De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Opnieuw: God in Nederland (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Opnieuw: God in Nederland (5)

9 minuten leestijd

In dit artikel letten we vooral op de mening van jongeren ten aanzien van godsdienst en kerkelijkheid zoals deze uit de enquête van De Tijd en de KRO te voorschijn komt.

De gegevens uit de vorige artikelen hebben betrekking op de gehele Nederlandse bevolking.

Nu letten we op een deel van de bevolking, met name op de jongeren. Tevens zullen we deze gegevens nog weer vergelijken met oudere leeftijdsgroepen. De enquête had 5 leeftijdsgroepen:17-24 jr.; 25-34 jr.; 35-49 jr.; 50-64 jr. en 65 jaar en ouder. Het zou te ver gaan om alle gegevens op leeftijdsgroep met elkaar te vergelijken. Om die reden doe ik een keuze uit het overvloedige materiaal uit het al meer genoemde boek: Opnieuw: God in Nederland.

Zingeving van het leven
Het gezin staat bij de vraag naar de zingeving van het leven hoog aangeschreven. Bij ouderen echter veel hoger dan bij jongeren. In de jongste leeftijdsgroep vindt 35% het gezin het voornaamste doel van het leven. Voor de overige leeftijdsgroepen samen is dat 53%.

De financiële welstand wordt als doel van het leven onder jongeren hoger gewaardeerd dan onder ouderen. 27% van de jongeren vindt materiële welstand het belangrijkste doel van het leven; in de andere leeftijdsgroepen zijn de percentages respectievelijk: 16, 19, 15 en 10%.

De twee jongste groepen kiezen 'liefde' vaker dan de middengroepen als belangrijkste waarde voor het leven. Ook 'gelukkig zijn' is bij jongeren hoger genoteerd dan bij ouderen. Er zijn veel meer gegevens te noemen. Deze zijn echter al voldoende om ons duidelijk te maken dat er onder jongeren een grote heroriëntering plaats vindt.

Referentiepersonen
De twee jongste groepen (17-34 jr.) hebben minder vaak dan de oudere groepen een referentiepersoon uit de godsdienstige sector: 10% tegen 20% onder 50-64 jarigen. Hier gaat het om nog levende refenrentiepersonen. Als het gaat om overleden referentiepersonen zien we hetzelfde beeld.

Gaan er in het algemeen al weinig mensen met hun problemen naar een geestelijke, onder jongeren is dat verschijnsel nog veel sterker dan onder ouderen. Van 17-24 jarigen gaat 2% met problemen naar een geestelijke, onder 25-34 jarigen 3%, onder 35-49 jarigen 11% en onder 50-64 jarigen 9%.

In vergelijking met 1966 is in elke groep dit percentage sterk gezakt. De vergelijkende cijfers voor respectievelijk dezelfde groepen zijn in 1966:16%, 14%, 16% en 17%.

Geloof
De jongste leeftijdsgroepen vinden het geloof van minder belang dan de oudere groepen (van de 17-24 jarigen vindt 23% dat het geloof grote betekenis heeft tegen resp. 35%, 45% en 52% voor de volgende leeftijdsgroepen).

De jongeren vinden zich minder vaak dan de ouderen een beslist gelovig mens:29% van de 17-24 jarigen vindt zich beslist gelovig, tegen in de volgende leeftijdsgroepen resp. 36%, 45%, 54% en 55%.

Ook hier zullen we goede nota van moeten nemen. Vele jongeren zullen nog wel in het algemeen over 'geloof' kunnen en willen spreken, maar tot duidelijke uitspraken komen zij moeilijk. Tevens is het goed op te merken dat ondanks deze ongunstige cijfers er veel jongeren zijn die hunkeren naar een nieuw geloofsbeleven. Veel jongeren willen zich ook geheel aan de arbeid in dienst van God geven. Gezien de cijfers zullen we er op moeten rekenen dat het geloofsbeleven van de meelevende jongeren anders zal zijn dan van ouderen. Er is onder jongeren een vraag naar een nieuwe spiritualiteit en minder neiging tot het aangaan van niet wezenlijke bindingen.

Sekten, groepen en stromingen
De oudere groepen weten meer van vrijmetselarij, theosofie en soefi dan de jongeren. De jongeren weten meer van humanisme, yoga, Jesus People, Transcendente Meditatie, enz. dan de ouderen.

Geloof in God
Van de 17-24 jarigen gelooft 23% in een persoonlijke God, tegen 39% voor de overige leeftijdsgroepen samen. In vergelijking met 1966 gelooft men thans minder zeker in een persoonlijk God. Het geloof in een 'hogere macht' groeit onder jongeren: onder 17-24 jarigen is dat 41% en onder 25-34 jarigen 43%. Het geloof in Christus als Zoon van God is onder jongeren aanzienlijk geringer dan onder ouderen. Behalve onder de oudste leeftijdsgroep is overal het geloof in Christus als Gods Zoon achteruit gegaan. Over de hele linie tussen 10 en 25%.

In vergelijking met 1966 zeggen alle groepen behalve die van boven 65 jaar, dat bidden niet veel zin voor henzelf heeft. Ten aanzien van de Bijbel als Woord van God is eenzelfde verschuiving merkbaar.

Kerk
De aansluiting bij een kerk vindt door jongeren minder plaats dan door ouderen. Van de 17-24 jarigen is 37% aangesloten bij de R.K. Kerk, 6% bij de N.H. Kerk, 10% bij de Geref. Kerken en 3% bij overige (in 1966 waren de cijfers resp. 43, 14, 11 en 2%).

Voor de oudste leeftijdscategorie liggen de cijfprs totaal anders. Van 65 jarigen en ouder is 22% aangesloten bij de R.K. Kerk, 30 % bij de N.H. Kerk, 9% bij de Geref. Kerken en 2% bij andere groepen. (In vergelijking met 1966: resp. 25, 25, 8 en 4%).

Hieruit is op te maken dat veel ouderen alsnog de R.K. Kerk verlaten en dat de N.H. Kerk sterk vergrijst.

Kerkbezoek
Van de jongste groep gaat 29% regelmatig naar de kerk, 17% soms, 23% zelden en 32% nooit (in 1966: resp. 62, 9, 8 en 23%). Alle groepen behalve die van 65 jaar en ouder gaan thans minder regelmatig naar de kerk dan in 1966.

Normen en waarden
Ouderen verzetten zich meer tegen abortus, euthanasie en homoseksualiteit. Opvallend is dat in de jongste leeftijdsgroep er weer meer bezwaren tegen deze zaken beginnen te rijzen dan bij de 25-34 jarigen. Over het geheel genomen blijkt de groep 25-34 jarigen het meest liberaal te zijn. Het samenwonen wordt in de jongste groepen minder vaak een probleem geacht dan onder ouderen. Geen bezwaar daartegen heeft 59% van de 17-24 jarigen, 62% van de 25-34 jarigen, 37% van 35-49 jarigen, tegen 27% van hen die 50 jaar en ouder zijn.

Verzuiling
Over het algemeen neemt de keuze voor een bijzondere school af, evenals de binding van geloof en politiek. Toch blijven er opvallende nuances in dit opzicht.

Mannen en vrouwen
Er is niet veel verschil onder mannen en vrouwen ten aanzien van de vraag of zij gelovig zijn of niet. Zowel van mannen als vrouwen beschouwt 2/5 zich als beslist gelovig. Ook ten aanzien van het geloof in God en in Christus is er tussen mannen en vrouwen weinig verschil.

Ten aanzien van het gebed ligt het anders:57% van de vrouwen vindt dat het gebed zin heeft tegen 49% van de mannen. 44% van de vrouwen vindt dat de Bijbel het Woord van God is tegen 37% van de mannen. In verreweg de meeste zaken zijn er weinig verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat geldt zelfs bij de vraag of vrouwen wel voldoende tot hun recht komen in de kerk. Ook deze vraag wordt door mannen en vrouwen op ongeveer gelijke wijze beantwoord.

Geloof en sociale klasse
In de enquête is ook een relatie gelegd tot de sociale klasse waarin zich degenen, die de vragen hebben beantwoord, bevonden.

De hoogste klasse omvat: hogere ambtenaren, directeuren, artsen, e.d.; de op een na hoogste klasse: onderwijzers, ambtenaren, kantoorpersoneel, grotere boeren, e.d.; de middenklasse: kleine middenstanders, ambtenaren uit middenposities, e.d.; de op een na laagste klasse: geschoolde arbeiders, lagere ambtenaren, e.d.; de laagste klasse: ongeschoolde arbeiders en 'losse' werklieden. Over de relatie tussen geloof en sociale klasse staan veel cijfers in het boek waaruit ik steeds gegevens doorgeef. Enkele grepen daaruit volgen hier.

De ontevredenheidsgraad is bij de laagste klasse gestegen tot 19%, bij de hoogste klasse is niemand geheel ontevreden. Daartussen liggen percentages van 8 tot 14% oplopend, al naar gelang de sociale welstand afneemt. Op de vraag of het geloof steun biedt antwoorden van de hoogste tot de laagste klasse achtereenvolgens 34, 37, 31, 27 en 19% met: a. Een opmerkelijk gegeven, vooral wanneer we de hoogste met de laagste groep vergelijken. In de laagste groep vindt men het meeste geloof in een persoonlijk God:47%. In de op een na laagste groep is dat 27%. In de andere daarop volgende groepen is dat:36, 40 en 38%.

Van hoog naar laag liggen de percentages ten aanzien van het kerkbezoek (afgelopen zondag werd gevraagd) als volgt:21%, 35%, 30%, 21% en 24%. Vooral de percentages 35 en 30% geven aan dat de middengroepen meer naar de kerk gaan dan anderen. Tegelijkertijd blijken de verschillen in kerkgang kleiner te zijn dan men wel eens suggereert.

Politieke partij en Godsgeloof
Van de aanhang van het CDA gelooft 62% in een persoonlijk God en 35% in een hogere macht, voor de PvdA liggen de cijfers als volgt:16% tegen 40%, voor VVD 20% tegen 61% en D66 14% tegen 51%.

Verzuilingsmentaliteit
Uit de cijfers blijkt dat naarmate het geloof in een persoonlijk God sterker is, ook de verzuiling krachtiger is. Dit gegeven raakt alle onderwerpen waarover we in deze artikelen hebben geschreven.

Regionale verschillen
In Noord-Brabant en Limburg gaf bij de volkstelling van 1971 resp. 86 en 92% op Rooms-Katholiek te zijn. Het is merkwaardig in de cijfers te vinden dat van deze aantallen slechts een vierde in een persoonlijk God gelooft. Velen geloven in een hogere macht. In Zeeland is het geloof in een persoonlijk God nog het sterkst aanwezig, gevolgd door de regio's Noord (Groningen, Friesland en Drenthe), Oost (Overijssel en Gelderland), West (Noord-en Zuid-Holland, Utrecht) en Zuid (Noord-Brabant en Limburg). De percentages lopen af van 53% tot 26%.

Deze gegevens tonen duidelijk historische verschillen aan, zoals deze bestaan (hebben) tussen Rooms-Katholieken en Protestanten. Een ander opvallend gegeven is dat naarmate de verstedelijking toeneemt het Godsgeloof afneemt. Op het platteland gelooft 45% in een persoonlijk God, op het geïndustrialiseerde platteland 35%, in forensengemeenten 34%, in kleine steden 34%, grotere steden 30% en in de drie grootste steden 22%.

Opleiding en Godsgeloof
Het blijkt niet waar te zijn dat naarmate men meer opleiding heeft, men minder gelooft. Van diegenen, die lager onderwijs hebben genoten gelooft 41 % in een persoonlijk God, van hen die uitgebreid onderwijs hebben genoten 31%, mensen met middelbare opleiding 26% en met hoger onderwijs 39%. In de middengroepen is men het meest onzeker over God zoals uit deze cijfers blijkt.

Slotwoord
In het volgende artikel gaat het nogmaals over cijfers. Daarna gaan we in op de betekenis van deze cijfers voor het kerkewerk, het evangelisatiewerk in het bijzonder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Opnieuw: God in Nederland (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's