De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

In het blad Zwingli, orgaan van de vrijzinnige Zwingli Bond, stond het volgende van Albert Einstein, de beroemde natuurwetenschapper, die de grondlegger is van de zogeheten relativiteitstheorie.

Albert Einstein is beroemd om zijn natuur-wetensctiappelijk e relativiteitstheorie. Mijn broer Everard van Roijen, die sinds zijn pensionering als directeur van het Amsterdamse Muzieklyceum een trouw lezer van 'Zwingli' is en die een groot kenner en liefhebber van Joodse humor is, zond mij onderstaand puntdicht van Albert Einsteun toe, waaruit blijkt dat de grote geleerde ook in de levenspraktijk kon relativeren:
Schau' ich mir die Juden an,
hab' ich weinig Freud' dran.
Fallen mir die andren ein...
Bin ich froh, ein Jud' zu sein.
(Vrij vertaald: Let ik op de Joden, dan word ik er beroerd van. Maar let ik op de andere mensen... dan ben ik toch maar blij, dat ik een Jood ben.)'

***

Het is best eens goed iets door te geven van de zusterkerken. Het blad Kerknieuws van Scheps heeft aandacht besteed aan 'hoogleraren van vroeger'. Na de hervormde hoogleraren van de rijksuniversiteiten behandeld te hebben werd In het laatste nummer aandacht gegeven aan de Theologische Hogeschool van de Christelijke Gereformeerde Kerken te Apeldoorn. Hieronder laten we dit stuk volgen:

Zoals bekend werd in 1892 door de synode der Christelijke Gereformeerde Kerk en door die der Nederduitsche Gereformeerde Kerken (de kerken voortgekomen uit de Doleantie), vergaderd te Amsterdam, besloten tot vereniging van deze beide kerken, ofschoon hiertegen een bezwaarschrift was ingediend door ds. F. P. L. C. van Lingen, rector van het gymnasium te Zetten en door ds. J. Wisse, predikant te 's-Gravenhage (Wagenstraat), niet welk bezwaarschrift zich ongeveer 700 leden der Christelijke Gereformeerde Kerk hadden verenigd. Verscheidenen van hen die het protest hadden ingediend, berustten in het besluit, doch de anderen gaven gehoor aan de roepstem van ds. Van Lingen en vergaderden op 20 juli 1892 te Utrecht. De vrucht van deze vergadering was, dat besloten werd de kerk, in 1834 geboren, niet te laten wegzinken. Openlijk verklaarde men niet mee te gaan met de nieuwe kerkgemeenschap, welke de naam van Gereformeerde Kerken had aangenomen, maar te blijven staan als de zuivere voortzetting der Christelijke Gereformeerde Kerk, met de bij de regering bekende naam en het mede bij haar bekende zogenaamde reglement van 1869, erkennende als wettige besluiten al wat tot op de behandeling der vereniging te voren wettig door de Chr. Geref. vergaderingen besloten was, maar verwerpende al wat dienaangaande daarna was behandeld en vastgesteld. De eerste synodale vergadering van hen die Christelijk Gereformeerd waren gebleven vond op 2 en 3 juni 1893 te Utrecht plaats. Het kerkverband bestond toen uit slechts negen gemeenten. Op de agenda stond: de opleiding van de aanstaande dienaren des Woords. Het resultaat van de besprekingen was dat men de beide predikanten F. P. L. C. van Lingen en J. Wisse verzocht in gezamenlijk overleg maahegalen te nemen in betrekking tot aanvankelijke verwezenlijking van deze zaak. Ook besloot deze vergadering onmiddellijk over te gaan tot vorming van een kas voor steun aan studenten.

In hetzelfde jaar kwam van 25 tot 27 juli weer een synodale vergadering bijeen. In dat halve jaar telde het kerkverband al zeven gemeenten meer. Op deze vergadering werden nadere resultaten bereikt. De predikanten Van Lingen (te Rotterdam) en Wisse (te Den Haag) werden met de opleiding belast. Zij zouden voorlopig hun gemeenten blijven dienen en gezamenlijk de taak van de vcrrning van de aanstaande dienaren des Woords voor hun rekening nemen. Jonge mannen zouden worden opgeroepen en een regeling voor het admissie-examen werd vastgesteld. Wat de uitbouw van dit voortvarende begin betreft zijn de zaken toch niet zo voorspoedig verlopen als de beslissingen van 1893 zouden doen verwachten. Weliswaar groeide het aantal kerken zeer sterk (in 1897 waren er reeds 49 gemeenten, ofschoon hieronder wel een aantal zeer kleine gemeenten was) en ook was er geregeld een aantal studenten, maar er waren twee moeilijkheden waarmee de uitbouw van de eigen opleiding lang te kampen heeft gehad: een juiste plaats van vestiging en een goed onderdak. Was de opleiding eerst over twee plaatsen, Den Haag en Rotterdam, verdeeld, later werd Den Haag als plaats van voorlopige vestiging gekozen. Men trok van gebouw tot gebouw in Den Haag en Rijswijk steeds voort, zonder te komen tot het ideale oord. Zo ging het met de uitbouw in materiƫle zin niet vlot. Maar wat nog meer de ontplooiing in de weg stond, was dat het blijkbaar moeilijk was tot een voldoend aantal hoogleraren - of zoals men toen zei: docenten - te komen. Het zou dan ook tot 1922 duren eer er vier volledige docenten aan de Theologische School verbonden waren. Maar dit voorrecht duurde niet lang. Overlijden en heengaan deden het docentencorps telkens weer afbrokkelen. Bovendien kwamen er ook nog twee emeriteringen voor. Het aantal hoogleraren daalde weer tot drie en men moest met lectoren het tekort aanvullen. Sinds 1953 telde de Theologische Hogeschool weer vier hoogleraren. In 1969 inaugureerde de vijfde.

Wat het gebouw en de plaats van vestiging betreft vond men eindelijk in 1919 rust. Toen werd de Theologische School definitief te Apeldoorn gevestigd. Sinds 1962 spreekt men in aansluiting op de wet op het wetenschappelijk onderwijs van Theologische Hogeschool. Als hoogleraren zijn achtereenvolgens werkzaam geweest:

Leerstoel 1: F. P. L C. van Lingen, 1894-1909; A. van der Heijden, 1909-1927; G. Wisse 1928-1936.
Leerstoel 2: J. Wisse (naast zijn predikantschap te Den Haag), 1894-1906; P. J. M. de Bruin (naast zijn predikantschap te Apeldoorn, 1905-1906 - full-time hoogleraar, 1906-1938; L H. van der Meiden, 1938-1953; B. J. Oosterhoff, 1954-heden.
Leerstoel 3: F. Lengkeek 1914-1932; J. W. Geels 1932-1947; J. Hovius 1947-1972; W. van 't Spijker, 1972-heden.
Leerstoel 4: J. J. van der Schuit, 1922-1953; J. van Genderen, 1954-heden.
Leerstoel 4: (na opheffing van 1936 weer ingesteld bij synodebesluit in 1953) W. Kremer 1954-1966: W. H. Velema 1966-heden.
Leerstoel 5: J. P. Versteeg, 1969-heden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1980

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1980

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's