De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Met liefde in het ambt staan

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Met liefde in het ambt staan

Openingswoord op de predikantenvergadering te Woudschoten d.d. 3 januari 1980

9 minuten leestijd

Beste collega's Vandaag mogen wij weer bijeen zijn voor onze jaarlijkse contio. De wereld om ons heen is boordevol spanningen en conflicten. De nationale en internationale problemen van politieke, economische en sociale aard stapelen zich op. Met het jaar wordt die berg hoger. Is niet te vrezen, dat het vroeg of laat komt tot een ontlading van deze escalaties?

Wij weten alleen niet op welke wijze, wanneer en waar. Wellicht is de tijd die wij beleven apocalyptischer dan men doorgaans bedenkt, dan ook wij doorgaans bedenken.

Maar ook in zulk een tijd gaat ons werk door. Daarbij denk ik dan nu vooral aan ons mooie, maar tevens moeilijke en verantwoordelijke predikantswerk.

Staat u mij toe, dat ik enkele gedachten ontvouw over de wijze waarop wij, naar het mij voorkomt, in het ambt hebben te staan.

Wij zijn hier samen als predikanten.

De een staat reeds vele jaren in het ambt, de ander nog maar kort, een derde is, naar de mens gesproken, zo ongeveer halverwege. De speciale gaven en bekwaamheden van de een liggen op dit terrein, van een ander weer elders.

De een doet het werk zeer blijmoedig, de ander gaat veelal gebogen onder een last. Maar hoe verscheiden wij ook zijn, wij mogen allen in een en dezelfde kerk in het ambt staan, het ambt van predikant, het wondere ambt van dienaar van het Goddelijk Woord. Met deze benaming is zowel het hoge als het tot ootmoed stemmende gegeven. Het hoge.

Wij worden immers steeds weer geroepen het Goddelijke Woord te bedienen. Dat moet aan het woord komen. Dat hebben wij te vertolken. Het Woord van God moet zijn loop hebben. Wet en Evangelie moeten verkondigd worden. En wij worden geroepen het te verkondigen. Steeds weer. Wij hebben de mond van God tot de mensen te zijn. Maar wij zijn zelf niet meer dan 'homuncio quispiam ex pulvere emersus' (Calvijn)!

Wie is uit zichzelf hiertoe bekwaam? Wij mogen dan ook wel heel ootmoedig zijn.

In de eerste plaats tegenover de Heere, die ons roept en zendt. Maar ook tegenover de mensen, omdat niets menselijks ons immers vreemd is.

U bemerkt, dat ik bij de aanduiding van ons werk de prediking, de verkondiging de voorrang geef. Naar mijn stellige overtuiging behoort dit ook. De bediening van het Woord, met daaraan 'klevende' die van de sacramenten, is voor mij primair, ook in deze tijd van inflatie en devaluatie van woorden.

Temidden van de onbetrouwbaarheid en loosheid van zoveel menselijke woorden hebben wij de vastheid en betrouwbaarheid van het Goddelijk Woord te verkondigen.

Dat biedt ons grond, rotsgrond om op te leven en om op te sterven. Het is Gods wijze van doen, in de apostolische tijd, in de 16e eeuw, maar onverminderd ook tegen het einde van de 20e eeuw om door het gepredikte Woord mensen tot het geloof te brengen, zondaren zalig te maken en hen in het geloof te versterken. De 'moderne' mens kan de bediening van de verzoening evenmin missen als de antieke mens.

In de prediking geschiedt toch niét minder, dan dat het Koninkrijk der hemelen wordt geopend voor hen die geloven en gesloten voor hen die niet geloven.

Het is dan ook allerminst verwonderlijk, dat de boze stelselmatig het Woord en de prediking daarvan wil ondermijnen. Een van zijn nieuwste vondsten is om de Bijbel, met behulp van hermeneutische regels, krachteloos te maken.

Oud en Nieuw Testament, woorden van profeten en apostelen, van Jezus en Paulus worden van elkaar losgemaakt en tegenover elkaar uitgespeeld. Ging de Goddelijke openbaring in het modernisme van de 19e eeuw door de filter van de ratio, tegenwoordig gaat zij door de filter van de ervaring. In de overheersende theologie is de Heilige Schrift onderworpen aan het moderne levensgevoel.

Wie zich beroept op het: daar staat geschreven, komt al eenzamer te staan.

Evenmin is het verwonderlijk, wanneer de boze zijn aanvallen richt op de predikers zelf. Wanneer hij die weet uit te schakelen, dan bereikt hij zijn doel ook. Dat kan gebeuren door gevangenschap en gewelddadige dood. Wie zal zeggen hoe velen in de loop der eeuwen op deze wijze zijn getroffen? ! En God kent hen die thans op deze wijze monddood zijn gemaakt. Het kan ook gebeuren door te verleiden tot ontrouw in de bediening of tot handelwijzen waardoor Gods Naam wordt gelasterd.

Nog weer een andere mogelijkheid is, dat hij de predikers plaagt met wankelmoedigheid en moedeloosheid, zodat er van hun dienst weinig of geen beslistheid en kracht uitgaat. Verwonder u niet, wanneer vele aanvechtin­gen uw deel zijn! Wanneer voortdurend weer de gedachte om de hoek komt kijken, dat al uw moeite en inspanning toch niets uithalen. Zeker is in de pastorieën de boze extra actief.

Hoe staan wij nu in dit ambt, waarvan de prediking het brandpunt is? Als ik op deze vraag probeer een antwoord te geven, althans op de vraag hoe wij daarin behoren te staan, dan is dat met een levend besef van het gebrekkige van mijn eigen bediening. Maar ik zoek het antwoord in het Evangelie, in het Kerstevangelie, dat wij vorige week weer hebben mogen verkondigen.

Is een samenvatting daarvan niet gegeven in dat overbekende maar meer nog onuitputtelijk rijke en diepe woord, dat wij lezen in Johannes 3:16: 'Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet zou verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben'?

Deze onbegrijpelijke liefde van God wil ons werk dragen. En dat kan alleen wanneer wij ons persoonlijk door deze liefde gedragen en in deze liefde geborgen weten, al is dit weten soms erg zwak en bestreden.

En dat als een klein stukje van deze wereld. Maar: wereld, dat wil zeggen: zij is, wij zijn verdorven en opstandig tegen God. Hetzelfde met andere woorden gezegd: alleen wanneer wij zelf leven uit de rechtvaardiging van de goddeloze, wanneer wij de ontferming van de Heere kennen, wanneer wij weten dat ons barmhartigheid is geschied - maar wat leven wij daar veel te weinig uit, wat leven wij zelf dikwijls ver van God - kunnen wij de ontferming en barmhartigheid Gods prediken. Nee, wij zijn geen apostelen zoals de twaalf en Paulus.

Maar de Heere draagt ons wel op zijn Woord, hetzelfde Woord te verkondigen, zijn Christus, zijn recht en genade, onze verwerpelijkheid en mogelijkheid tot redding.

En wanneer wij zelf door genade leven uit hetgeen wij prediken, prediken mogen en prediken moeten, dan verstaan wij iets van het paulinische: want de liefde van Christus dringt ons.

En: wee mij indien ik het Evangelie niet verkondig, omdat de nood mij is opgelegd. Dan kennen wij ook iets van de huiver anderen gepredikt te hebben en zelf verwerpelijk te worden.

Alleen wanneer het Evangelie voor ons persoonlijk een goede boodschap werd en steeds weer wordt, kunnen wij bezield en bewogen deze boodschap doorgeven.

Bezield, omdat de boodschap ons hart, ons zelf heeft geraakt, steeds weer raakt en tot verwondering en aanbidding brengt.

Bewogen, omdat wij medeverantwoordelijkheid dragen voor het heil, het eeuwig heil, maar tevens voor het eeuwig onheil van mensen.

Ook moeten wij om boodschapper te zijn zelf eerst leren luisteren, altijd weer luisteren. De grondregel blijft voor ons: Spreek, Heere, want uw knecht hoort. En deze regel moeten wij in de praktijk niet omkeren.

Zulk eerbiedig luisteren, zulk een ootmoedig gebed om ogen die de wonderen van Gods wet mogen aanschouwen, vergt zelfverloochening, tijd en stilte. Maar alleen zó kan het Woord óns aanspreken, door ons heengaan, terwijl het neerslaat en opricht, ontdekt en vertroost.

En alleen zo worden wij bewaard voor een dor, onbezield en beroepsmatig bezigzijn. Dan komen we ook niet steeds weer met cliché's en schabionen. De Waarheid is niet hetzelfde als een aantal waarheden. Dan verlangen we naar het hart van Jeruzalem te spreken en dat is heel iets anders dan de mensen naar de mond praten.

Een hoog ambt vraagt een totale inzet. Maar is de Heere het niet waard, dat we óns ijverig in zijn dienst geven? Non amat qui non zelat, schrijft Augustinus ergens.

Het is immers niet gering om uitdelers van de verborgenheden (mustèrioi staat er in het Grieks) van God te zijn en gezanten van zijn Koninkrijk? Het is de liefde van God die de liefde tot God wekt.

Alleen vanuit deze liefde kunnen wij ook liefhebben de kerk waarin wij mogen dienen, hoewel zij zo vele gebreken heeft.

Ook heel concreet de gemeente, al is er veel in haar dat anders moest zijn.

Vanuit deze liefde kunnen wij ook geduld hebben met lastige gemeenteleden en soms kerkeraadsleden.

Deze liefde bewaart er ons voor, dat wij anders zouden willen zijn dan God ons gemaakt heeft, leert ons onszelf aanvaarden, zodat wij het wel kunnen hebben, wanneer een collega andere, mogelijk meer talenten heeft.

Wat is er immers helaas ook veel ambtelijke naijver. De liefde van God in Christus doorgloeie ons en ons werk, opdat we met blijdschap bezig zijn en niet al zuchtende.

Laten wij bij dat alles de studie niet vergeten. Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is deze bij een drukke praxis recht te laten wedervaren.

Maar er treedt een verdorrings-en verschralingsproces in wanneer de beoefening van de theologie in de pastorie achterwege blijft en daarmee bent u noch is de gemeente noch de kerk gediend. Wanneer wij bij dit alles nog een oog hebben voor het humorvolle van menige situatie zijn we bevoorrecht en worden we niet gauw krampachtig.

Nog twee misverstanden wil ik signaleren. Enerzijds is er het gevaar van de veralgemening van de liefde van God. Onder de kwalijke invloed van de barthiaanse en post-barthiaanse theologie is de genade niet particulier meer. De ernst en klem, de oproep tot bekering en de noodzaak van de wedergeboorte verdwijnen dan uit de prediking en uit al het ambtelijk bezig zijn.

Anderzijds is er een prediking meer van de ongenade dan van de barmhartigheid van God.

Het komt mij voor, dat het toenemend verlangen in de gemeenten naar zulk een prediking ten diepste alles te maken heeft met de moderne twijfelzucht, terwijl zij ook precies aansluit bij ons boze hart, dat veel eerder het kwade van God gelooft dan het goede, dat liever zichzelf wil blijven dan knielen en zich overgeven.

Hoe staan wij in het ambt?

Het moge zijn met liefde, gedragen door de liefde van God. De rechte liefde is nooit zonder gestrengheid tegen het verkeerde. Het geheim van de liefde is geven. Zichzelf geven. Vergeven. De liefde vergaat nimmermeer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Met liefde in het ambt staan

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's