Heinrich Bullinger over de bekering (slot)
Geloof en bekering
Wie ook maar ooit zich verdiept heeft in de preken van de hervormers van de 16e eeuw kan weten, dat zij predikers van het geloof zijn geweest. Het 'sola fide', door het geloof alleen, was een der grondbeginselen van de Reformatie, niet alleen voor de theologie die de reformatoren bedreven, ook voor hun prediking. Zij predikten Christus en het geloof in zijn Naam.
Alle andere momenten uit de orde des heils, als de wedergeboorte, de bekering, de heiliging groepeerden zij rondom het geloof. Zij legden deze zaken nog niet zo uit elkaar, als in een latere periode, b.v. door de mannen van de Nadere Reformatie is gedaan, die trouwens meer uitgingen van de wedergeboorte dan van het geloof.
Nu in onze tijd, sinds enkele tientallen jaren een nieuwe oriëntatie aan de reformatoren en hun geschriften plaatsvindt, wordt het verschil van uitgangspunt weer duidelijk gevoeld.
Ook Bullinger was een prediker van het geloof! Meer dan eens benadrukt hij in zijn preken, in het Huisboec, dat de bekering een vrucht is van het geloof. Hij zegt: 'de ware bekering kan niet zonder geloof zijn' (160d). Wat verderop zegt hij het nogmaals: diegenen zijn zalig, die zich met een waar geloof bekeren (169a).
Ook de wedergeboorte herleidt Bullinger tot het geloof. 'De nieuwe mens is door de Geest Gods wedergeboren door het geloof in Jezus Christus - Deze gave des Heiligen Geestes wordt gegeven om Christus' wil, en wordt gegeven degenen die in Christus geloven' (167b).
Geloof en bekering wil Bullinger wel onderscheiden maar niet scheiden. Hij weigert tussen deze beide een tijdsverschil te leggen. Zo nauw verbindt hij beide, dat hij enerzijds kan zeggen dat het geloof een deel is van de bekering en anderzijds dat de bekering een vrucht is van het geloof. En dat is precies hetzelfde als wij bij Calvijn tegenkomen. Zij gaan samen op. Waar geloof is, daar is bekering, en waar bekering is, daar is geloof. Het zijn twee delen van één zaak, maar het geloof behoudt het primaat.. Waarom? Omdat alleen op deze wijze de christelijke leer en het christelijke leven zuiver kunnen blijven, Christus en de genade de overhand behouden, en toch ook de christen niet de vrijheid gegeven wordt tot een zondig leven.
Ware en Valse bekering
Het is opvallend dat door Bullinger het onderscheid tussen ware en valse bekering juist gezocht wordt in het al of niet aanwezig zijn van het geloof. Is de bekering niet uit het geloof, dan is zij om die reden geen ware bekering tot God. Het geloof maakt uit of de bekering waarachtig is of niet. De bekering die niet waarachtig is, is maar een wereldse droefheid; in haar worden geloof en liefde gemist (160d). Dit is een bekering waarin men God vreest als de beul. Men is geneigd om, net als Judas, naar de strop te lopen (160a). In de ware bekering gaat het heel anders. Wie zich waarlijk tot God bekeert, zegt Bullinger, laat God als zijn Vader en zijn Medicijnmeester zijn wonden zien, en begeert met Hem als zijn allerliefste Vader verzoend te worden - De boetvaar- dige gelooft dat hij Gode aangenaam is om Christus' wil; en dan verwijst Bullinger naar de verloren zoon, die zei: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan (161a). Het ligt in dezelfde lijn als Bullinger ergens elders zegt, dat men zich met 'blijmoedigheid' bekeert. De ware bekering is niet een afgedwongen bekering, die half onwillig zou plaatsvinden; integendeel. Wij geven Bullinger zelf even het woord. Wie gezondigd heeft en zich bekeert 'keert tot zichzelf in, doorzoekt met het licht van Gods Woord, al wat verborgen is in zijn hart, en belijdt God zijn zonden; het bedroeft hem dat hij God vertoornd heeft, hij bekeert zich tot Hem, gelooft dat God in Christus met hem verzoend is, haat de zonde om Gods wil en begeeft zich tot een rechtvaardig en heilig leven' (168d). Ook hier blijkt weer hoe sterk Bullinger geloof en bekering met elkaar verbonden heeft. In de bekering, zegt hij, gelooft de boetvaardige dat God met hem verzoend is. Hij rust dus op het heilswerk van Christus. Hij bekeert zich niet in het ongewisse, niet wetend of God hem ooit genadig zal zijn, neen, Gods genade in Christus is de grond waarop hij zich bekeert. Zo is het met de ware bekering, niet met een bekering die onwaarachtig is. Bovendien, zo vervolgt Bullinger, wordt de bekering vrijwillig aanvaard. Zij wordt geboren uit een blijmoedige en gewillige geest. De herder en leraar der gemeente dringt wel sterk aan bij alle zondaren, 'dat zij zonder uitstel zich waarachtig bekeren van hun zonden, maar hij dwingt niet'. En dan volgt een uitspraak van Bullinger die extra aandacht verdient, hij zegt: 'hij legt niemand enige wet op van een bepaalde wijze, of tijd of plaats of getal, maar laat iedereen hierin geheel vrij, voorzover ieder doet, naar de regel der Schrift, wat betaamt' (168d).
Kortom, wil een bekering waarachtig zijn, dan moet zij, ten eerste, uit het geloof zijn, ten tweede uit liefde en vrijwillig. En de dienaren des Woords mogen niet een 'wet' voorschrijven, met te zeggen: het moet zus of zó, of: het moet zolang of nog langer duren. De vrijwilligheid der bekering, die mede over haar echtheid beslist, vereist op deze punten vrijheid. Ik meen, dat Bullinger hiermee dingen gezegd heeft, die alleszins waard zijn behartigd te worden. En die ook aantonen hoe verkeerd doen degenen die wèl wetten voorschrijven ten aanzien van de bekering, die een bepaald bekeringssysteem leren, en dat als een wet handteren.
Geen wonder dat Bullinger ook nadrukkelijk zegt, dat de bekering moet worden aangemoedigd. En wel: met de beloften van het Evangelie! Hij zegt: 'Men moet het hart en gemoed dergenen die zich bekeren alleszins versterken en bekrachtigen met vele en klare getuigenissen uit de Heilige Schrift aangaande de volkomen vergeving der zonden, opdat wij in onze aanvechtingen niet twijfelen' (161a).
De wijze der bekering
In zijn Huisboec heeft Bullinger een paar keer extra aandacht geschonken aan de bekende woorden van de Heere Jezus: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke' (Joh. 6 : 44). Het was Bullinger al bekend hoeveel verkeerd gebruik er van deze woorden wordt gemaakt.
Men gaat aan de eigenlijke zin van deze woorden voorbij en leidt er uit af, dat men een of andere 'bijzondere' trekking van God moet ervaren, en dat men anders niet tot de Vader kan en mag komen.
Bullinger zegt: Ik weet dat het gemoed van vele mensen hierdoor benauwd wordt. Zij zeggen: De uitverkorenen 'voelen' dat zij getrokken worden, en zijzelf moeten belijden dat zij nooit zoiets bijzonders, iets aparts gevóéld hebben. Hun conclusie is: 'Aangezien ik niet zulk een trekking gevoel, hang ik dus ook niet met een volkomen geloof de Zoon van God aan'(182b).
Wat is nu Bullingers antwoord? Hij zegt: Inderdaad, de uitverkorenen worden geroepen, en de geroepenen ontvangen die roeping in het geloof, en begeven zich tot Hem, die ze roept. En ook is het waar, zegt Bullinger, dat wij niet geloven kunnen tenzij wij geroepen worden. Men bemerkt, Bullinger doet van Jezus' woord niet het minste af. De vraag is echter, zo stelt Bullinger nu verder, of wij van deze tekst wel een goed gebruik maken. En het blijkt volgens hem, dat dat menigmaal niet het geval is. Hij zegt dan ook: 'Maar wij moeten naarstig toezien dat wij van deze goddelijke trekking niet een verkeerde mening opvatten en intussen deze trekking zélf vergeten'. Voorwaar, zegt Bullinger verder, Paulus is door de Heere 'krachtdadig' getrokken, maar de Heere 'trekt niet allen als bij de haren! Er zijn nog andere wijzen ook waarop de Heere de mensen tot Zich leidt, en niet trekt gelijk een blok hout'. 'God trekt u wanneer Hij door zijn dienstknechten u het Evangelie verkondigt, wanneer Hij uw hart aanraakt, wanneer Hij in u verwekt het gebed om zijn genade en hulp en u begeert door Hem verlicht en getrokken te worden. Wanneer ge dit in uw binnenste ervaart, dan moet u niet een andere trekking zoeken, dan rnoet u niet de aangeboden genade verachten, maar haar gebruiken, en de Heere bidden om vermeerdering van zijn genade' (182c).
Ik meen dat deze woorden van veel pastorale wijsheid getuigen. Wij worden niet allen bekeerd als Saulus van Tarsen. Wij worden niet allen, zoals Bullinger zegt, als aan de haren naar de Heere getrokken. Men behoeft niet te blijven uitzien, naar iets aparts, iets bijzonders, een bijzondere trekking die gevoeld zou moeten worden. Dan leeft men in een verkeerde voorstelling van deze trekking des Vaders, terwijl men intussen, wat rampzalig kan zijn, de trekking die er al is over het hoofd ziet. Want de Heere trekt door zijn Wóórd. En wanneer dat Woord binnendringt in onze harten, en het verwekt in ons het gebed tot God, de behoefte aan zijn genade en hulp, dan is dat de trekking des Vaders, waarover de Heere Jezus heeft gesproken, dan is dat de ware bekering tot God. En dan blijft er nog maar één ding te wensen over, en dat is, dat de Heere ons verder leidt, dat Hij ons nog méér genade schenkt, dat Hij nog méér ons hart verlicht.
Tot slot
Tot slot nog één citaat uit Bullingers preken en een paar laatste opmerkingen onzerzijds.
Ergens in een van zijn preken, waarin het gaat over de christelijke vrijheid, spreekt Bullinger een paar woorden over het aanbod van genade. De Heere wil alle slaven van de zonden, zegt hij daar, verlossen, 'zonder iemand uit te sluiten, dan alleen die zichzelf door zijn ongeloof en ongehoorzaamheid uitsluit. Want de Zoon van God is gekomen om allen te verlossen die in dienstbaarheid verstrikt waren' (128b).
Welk een gulden woorden! Niet de Heere sluit uit, wij zélf sluiten uit, te weten wanneer wij onder het Evangelie ons verharden in ongeloof en ongehoorzaamheid. De Heere komt tot allen met zijn genade, maar niet allen worden behouden, want niet allen begéren deze genade en geloven in de God van alle genade. En hoe komt dat? Bullinger wist het, de diepste grond daarvan ligt in Gods vrijmachtig welbehagen. Maar dat is het laatste wat gezegd moet worden. Het mag pas worden gezegd als eerst al dat andere gezegd is. Zo preekte Bullinger. De grote hervormer van Zurich. Een hervormer van Europese vermaardheid. Maar bovenal: een gróte in het koninkrijk Gods. Omdat hij een ware schriftgeleerde was, een man die het Wóórd liet spreken. En daarin is het heil van de kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's