Christenen en andere christenen of niet-christenen?
Het kan niet ontkend worden dat prof. Wessels een boeiend betoog heeft geleverd en de westerse christenheid wat haar zending en dus de grond van haar bestaan betreft, voor indringende vragen heeft gesteld. Heeft het christendom in de geschiedenis niet meer geheerst dan gediend, heeft het daarom aan Christus niet een gelaat opgedrongen dat het Zijne niet is, en zichzelf tot een Europees provincialisme begrensd en zodoende tot wijdere ontmoetingen onmachtig gemaakt? Wijst de Bijbel zelf niet (bijv. bij Cornelius) in de richting van Gods aanwezigheid voordat wij ergens aanwezig zijn, en betekent dit niet dat de verkondiging door de reële ontmoeting (gastvriendschap) wordt 'ingekleurd'?
(2)
Enkele vragen
Het kan niet ontkend worden dat prof. Wessels een boeiend betoog heeft geleverd en de westerse christenheid wat haar zending en dus de grond van haar bestaan betreft, voor indringende vragen heeft gesteld. Heeft het christendom in de geschiedenis niet meer geheerst dan gediend, heeft het daarom aan Christus niet een gelaat opgedrongen dat het Zijne niet is, en zichzelf tot een Europees provincialisme begrensd en zodoende tot wijdere ontmoetingen onmachtig gemaakt? Wijst de Bijbel zelf niet (bijv. bij Cornelius) in de richting van Gods aanwezigheid voordat wij ergens aanwezig zijn, en betekent dit niet dat de verkondiging door de reële ontmoeting (gastvriendschap) wordt 'ingekleurd'?
Maar vragen plegen ook weer vragen op te roepen. De vragen mijnerzijds pogen alleen maar de basis van de christelijke verkondiging in het oog te houden. M.i. spreekt Wessels nogal ongenuanceerd aan het slot van zijn oratie over de verhouding van de christelijke verkondiging en de gastvriendschap, de christelijke verkondiging en de werkelijke ontmoeting tussen christenen en mensen van ander geloof. Aan de ene kant komt de gastvriendschap (de ontmoeting) niet in de plaats van de verkondiging, aan de andere kant kleurt zij die wel in en bepaalt zij de inhoud ervan op een van de meest wezenlijke punten, nl. de leer van Christus. Er is een openbare, verkondigde Christus en er is een Christus Die verborgen, geheimvol, incognito aanwezig is. Hij is de Gekruisigde, de Messias Die niet heerst, maar zich op één lijn stelt met de ontrechte, de arme, de onderdrukte, enzovoort. Ik heb het gevoel, en wil dit als vraag aan Wessels voorleggen, dat deze leer van Christus, inhoudelijk mede bepaald door de gastvriendschap, zich niet alleen verwijdert van een stuk triomfalisme (overheersing, onderdrukking, het teken van het kruis als symbool van triomf) maar ook van de betekenis van het kruis zélf. Het gaat om méér dan dat 'de christen belijdt Jezus als de messias die gekomen is' en om meer dan 'de boodschap van God die mede-lijdt'. Hoe ziet de inkleuring van de boodschap der verzoening (primair tussen God en mens) door de gastvriendschap er naar Wessels' visie uit?
Wat is geloof?
Een tweede vraag betreft het gebruik van het woord 'geloof' bij Wessels. Wanneer ik hem goed begrepen heb, dan ging het hem in zijn oratie niet om het christendom en andere overtuigingen, godsdienstige inzichten of godsdiensten. Hij spreekt gedurig over het christendom (de christenen) in de ontmoeting met mensen van ander geloof. Dat is natuurlijk heel belangrijk voor wat je onder Gods en Christus' verborgen aanwezigheid bij die mensen verstaat. Het is dus, als ik het goed zie, niet Gods aanwezigheid in die en die godsdienst maar in mensen van andere godsdienst, welke hem bezighoudt. Nu is het de vraag of deze nuance zoden aan de dijk zet. M.i. kom je ermee van de regen in de drup. Zó namelijk dat het méns-zijn het grote ontmoetingspunt wordt en tegelijk het toneel van Godsopenbaring buiten (of ook in? ) het christendom. Of zie ik het nu toch te simpel? Aan het begin van zijn oratie omschrijft Wessels zijn onderwerp op deze manier: 'Hoe verhoudt zich het geheimenis van het christelijk geloof, tot het mysterie van Israël - de joden - of het mysterie van Ismaël - de moslims - of het mysterie van de talloze naamloze mensenkinderen van welk geloof ook of van geen geloof'. Hij spreekt verderop bijna of geheel uitsluitend van mensen van ander geloof. Hier, aan het begin, betrekt hij ook de mensen van géén geloof en hun mysterie bij de werkelijke ontmoeting in de gastvriendschap. En van allen geldt - in de visie van Wessels - dat je principieel onmogelijk van niet-christenen kunt spreken. Dat betekent m.i. dat niet het gelóóf van die ander, maar zijn menszijn voor de konfrontatie, die Wessels wil bereiken, de doorslag geeft. Mijn vraag is dan: als op déze manier de christelijke verkondiging moet landen, welk recht heb ik om zelfs maar te veronderstellen dat deze 'ingekleurde' boodschap en déze Christus te verkiezen zouden zijn boven bijv. Boeddha en het Boeddhisme? Wessels acht dialoog óf getuigenis een vals dilemma. Inderdaad, wanneer datgene waarvan getuigd wordt, zó wordt ingekleurd, is er niet alleen geen sprake van een dilemma, maar zelfs geen sprake van een (inhoudelijke) dialoog. Ja, ik waag het erop te zeggen dat ik niet inzie, waarom het christendom iets te verkondigen heeft aan mensen van ander geloof, wanneer op déze wijze de verkondiging inhoudelijk bepaald wordt. Of is wat Buskes 'het humanisme van God' heeft genoemd, iets toch zo eigens van de God van Israël en Zijn Zoon, dat het zending en evangelisatie, getuigenis en dialoog met humanisten en mensen 'van ander geloof' wettigt?
Christendom - Jodendom - Islam
Een derde vraag betreft de manier waarop Wessels spreekt over christendom, jodendom en islam. De jood heeft de christen nodig, en omgekeerd, voor eigen zelfverstaan en identiteit. Zo heeft de islam, die uit en na jodendom en christendom is ontstaan, jodendom en christendom nodig om zichzelf te leren verstaan en de eigen overtuiging te bepalen, maar ook omgekeerd: joden en christenen hebben tot dit doel moslims nodig. Er is sprake van een wisselwerking, ja van een driehoeksverhouding. Vandaag de dag is dit een uiterst aktueel thema, wat de islam betreft, naar het schijnt weersproken door de jongste ontwikkelingen in het nabije en midden-oosten. Wat betekent het echter voor de theologie in het algemeen, en speciaal voor de zendingswetenschap? Is er geen sprake van een diepgaand verschil tussen jodendom en christendom enerzijds en de islam anderzijds als het gaat om de openbaring van de God van Abraham? En maakt dit verschil het niet hachelijk, zoniet onmogelijk om van een wisselwerking tussen deze drie te spreken? Of... wordt ook hier meer bedoeld de ontmoeting van gelovige mensen dan van openbaringsinhouden? Of acht Wessels dit een vals dilemma, zoals hij dat ook vindt bij dialoog en/contra getuigenis? Ik ben bang dat hier niet alleen een wissel gepasseerd wordt van openbaring naar godsdienstigheid, maar ook dat Israël op een bepaalde, ontoereikende, manier gaat funktioneren. Namelijk niet zozeer als volk waar de woorden Gods aan toebetrouwd zijn, alswel als middel om tot godsdienstige en dan nog in de eerste plaats menselijke wisselwerking, uitwisseling en gastvriendschap te geraken, tussen joden, moslims en christenen. Ik heb het gevoel dat in toenemende mate Israël in de theologie misbruikt wordt voor wat ik zou willen noemen de veraardsing van het heil, en dat is meer en zelfs principieel iets anders dan de konkretisering van het heil. Israël staat model voor een verwereldlijkte (geschiedenis) theologie (Marquardt). Israël is het grote platform waarop blijkt dat openbaring als geschiedenis zich voordoet (Berkhof, Christelijk Geloof par. 12 en 29). Door Israël ontstaat nu ook een interaktie, een wisselwerking tussen joden, christenen en moslims.
Waarschijnlijk zal Wessels nu zeggen, dat ik opnieuw een vals dilemma opwerp, maar voor mij zijn de 'gemene gratie' en de daarmee samenhangende natuurlijke religie en religiositeit in zijn opvatting ver over de schreef gegaan. In die zin dat Ismaël, die in Oud en Nieuw Testament niet meeërft met de zoon der vrije, in het concept van Wessels aktief meedoet in de wisselwerking van het heil en zonder bekering of proselietendoop de kroongetuige is in, zijn oratie van Gods en Christus' verborgen aanwezigheid.
Op z’n best zijn we, als dit allemaal waar is, teruggekeerd in de negentiende eeuw, waarzij het op een andere manier - de inhoud van de verkondiging ook ingekleurd werd door konfrontatie van het christendom met wat naar zijn wezen buiten het christendom lag. Hoe kan zoiets gebeuren? De 'gemene gratie' gaat bij Wessels veel verder dan de genade van God als Schepper en Onderhouder. Zij wordt door hem gevuld met de geheimnisvol aanwezige Christus en met Zijn messianiteit. Pijnlijk doet zich naar mijn gevoelen het gemis voor aan de verzoenende en verlossende betekenis van Christus. Alleen door de exklusieve christelijke boodschap van de verzoening door voldoening in Christus weg te schuiven, kan men m.i. komen tot een verbinding tussen natuurlijke religie, menselijkheid en de verborgen aanwezige Christus (messianiteit).
't Kan wezen dat ik een en ander te somber zie. Dan hoor ik dat graag. Zendingswetenschap en evangelistiek zijn nu eenmaal zozeer typerend voor wat verkondiging is, dat deze vragen op z'n minst wel diepgaand aan de orde mogen komen.
De Schriften?
Wessels zoekt voor zijn visie en met name voor zijn sleutelbegrip gastvriendschap steun in de Schriften en noemt vooral de bekering van de heiden Cornelius uit Hand. 10 als voorbeeld dat niet Cornelius zich moet bekeren, want die is al bekeerd (onafhankelijk van mensen), maar Petrus moet zich bekeren om tot het besef te komen dat God geen partijdigheid kent. Mijn grote vraag is: Is Cornelius heiden? Hans Kosmala heeft in zijn boek Hebraër - Essener - Christen, Leiden 1959, trachten aan te tonen dat Cornelius onder invloed van een vóór-christelijke verkondiging (Johannes de Doper? ) tot het geloof van de joodse proseliet was gekomen en dat daaruit allerlei uitdrukkingen te verklaren zijn, die in Hand. 10 gebruikt worden. Hij moest, net als Apollos, in de weg des Heeren 'bescheidenlijker' onderwezen worden. Cornelius is een heiden van een bijzonder soort, een nabijgekomene, één die God vreesde (Hand. 10 : 2). En de konklusies, die Wessels eraan verbindt, gaan mij nogal wat te ver. Ik meen althans niet, dat je op grond van deze geschiedenis de verborgen aanwezigheid Gods tot thema in de zendingswetenschap kunt maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's