waarlijk een vondst!
Het boek begint met een exegetisch gedeelte, daarna krijgt men een historisch-practisch gedeelte. In beide delen wordt heel veel materiaal aangedragen, waar geïnteresseerden veel aan hebben kunnen.
In de Inleiding stelt de schrijver dat aan het ouderlingen-ambt betrekkelijk geringe aandacht is besteed. Maar als men de literatuurlijst achterin bekijkt voelt men de neiging opkomen dat woord 'betrekkelijk' extra te onderstrepen; het valt nl., moet ik zeggen, nogal mee.
Desalniettemin, een nieuwe studie over de ouderling als hier geboden wordt valt niet te versmaden. Helaas kan ik de strekking van het boek, waarin duidelijk moderne theologische inzichten herkenbaar zijn, niet bijvallen.
Aan het eind van zijn boek bepleit de schrijver voor de toekomst een verdere democratisering van kerk en ambt (318). Die trek loopt door heel het boek heen. Zij is echter, naar mijn oordeel meer naar de geest van de tijd dan naar de Geest van Christus. Om niet lek te varen op de klip van de hoogkerkelijkheid is het niet nodig het schip vast te zetten op de klip der laagkerkelijkheid. De Reformatie heeft, naar de Schrift, het juiste midden weten te houden. Daardoor bleven het gezag van Christus en zijn Woord en de mondigheid der gemeente beide gehandhaafd.
De schrijver staat op Schriftkritisch standpunt, twijfelt aan de historische betrouwbaarheid van Lukas in Handelingen - , dat doet zijn studie geen goed. Ook kan ik niet delen zijn stelling dat Calvijn het ambt van ouderling niet direct aan de Schrift ontleend heeft. Hij zou deze figuur pas achteraf nadat een zekere ontwikkeling in Geneve haar beslag had gekregen, in de Schrift opgedoken hebben. Met deze stelling heeft de schrijver geen recht laten wedervaren aan Calvijns Schriftgetrouw denken. Het is niet zo dat de praktijk bij hem de bezinning heeft bepaald, zijn verstaan van de Schrift, maar omgekeerd: zijn verstaan van de Schrift bepaalde wat hem in de praktijk voor ogen stond.
Wie ooit studie wil maken van de figuur van de ouderling zal moeilijk om dit boek heen kunnen en zal er ook veel aan kunnen hebben. Maar wij houden onze bezwaren.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's