Revius en Dordt
De Dordtse Leerregels (1619) staan heden ten dage niet in het middelpunt van de belangstelling. De leer van Gods verkiezing speelt veelal nauwelijks een rol in het geloofsleven. Bovendien worden de Leerregels dikwijls in verband gebracht met een bepaalde vorm van geestelijk leven. De benauwde sfeer van eindeloos zelfonderzoek, die alle activiteit en alle geloofszekerheid uitsluit. De steen des aanstoots is voor velen het twaalfde artikel van hoofdstuk 1: 'Van deze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheiden trappen en met ongelijke mate, verzekerd; niet, als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der Verkiezing in het Woord van God aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.), in zichzelf met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen.' 1) De spontane blik van het geloof op Jezus Christus lijkt hier plaats gemaakt te hebben voor een blik in de diepten van ons eigen innerlijk om daar naar kenmerken van de verkiezing te speuren.2)
Van zo'n bezig zijn met zichzelf bemerken we echter niets bij Jacobus Revius, een tijdgenoot van Dordt. Hij werd in 1586 geboren te Deventer. Vanaf 1614 is hij daar predikant geweest. In 1641 werd hij tot regent van het Collegium Theologicum te Leiden benoemd. Hij overleed te Leiden in 1658. Hij was een fel strijder voor de zuiverheid van de Calvinistische leer. Hij werkte mee aan de Statenvertaling van de Bijbel als revisor van het Oude Testament. Het bekendst is hij tegenwoordig als dichter. In 1630 verzamelde hij zijn poëzie in de 'Over-Ysselse Sangen en Dichten'. Eén gedicht uit de 'Over-Ysselse Sangen' werpt een treffend licht op het boven aangehaalde artikel uit de Leerregels.
Alle goet van Godt
O Heer, het is van dy dat ick ben wtvercoren (van u, uitverkoren)
En in u reyne kerck gewonnen en geboren, (uw)
Dat van mijn kintsheyt aen u waerheyt ick bely (ae is aa)
Van my en heb ickt niet, o Heer het is van dy. (en niet is niet)
Van dy ist dat in ernst mijn sonden my berouwen.
En dat op uwen Soon ick stelle mijn betrouwen.
Die van verdoemenis mijn siele maket vry.
Van my en heb ickt niet, o Heer het is van dy.
Van dy ist dat ick geern mijn schuldenaer ver geve, (gaarne)
En met een dweech gemoet voor u gerichte beve. (nederig)
Dat ick mijn even-mensch veel beter acht als my
Van my en heb ickt niet, o Heer het is van dy.
Van dy ist dat ick tracht de werelt te mishagen.
En in gehoorsaemheyt te slijten mijne dagen.
Dat ick in uwe gonst gedurich my verbly (gunst)
Van my en heb ickt niet, o Heer het is van dy.
Van dy is het alleen dat ick mijn heyl verwachte,
En stier van nu voortaen ten hemel mijn gedachte.
Het goede dat ick heb o Heere is van dy.
En al wat anders is, eylaes, dat is van my. (helaas)
(Uitg. W. A. P. Smit, Utrecht 1976, pag. 250)
Hier kijkt Revius terug op zijn leven als Christen in al zijn aspecten. Hij is in Gods Kerk geboren (2). Hij denkt aan zijn geloof: van jongsaf belijdt hij Gods waarheid (3); hij stelt zijn vertrouwen op Jezus Christus die zijn ziel vrij maakt van de verdoemenis (6, 7); hij verblijdt zich gedurig in de gunst van God (15) en verwacht zijn heil alleen van Hem (17) en richt zijn gedachte naar de hemel (18). Hij denkt aan zijn zonden: ze berouwen hem in ernst (5); hij vernedert zich voor Gods gericht (10). Hij strijdt ook tegen zijn zonden en beoefent vergevingsgezindheid (9), nederigheid (11); hij tracht de wereld te mishagen (13) en streeft naar gehoorzaamheid (14).
Het geestelijk leven dat hij hier schildert, staat in het teken van activiteit, strijd, vreugde, vertrouwen, zekerheid. Een beeld dat ook door zijn andere poëzie bevestigd wordt. Maar in dit gedicht bekijkt hij zijn leven in het geloof, de werken die hij gedaan heeft, van een andere kant. Hij ziet dat alles wat hij aan goeds gedaan heeft, van de kant van God komt. Hij verblijdt zich daarover en prijst God die hem hiertoe uitverkoren heeft: 'Van my en heb ickt niet, o Heer het is van dy'. In dit geestelijk leven is geen spoor van lijdelijkheid of onzeker zelfonderzoek aan te treffen. Integendeel: heel het actieve Christelijke leven komt in het teken te staan van de vreugde over Gods verkiezing.
Wanneer wij nu teruggaan naar de Dordtse Leerregels, dan is daar evenmin van lijdelijkheid sprake. Allereerst klinkt daar de oproep 'tot bekering en geloof in Christus, den gekruisigde' (I, 3). Er wordt gesproken van 'den weg der zaligheid, den welken Hij bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen' (I, 8). We horen van verootmoediging, aanbidding, liefde, 'ijver in het onderhouden van Gods geboden' en het 'wandelen' (...) 'in de wegen der uitverkorenen' (I, 13). We mogen volgens artikel 12 de 'diepten Gods' niet 'curieuselijk', niet nieuwsgierig 'doorzoeken', maar dat betekent niet dat we nu de diepten van ons innerlijk ineens curieuselijk moeten gaan doorzoeken en ons van het geloof in Jezus Christus afwenden. Het betekent wel dat wij in de strijd om Gods geboden, het geloof, de heiliging, dit alles in onszelf met 'een geestelijke blijdschap en heilige vermaking' mogen waarnemen en God danken voor de 'vruchten der Verkiezing'. Dit geldt niet alleen de vergevorderde Christenen (wat zijn dat trouwens? ), maar ook voor de allerzwaksten (art. 16).
Het leven als Christen zoals de Dordtse vaderen dat bedoelden, was allerminst lijdelijk, maar werd juist gekenmerkt door vurigheid (I, 13), naarstigheid (V, 7), 'ernstige en heilige oefening van een goede consciëntie en van goede werken' (V, 10), vlijt (V, 13). Toch is dit geloofsleven niet wettisch en krampachtig, juist omdat het van het begin af door de 'geestelijke blijdschap en heilige vermaking' in Gods verkiezing wordt overstraald. Wij worden in de verkiezing teruggeleid naar de bron van Gods genade. Hier past geen curieuselijk doorzoeken; hier past alleen vreugde en lofprijzing, zoals de verkiezing in de Schrift ook in verband met vreugde en lofprijzing voorkomt (vgl. Ef. 1 en Luk. 10 : 20 waarnaar in de 'verwerping der dwalingen', art. 7 verwezen wordt, en Rom. 11 : 33-36, aangehaald in I, 18), en nimmer in verband met twijfel en curieuselijk doorzoeken. In de lofzegging van Gods verkiezende genade valt ieder rede, neren weg. De Leerregels lopen dan ook telkens uit op een lofprijzing (I 18; III, IV, 17; V, 15), hetgeen meer betekent dan alleen een-stijlfiguur. Voor een goed begrip van de Leerregels mag men de elementen van ethiek en lofzegging niet vergeten.
Het vijfde hoofdstuk van de Dordtse Leerregels heeft betrekking op de 'Volharding der Heiligen'. We laten weer een gedicht van Revius volgen.
Volherdinge (volharding, vgl. Rom. 8 : 35 e.v.)
Noch t' brullen der ontmenschede tyrannen,
Noch swoege dorst, noch snaken na het broot (hijgende, snakken naar)
Noch lichte vlam, noch sweert van bloede root, (zwaard)
Noch scherpe banck, noch ketenen gespannen, (pijnbank)
Noch goet-verlies, noch knevelen of bannen.
Noch hoge macht, noch diepe waternoot.
Noch tijts-beloop in leven of in doot, (tijdsverloop)
Noch wan-geloof der licht-vervoerde mannen,
Noch duyvels list die menigen verschrickt.
Noch werelts aes dat menigen verstrickt.
Noch dromers die de blinde werelt leyden, (valse profeten, die hun dromen als openbaringen verkondigen)
Noch alles wat wy tegenwoordich sien.
Noch alles wat hiernamaels sal geschien (zal geschieden)
En can ons van de liefde Christi scheyden
(Uitg. Smit, pag. 256)
Het gaat in de leer van de verkiezing om de zekerheid van het heil: onze verlossing moet in Gods eeuwig besluit en niet in onszelf vastliggen. Deze zekerheid heeft niet alleen betrekking op het geloof in de 'vergeving der zonden', maar moet zich ook uitstrekken tot het geloof in de 'wederopstanding des vleses' en het 'eeuwige leven'. De leer van de verkiezing krijgt een uitbreiding tot in de leer van de laatste dingen als we spreken van de 'volharding der heiligen'. Voor Revius was dit geen stuk dogmatiek maar een levende zaak, zoals blijkt uit het bovenstaande gedicht. Tot dertien verzen toe geeft de dichter een opsomming van alles wat de volharding der gelovigen in gevaar kan brengen. Tussen de elementen die hij regelrecht uit het achtste hoofdstuk van de Romeinenbrief overgenomen heeft, klinken ook motieven uit zijn eigen tijd door. Van buiten de Kerk is er het brullen van de tyrannen (1), dorst, honger (2), vuur, zwaard (3), pijnbank en ketenen (4), verlies van goederen (5) etc. Van binnenuit werd de Kerk bedreigd door ketterij (8), duivels list (9), verwereldlijking (10), valse profeten (11). Zo moet Revius het van nabij meegemaakt hebben. Dan komt het erop aan dat de gelovigen ook 'zekerlijk' kunnen 'geloven, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk' (V, 9). Ook de Dordtse leer omtrent het 'besluit der Verwerping' (I, 15), kunnen we pas enigszins verstaan als wex die zien tegen de achtergrond van deze strijd. Overal waar het Evangelie van Jezus Christus geloofd wordt en een lofzang op Gods verkiezende genade klinkt, komt ook hevige tegenstand openbaar. Daar is sprake van 'murmureren' (I, 18), van haat van de satan en spot van de wereld (V, 15). Waar Gods genade openbaar komt, beginnen 'de poorten der hel zich daartegen te stellen' (II, 9). Dat is iets anders dan een logische gevolgtrekking uit de verkiezingsleer. Hier staan we midden in de werkelijkheid van de bestrijding die de Kerk in deze wereld te verduren heeft.3)
De twee aangehaalde gedichten zijn zeker niet de mooiste uit Revius' werk. Ik heb ze gekozen omdat ze m.i. een licht werpen op het geestelijk leven dat de Dordtse vaderen bedoelden. Er zou in dit verband meer te noemen zijn. 4) In deze eeuw lijkt het allemaal wat ver van ons af te staan. 't' Brullen der ontmenschede tyrannen' is in ons land tot zwijgen gekomen. Misschien zijn daarom de 'geestelijke blijdschap en heilige vermaking' van een leven tot lof van Gods verkiezende liefde ook verder van ons af komen te staan. Of is het soms precies andersom?
1) De aanhaling van 2 Kor. 13:5 staat niet in de authentieke tekst. In dit vers gaat het ook niet over de zekerheid van de uitverkiezing. Het gaat om 'de waarheid van mijn (Paulus) apostelschap' (kanttekeningen van de Statenvertaling).
2) Het waarnemen van de vruchten geeft in de Leerregels nog geen aanleiding tot lijdelijkheid; evenmin brengt het de zekerheid van het geloof in gevaar (zie bijv. V, 10). Het fungeert alleen in verbinding met het actieve, strijdende geloofsleven.
3) Zo wordt bijv. in art. 37 van de Nederlandse geloofsbelijdenis (van het laatste oordeel) niet gesproken van uitverkorenen en verworpenen. Tegenover de uitverkorenen staan de goddelozen 'die hen getiranniseerd, verdrukt en gekweld zullen hebben in deze wereld'.
4) Men vergelijke bijv. het prachtige gedicht Aenvechtinge met V, 11 van de Leerregels.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's