De rotsvastheid van Christus’ woord en liefde
De verloochening van Petrus Lukas 22 : 54-62
Hoe kon het toch zover komen, dat Petrus zijn Heere verloochende? Was Hij immers niet de belijder van de Naam des Heeren bij uitstek? Het eerst van allen had Hij dat geweldige woord gesproken. Gij zijt de Christus, Gij zijt de Zoon van de levende God! En de Heere had gezegd: Gij zijt Petrus. Op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen. Hoe was het toch mogelijk, dat deze Petrus zo in énen een streep haalde door de drie jaren, waarin hij de hoge genade van de innige omgang met Christus had gekend?
Dat kwam, omdat Petrus het woord van Christus niet had geloofd, toen Hij zei: 'Vlees en bloed heeft u dit niet geopenbaard, maar Mijn Vader die in de hemelen is.' Dat kwam, omdat Petrus de waarheid over zichzelf niet geloofde, ook niet toen Christus sprak: 'Ga weg achter Mij, Satan.' En ook niet, toen de Heere zei: 'Gij zult u in deze nacht aan Mij ergeren.'
En tenslotte had de Heere Christus gezegd: 'De haan zal heden niet kraaien, eer gij Mij driemaal zult verloochend hebben.' Maar Petrus heeft het eenvoudig niet voor mogelijk gehouden. Omdat, ja, omdat hij daar veel te bekeerd voor was, omdat hij daar een veel te goede discipel voor was. Heere, al werden ze allen... het zal mij niet gebeuren! En wij? Zovelen we Christus mogen volgen. Geloven wij het van onszelf, dat het er zo bij ons voorstaat? Geloven wij het woord van Christus, dat zegt, dat wij, op onszelf beschouwd, nergens te goed voor zijn? Al zijn we nog zo de bekeerde man of de bekeerde vrouw!!
Nadat ze allen waren gevlucht na Gethsemané, is Petrus op zijn schreden teruggekeerd. Hij is anders dan de anderen. Hij heeft grote woorden gesproken en hij zal alles doen om ze waar te maken. Liefde drijft hem, maar kennis en gehoorzaamheid ontbreken, en dan is de liefde blind.
Van verre, volgt Petrus de bende naar het huis van Kajafas, de hogepriester. Een andere discipel, die een bekende van de hogepriester is, weet voor hem de deur geopend te krijgen. Petrus gaat naar binnen en loopt naar de binnenplaats, waar de vertrekken van het huis omheen zijn gebouwd. In één van die ruimten vindt het verhoor van Christus plaats.
Het is een koude nacht en Petrus warmt zich bij het vuur, dat door de knechten van Kajafas en de gerechtsdienaren is aangestoken. Een uur geleden nog had hij tegen hen het zwaard opgenomen! Nu zit hij hier bij hen. Zijn hart klopt haast hoorbaar. En dan, volkomen onverwacht en onverhoeds, zegt een zekere dienstmaagd die zijn trekken opneemt bij het licht van het vuur: 'Ook deze was met Hem.' Petrus, geheel opgaande in wat zich daarbinnen voltrekt, schrikt ontzettend. Daar heb je het! Hij wil onopgemerkt getuige zijn van wat gebeurt met Zijn Meester. Nu moet hij spreken. Inderdaad: getuige zijn! Zijn kruis opnemen!
'Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet.' Mens, waar heb je het over! Niet te geloven. Petrus, op wie de Heere zo rotsvast en zeker aankon. Petrus die pal stond voor de Naam en de zaak des Heeren. Waar is nu zijn geloof, zijn bekering, zijn belijdenis? Nergens. En wat is er weinig voor nodig om het kwijt te raken. Onthullend weinig. Die dienstmaagd bedoelt het allemaal zo kwaad niet. Petrus wordt niet voor Kajafas gesleept! Maar op het minste krijgsgerucht slaat deze beste soldaat van Koning Jezus al op de vlucht.
Zien we, waar het met ons toe komen kan? Ook als we oprecht de Heere vrezen en liefhebben? Weten we wel in welke diepten van ongerechtigheid we kunnen vallen? Juist als, nee juist omdat we denken, voor die of die zonde, daar ben ik te goed, te bekeerd, te gelovig voor, te standvastig voor! En het overvalt ons zo ineens. Overrompelend snel. Opeens heeft satan ons in de zeef. En is het niet alles kaf?
En kort daarna een ander, hem ziende, zeide: 'Ook gij zijt van Die.' Maar Petrus zeide: 'Mens, ik ben het niet.' En na een uur begint het opnieuw. U was er ook bij! Uw spraak verraadt u trouwens, u bent een-Galileeër. En Petrus valt, peilloos diep. Eenmaal op de weg der zonde is er geen houden meer aan. 'Mens, ik weet niet wat ge zegt.' Heeft Christus het gehoord? Hij heeft het wel geweten. Het is Hem tot een lijden geweest, veel zwaarder dan alle slagen, spot en smaad van het Sanhedrin. En wij? Wat zegt ons de zondeval van Petrus? Wie denkt, dat hij of zij de Heere nooit verloochent? Het zou kunnen zijn, en hoe verschrikkelijk is dat, dat uw hele leven nog één ontkenning is van de Naam des Heeren. En dat terwijl God Zijn liefde en trouw jegens ons allen heeft bevestigd, waar we gedoopt werden in Zijn Naam. Ook gij zijt van Die! Of moet uw antwoord desondanks nog ontkennend luiden, omdat u Hem niet kent? En u, die getrokken werd tot zijn dienst. Hebt u niet ondervonden wat een strijd het met zich meebrengt om bij Hem te horen? Hebt u niet ondervonden, hoezeer de satan steeds weer nieuwe kracht vindt in onze zwakheid? Hoe alles in ons er op uit is het kruis te laten liggen, in plaats van het op te nemen? De verloochening van Petrus mag ons waarschuwen en troosten. Die val zo tomeloos diep, zegt ons: Wij zijn niet, ónze belijdenis niet, ónze bekering niet. Maar die val zegt ook: Hij is wél? Zijn belijdenis voor Pontius Pilatus, waarachter Hij het kruis zag oprijzen. Zijn geloof en Zijn gebed. Wie is Petrus zonder deze Jezus! Wie zijn wij zonder Hem. Daarom, zie op Hem en zie niet op eigen trouw en eigen standvastigheid, maar op Zijn trouw en Zijn volharding. Om steeds weer als onwaren, ja als loochenaars van God en Zijn Christus, te komen tot het ene ware Woord van God, dat zegt, dat zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hém ja en amen. En weet het maar, dat wie zo komt, die wordt vastgehouden. Zo verging het ook Petrus. De satan had vreugde. Hij blies het koren weg naar alle kanten en veegde triomfantelijk al het kaf op een hoop. Maar Christus bleef over. Aan Zijn kant lag hét geloof vast.
En terstond, Petrus staat nog heftig te ontkennen, kraaide de haan. Speciaal voor Petrus. Hij komt tot zichzelf. Hij ziet in de afgrond van zijn zonde die scheiding maakt tussen Christus en hem, een ondeelbaar ogenblik. Tot de blik der ogen van Christus hem treft en door de ziel snijdt. Een blik van genade, die zegt: Ik ken u wel. 'En Petrus werd indachtig'... het woord des Heeren! Dat woord dat hij niet geloofd had, wordt hem te binnen gebracht: dat woord is waarheid geweest. Nu ziet hij als nooit tevoren wie hij zelf is en óók Wie Christus is Die door alles heen hem had vastgehouden en voor hem gebeden had. 'En Petrus naar buiten gaande, weende bitter'. Wenend staat hij daar: Simon, die genoemd werd Petrus. Wat een wonder, dat hij mag terugkomen. Of liever, dat het Woord bij Hem terugkomt. In dat Woord, dat getuigenis van Christus, komt nu al z'n vastigheid te liggen. En daarin houdt het geloof niet op! Daarin vindt het steeds weer grond.
Zo zij het ons gebed: Maak in Uw woord mijn gang en treden vast!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's