Uit de pers
Gaat het goed met de kerk?
In het dagblad Trouw van 9 februari publiceerde ds. Hans Bouma een enthousiast geschreven artikel met als opschrift: Het gaat goed met de kerk. Bouma voert daar een tiental gronden voor aan. Ik geef enkele daarvan verkort weer: '1. Veel meer dan vroeger verkondigt de kerk de bijbelse boodschap als boodschap voor dit leven en voor deze aarde. Het accent valt niet meer op het hiernamaals en de hemel, maar op de aardse werkelijkheid. 2. Er is een rehabilitatie van Israël en het Oude Testament. 3. Dat impliceert ook een andere visie op Jezus. 'Ontdaan van Griekse filosofie en dogmatische abstrakties kwam Jezus weer voor de dag als de man van Nazareth die tot het laatste toe de weg van zijn volk gaat'. 4. Mensen mogen Gods partners zijn. 5. Her en der staat men op en schaart men zich aan de zijde van God in de strijd om een betere wereld. Geloven is een uiterst praktische aangelegenheid geworden. Niet meer het aanhangen van dogma's, maar een houding, een voortdurend kiezen.'
Ik laat de andere punten rusten. Men kan natuurlijk begrip hebben voor het feit dat iemand in een tijd waarin de kerk naar beneden gepraat wordt, eens een aantal pluspunten op een rijtje zet. Maar zijn het inderdaad pluspunten, d.w.z. is de lijn die Bouma schetst ook de lijn van de Bijbel? In Centraal Weekblad van 23 februari uit prof. Runia zijn teleurstelling over dit artikel. Runia geeft toe, dat velen in de kerk denken, zoals Bouma denkt. Maar hij acht dit een verkeerde weg.
Mijn eerste kanttekening is dat ik in dit hele verhaal meer de joodse wijze van denken dan de christelijke terugvindt. Met opzet spreek ik van de 'joodse' en niet van de 'oudtestamentische' wijze van denken. Bouma zegt wel dat er een rehabilitatie van het Oude Testament heeft plaatsgevonden, maar de manier waarop hij dit verderop invult is veel meer in de lijn van het latere jodendom. Immers daar vind je heel sterk de idee van het zogenaamde partnerschap tussen God en de mens. Natuurlijk weet ook het Oude Testament van het verbond tussen God en Zijn volk, maar dit is niet een verbond tussen twee min of meer gelijkwaardige partners, maar het is het verbond dat de verkiezende en genadige God sluit met een volk dat het in geen enkel opzicht verdient.
De laatste jaren is er veel studie gemaakt van verbondssluitingen in het oude Oosten. Uit allerlei buiten-bijbels materiaal zijn veel gegevens over dergelijke verbondssluitingen te voorschijn gekomen. Er blijken twee soorten verdragen geweest te zijn. (a) Tussen twee gelijkwaardige partners, (b) Tussen een machtige koning en zijn onderhorige vazallen. Er kan geen twijfel over bestaan dat de structuur van het verbond tussen God en Israël van de tweede soort is. In zo'n structuur past de gedachte van 'partners' dan ook nauwelijks. De vazal is niet de partner van de machtige koning, maar zijn dienaar. Zo wordt later in Jesaja de toekomstige Messias dan ook de 'knecht des Heren' (Ebed Jahweh) genoemd.
De visie van ds. Bouma is veel meer in de lijn van het latere jodendom, waarin de gedachte van het partnerschap is gaan domineren. Drs. Willem Zuidema, die een boek over de ontmoeting met het jodendom heeft geschreven, heeft dit boek, waarin hij voor christenen het jodendom beschrijft, dan ook de veelzeggende titel Gods partner (Ten Have, 1977) meegegeven. Het is opvallend hoe in zijn voorwoord allerlei termen en klanken uit Bouma's artikel al voorkomen. Hij noemt de gedachte van de mens als Gods medewerker 'een zeer centraal gegeven in het jodendom'. 'De mens heeft een geweldige opdracht gekregen de aarde te beheren en dat heeft Israël verstaan als: de schepping tot haar voltooiing te brengen'. Even later spreekt hij van 'Gods partner zijn door de weg van de thora te gaan'. Verderop, in het eerste hoofdstuk, zegt hij: 'Een jood is dus iemand die bepaalde opdrachten in deze wereld te vervullen heeft' (20). Het gaat in het jodendom dan ook om de prioriteit van de halacha (het geheel van de leefregels) en niet zozeer om de theologie. Anders gezegd: het gaat meer om de ethiek dan om de dogmatiek. Als ik het artikel van ds. Bouma goed gelezen en goed begrepen heb, dan vrees ik dat hij de kerk van vandaag in feite op deze joodse lijn ziet en daar veel van verwacht.
Persoonlijk ben ik bang dat de kerk juist zo haar wezenlijke boodschap wel eens kon loslaten. Die boodschap is m.i. niet primair dat de mens Gods partner mag zijn, maar dat God in zijn Zoon Jezus Christus zijn genade op een nieuwe, ongedachte en definitieve wijze geopenbaard heeft en zo weer nieuwe wegen geopend heeft, waarop de mens voor zijn aangezicht mag leven en werken.
Ik zou voorts willen zeggen: Tekent Bouma geen karikatuur van het reformatorisch belijden aangaande het geloven als hij tegenover elkaar zet: Het aanhangen van dogma's en een houding? Waar klinkt hier Zondag 1 van de Catechismus nog in door? Leidt de door Bouma bejubelde ontwikkeling niet tot een verschraling van het 'geloven' in de zin van een bepaald zedelijk handelen? Halen we dan de roomse werkheiligheid weer niet binnen? Hetzelfde geldt ten aanzien van de visie op Jezus Christus. Natuurlijk moet het Griekse denken het weer ontgelden op een ongenuanceerde wijze. Maar ook hier schetst Bouma een karikatuur en wat hij er tegenover zet is weinig anders dan negentiende eeuwse vrijzinnigheid. Terecht wijst Runia erop dat er in Bouma's artikel een geweldig optimisme ten aanzien van de mens in doorklinkt. Maar de prediking van zonde en genade zoals die door de Reformatoren gebracht is in gehoorzaamheid aan de Schrift (Paulus; Rom. 3 en 5!) verdwijnt in de mist. Gaat het goed? Als dat inderdaad de richting is waarin de kerk zich beweegt dan zeg ik: Nee, die kant voert ons in het diensthuis van moralisme en humanisme. Ook dr. Bezemer heeft in het Herv. Weekblad zijn kritiek op Bouma's artikel niet onder stoelen of banken gestoken. Hij schrijft in het nummer van 21 februari over een andere kijk op de kerk die hij bij Bouma aantreft. Bezemer merkt op dat we voorzichtig moeten zijn met te spreken over 'de kerk'. Ook acht hij het onjuist te zeggen: het accent valt op... Beslissend is immers: Wat zegt de Schrift?
Nu zou men daarover lange tijd kunnen discussiëren. Maar ik meen toch te moeten constateren, dat - wanneer we dan toch van een accent willen spreken - dit zeer beslist ligt in het verzoenend lijden en sterven van Christus, waarbij ik speciaal denk aan het slot van 2 Corinthe 5. Daarnaast zouden nog vele andere teksten genoemd kunnen worden - ik denk bijv. aan Johannes 3 : 16 - die alle spreken van het zo noodzakelijke herstel der gemeenschap tussen God en mens, dat alleen mogelijk is door het geloof in de gestorven en opgestane Christus der Schriften. Hoewel ik niet zou willen beweren, dat 'het uitdagende hier en nu van de door God geschapen werkelijkheid' van geen betekenis is en wel veronachtzaamd mag worden, meen ik toch te moeten constateren, dat een groot deel van de armoede der kerk juist daarin gelegen is, dat menigeen - ook in de verkondiging - niet meer toekomt aan de hemel en het hiernamaals en daarmee een belangrijk deel van de bijbelse verkondiging niet meer ernstig wil nemen en laat voor wat ze is.
Ook hier treft me de polariserende manier van schrijven bij Bouma. De Schrift spreekt immers over het hier en nu èn over de werkelijkheid van de hemel. Zeker, men kan zeggen: Het gaat in het heil om de oprichting van de heerschappij van God op aarde. Wij bidden immers: Uw wil geschiede gelijk in de hemel alzo ook op aarde... Maar dat heil komt van God. En God is maar niet een functie van ons menselijk handelen. Ik vrees dat bij Bouma het heil binnenwerelds wordt. Dat is naar mijn mening een secularisering van de Evangelieverkondiging.
Gaat het goed met de kerk? Nog eenmaal Bezemer:
Een duidelijk zwart-wit schema, waarbij het vroeger allemaal zo fout was, dat we nu bij het begin van de jaren tachtig alleen maar in de handen kunnen klappen, omdat er - ik vul zelf even in - in de voorbije tientallen jaren zoveel predikantsplaatsen zijn opgeheven, zoveel kerken voor allerlei andere doeleinden zijn bestemd of afgebroken, zoveel kerkgebouwen 's avonds niet eens meer open zijn omdat men het de moeite niet meer vindt, zoveel gemeenschappelijke bijeenkomsten gehouden worden om het nog wat te laten lijken, het wijst er blijkbaar allemaal op - als we ds. Bouma tenminste mogen geloven - dat het zo goed gaat met de kerk. Maar de werkelijkheid spreekt een andere taal. Hoe meer aardsgericht de kerk en de prediking der kerk wordt, des te meer zal ze gaan lijden aan bloedarmoede wat betreft de verkondiging en des te meer zal het duidelijk worden dat het alleen dan weer goed kan gaan met de kerk wanneer er sprake zal zijn van een radicale ommekeer niet in het minst wat betreft het theologische denken. Op dit ogenblik kunnen we alleen nog maar zeggen: het gaat in vele opzichten - gelukkig niet in alle — slecht met de kerk. Het ware te wensen dat daarin spoedig verandering kwam!
Tegenover Bouma zouden we in een andere belichting willen zeggen: Het komt goed met de Kerk. Want wij geloven dat de Here zijn Kerk in stand houdt en bewaart. Maar die geloofszekerheid roept ons ook tot verantwoordelijkheid, tot waakzaamheid en tot bekering. Opdat de kandelaar bij ons niet weggenomen wordt... In de gehoorzaamheid van het geloof - en dat betekent op de weg van het Woord - is er het houvast aan de beloften van God. Maar dan dient de kerk wel te buigen onder het Woord.
***
Ds. Overduin
In het Centraal Weekblad van 19 januari heeft ds. Overduin die nu al ongeveer vier maanden door ziekte is uitgeschakeld aan de lezers van dit blad een brief geschreven die we om de inhoud en de pastorale toon graag overnemen. We doen dit zonder commentaar. De brief spreekt voor zich.
Het is vanzelfsprekend een ingrijpende ervaring om in enkele seconden geheel machteloos te zijn: niet kunnen spreken, niet kunnen staan of lopen. Ineens komen alle chronische zieken en gehandicapten in versterkte mate in je voorbede terecht. Een hernieuwde opgave! Of ik te klagen heb? Nee, alleen dankbaar dat de Here God mij tot m'n zevenenzeventigste jaar wilde gebruiken om elke zondag te preken, ja elke dag nog op de een of andere manier te werken in de wijngaard van onze Heer. Ik zou mij schamen, indien ik ondankbaar zou zijn en in zelfbeklag ineen zou schrompelen. Hoevele mensen zijn al op jongere leeftijd chronisch ziek geworden?
Het geheim van de blijdschap van het geloof ligt niet in mij, maar in Hem, die niet zal begeven, noch verlaten. Niet ik, maar de genade Gods die met mij is. Hoevele malen hebben wij als voorgangers de dienst geopend met 'Onze hulp is in de Naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft en die trouw houdt in eeuwigheid en niet laat varen de werken Zijner handen'. Nu, daar ligt het geheim van het geloof.
Luther zei (vrij vertaald): Hoe meer je het heil buiten jezelf zoekt, des te meer groeit de zekerheid van binnen.
Indertijd schreef ik een boekje: 'De kunst van het ziek zijn'. Daarin heb ik gewezen op het feit dat wij geestelijk voorbereid moeten zijn. We leven een kwetsbaar leven. Het kan ons plotseling overvallen. Dat wil niet zeggen dat we steeds in een soort angstige spanning moeten leven, maar dat wij dankbaar en blijmoedig ons bewust mogen zijn, dat beter dan dit tijdelijke leven Gods goedertierenheid is. Dat alleen maakt innerlijk onaantastbaar. Misschien was wel de grootste zorg in mijn leven dat ik niet zou waarmaken wat ik altijd met diepe overtuiging verkondigd heb. Hoe erg zou het zijn, wanneer wij ons als dienstknechten van de blijde boodschap ongeloofwaardig zouden maken in een tijd dat de proef op de som door God genomen wordt. Op de preekstoel moeten wij zulke grote woorden spreken, omdat God in Christus zulke grote dingen heeft te vertellen. De vraag is echter, of het voor de verkondiger zelf geen grote woorden zonder werkelijkheid zijn. Dat zou holle rhetoriek zijn. Hoe makkelijk maken wij ons hieraan schuldig? Calvijn legde er ook de nadruk op, dat wij God pas echt kennen uit Zijn Woord en tegelijk in de praktijk van het leven.
Er moet nog een pastoraal woord bij
Tegelijk zeg ik tot mijzelf en tot u: Laten wij nooit geestelijk overmoedig worden doch altijd ootmoedig blijven. Allereerst omdat wij nu wel in dankbaarheid leven, maar er heus wel moeilijke dagen kunnen komen. Daarom bidden om niet in verzoeking te komen. Daarbij mogen wij nooit onze ervaring opdringen aan anderen. We mogen wel bescheiden elkaar ermee helpen en daardoor wegwijzers naar Christus zijn.
In de pastorale zorg moeten wij altijd twee dingen bedenken: Het verwerken van ziekte en tegenspoed is wat tempo en diepte-graad betreft zeer verschillend in verband met historische en geestelijke achtergronden, milieu, afkomst en karakter. Wie hiermee geen tekening houdt en zichzelf als norm hanteert, kan met de beste bedoelingen de mens in nood met bijbelteksten en eigen ervaring bijkans 'verpletteren'.
Maar anderzijds mag het niet zo zijn dat wij in de pastorale zorg uitsluitend met al die genoemde factoren rekening houden, waardoor wij het evangelie op een dood spoor rangeren.
Er zijn moeilijke vertroosters die de fijngevoeligheid missen om zich in de situatie van een ander in te leven. Er zijn ook mensen die aan het vertroosten niet toekomen, omdat ze in de situatie blijven steken, alsof de omstandigheden het laatste en alles beslissende woord moeten hebben.
Ik moet eindigen. Hoewel het spreken, schrijven en lopen een stuk beter is geworden, ziet het er niet naar uit dat ik nog eens zal preken. Alle afspraken voor preken en lezingen kan ik dus ook voor de tweede helft van 1980 niet nakomen. Ik hoop wel eens een artikeltje te kunnen schrijven.
De directie, de redactie en alle lezers van Centraal Weekblad wens ik Gods zegen toe. Ik doe dit niet alleen met diepe dankbaarheid aan mijn Zender, maar ook aan de velen in en buiten Veenendaal, die jaren lang mijn werk gediend hebben met hun auto's, omdat ik zelf geen autobezitter was.
En ten slotte wil ik iedereen aanbevelen rustig woord voor woord te overdenken, wat Paulus schrijft in Filippenzen 4 : 6 en 7: 'Weest in geen ding bezorgd, maar laat bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus'.
Moge dit pastorale geluid ook voor vele van onze lezers tot bemoediging zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's