Zijn Naam belijden
Het is sinds het begin van de vorige eeuw gebruikelijk geworden, dat op de zondag vóór het Paasfeest, op de Palmzondag, de geloofsbelijdenis in het midden der gemeente wordt afgelegd. Althans, zo is het in vele gemeenten. Wat de datum betreft zullen er waarschijnlijk nogal wat uitzonderingen op deze regel zijn. Maar dat de belijdenis in het midden van de gemeente wordt afgelegd en niet in een vergadering van de kerkeraad is toch wel algemeen geworden. Zo'n gebeuren heeft voor de gemeente iets feestelijks: een groter of kleiner aantal mensen, veelal jonge mensen geeft er blijk van tot de gemeente te willen behoren. En dat is, zeker in een tijd van zo veel kerkelijk verval en kerkelijke afval, toch een verblijdend verschijnsel.
Openbare belijdenis
Het is sinds het begin van de vorige eeuw gebruikelijk geworden, dat op de zondag vóór het Paasfeest, op de Palmzondag, de geloofsbelijdenis in het midden der gemeente wordt afgelegd. Althans, zo is het in vele gemeenten. Wat de datum betreft zullen er waarschijnlijk nogal wat uitzonderingen op deze regel zijn. Maar dat de belijdenis in het midden van de gemeente wordt afgelegd en niet in een vergadering van de kerkeraad is toch wel algemeen geworden. Zo'n gebeuren heeft voor de gemeente iets feestelijks: een groter of kleiner aantal mensen, veelal jonge mensen geeft er blijk van tot de gemeente te willen behoren. En dat is, zeker in een tijd van zo veel kerkelijk verval en kerkelijke afval, toch een verblijdend verschijnsel.
Belijden
Wat betekent eigenlijk: belijdenis afleggen of belijden? We kunnen het omschrijven als: iets openlijk zeggen, iets openlijk verklaren, uitkomen voor iets of iemand (Iemand).In zekere zin is ieder mens, wie dan ook, een belijdend mens. Want door spreken en zwijgen, doen en laten komt aan het licht wie onze heer en meester is, wat nu eigenlijk de koers van ons leven is, waarvoor wij eigenlijk leven. Maar veel keus hebben wij daarbij niet. De Bijbel leert ons, dat het één van tweeën is: wij behoren bij God óf niet, wij zijn het eigendom van Christus óf niet, wij leven (met hoeveel zwakheid en gebrek dan ook) met de Heere óf zonder Hem, ons leven is op Hem gericht óf van Hem afgekeerd. En dat nu komt aan het licht, treedt naar buiten door een openlijk belijden en tevens door heel onze levenshouding. Met andere woorden: wij belijden de levende God óf een dode afgod, welke dan ook. Een tussenweg is er niet, al is er zeker in het leven van de meeste kinderen van God een kortere of langere tijd van aarzeling en onzekerheid wanneer het uitgestrooide zaad van het Woord begint te ontkiemen, wanneer de Heilige Geest begint te overtuigen van zonde om uit de duisternis van schuld de zondaar te leiden tot het licht van Gods barmhartigheid in Jezus Christus. Maar zodra de keuze is geboren, de beslissing is gevallen: ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan, is er de breuk met de zonde en ongerechtigheid en is er de belijdenis, dat het leven te vinden is bij de Heere alleen.
Belijden in de Bijbel
In de Bijbel komt belijden in hoofdzaak in twee betekenissen voor. Het is allereerst het belijden van zijn zonden. Zo dringt Jozua er bij Achan op aan dat hij belijdenis voor de Heere zal doen (Jozua 7 : 19). Achan moet dus vertellen wat hij gedaan heeft en dat heeft het karakter van een openbare belijdenis van zijn schuld tegenover de Heere. Een ander voorbeeld vinden wij in Psalm 32. David heeft een tijdlang zijn zonden voor de Heere verborgen gehouden. Hij wilde ze niet uitspreken. Ondertussen had hij een heel slecht leven. Innerlijk werd hij als het ware verteerd al die tijd dat hij zweeg en zijn schuld niet wilde opbiechten. Maar dan neemt hij het besluit het aan de Heere bekend te maken. 'Ik zeide: Ik zal belijdenis doen van mijn overtredingen voor de Heere'. En dan brengt een nameloze bevrijding. Want de Heere vergeeft hem zijn ongerechtigheid. Alleen door de schuldbelijdenis komen wij tot Gods vrede. Of: komt God met zijn vrede tot ons! In beide voorbeelden vinden wij dus het element van: openlijk zeggen, openlijk verklaren. In beide gevallen moest het hoge woord eruit.
Daarnaast is er het belijden van Gods Naam. Dus het openlijk voor de Heere uitkomen. In het Oude Testament wordt daarvoor maar enkele keren het woord belijden gebruikt. Maar de zaak waarom het gaat is voortdurend aan de orde. Die wordt dan aangeduid met: loven, prijzen, uitroepen, aanroepen, zingen, grootmaken. Met name de Psalmen zijn daar vol van. En daar wordt iedere keer de oproep gehoord daarin mee te doen: komt, maakt God met mij groot. Het is duidelijk, dat dit voluit het karakter heeft van belijden.Dit kan samen met anderen gebeuren, maar het is ook mogelijk dat het geschiedt in een vijandige omgewing, waarin maar de enige is die voor de Heere uitkomt.
In dit nummer van ons blad zijn een drietal artikelen gewijd aan de openbare belijdenis des geloofs, t.w. Zijn Naam belijden, In dienst genomen en In de wereld gezonden èn de wereld verlaten.
Van dit nummer zijn extra exemplaren gedrukt, die op aanvraag voor hen, die in deze tijd belijdenis doen, beschikbaar zijn. De nummers zijn gratis, verkrijgbaar bij de uitgever van ons blad, drukkerij Embede, Postbus 18, Maassluis, tel. 01899-12169.
Zijn Naam belijden
In de openbare geloofsbelijdenis belijden wij de Naam van de Heere. De Naam. Dat is een voluit bijbelse werkelijkheid. De Naam van de Heere wil zeggen: zoals Hij Zich heeft bekend gemaakt. Wanneer wij immers aan een vreemde onze naam noemen maken wij ons bekend. We geven onze anonimiteit, dat is: onze naam-loosheid, kwijt. Daarmee geven wij iets van ons zelf kwijt. De Heere is geen God die onbekend gebleven is, die Zich in anonimiteit hult. Hij heeft Zich bekend gemaakt. Hij heeft Zijn Naam genoemd, opdat wij die Naam zouden kennen. Hem bij Zijn Naam zouden aanroepen, Zijn Naam zouden belijden. Zijn Naam, dat is de Heere in Zijn zelfopenbaring als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Hij heeft zo veel van Zichzelf bekend gemaakt als voor ons nodig is óm te weten wat Hij van ons wil. En ook opdat wij weten wie Hij voor ons wil zijn.
Zijn Naam, Zijn zelfopenbaring houdt dan ook in, dat wij niet in onszelf moeten zoeken en graven om God als een oergrond in onszelf op het spoor te komen. De wereld kan het ons evenmin vertellen. Zij biedt slechts haar afgoden aan, die niets vermogen. Zijn Naam wil zeggen: wij zijn niet aangewezen op de zichtbare en tastbare dingen om ons heen, ook niet op onze gevoelens, hoe religieus ook, om de ware, de levende God te leren kennen. Maar Hij is tot óns gekomen, heeft met Zijn goddelijk spreken ons bestaan opengebroken. Zo sprak Hij met Abraham en maakte Hij zich bekend aan Jakob. Het indrukwekkendst is Zijn openbaring aan Israël bij de Sinaï geweest, waar Zijn stem klonk tot het volk begeleid door ontzagwekkende tekenen. Hij heeft gesproken door de profeten. En ten laatste in Zijn Zoon, van wie de schriften van het Nieuwe verbond getuigen.
Het belijden van Zijn Naam is onmogelijk los maken van de openbaring van Zijn Naam, waarvan wij het getuigenis vinden in de hele Heilige Schrift.
In Zijn Naam gedoopt
Wie gedoopt wordt, wordt in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes gedoopt. Daarmee komt een heel innige relatie tot stand tussen de Heere en de dopeling. Het is de relatie, die het karakter draagt van een verbond. Dit verbond gaat uit van God de Heere. Met een hart vol barmhartigheid en handen vol heil treedt Hij de dopeling tegemoet. Hij belooft een Vader te zijn voor tijd en eeuwigheid. Een Vader, die zorgt en waakt. Hij belooft als de Zoon een Heiland te zijn, die van alle schuld verlost. En als de Heilige Geest zegt Hij toe in de dopeling te willen wonen en werken om te vernieuwen en deel te geven aan alle rijkdom die in Christus is.
Verreweg de meesten die de openbare belijdenis des geloofs afleggen zijn als kind gedoopt. De Heere is dus al heel aan het begin van hun leven tot hen gekomen om zo grote en heerlijke beloften te schenken en een verbond met hen te sluiten. Het is hier nu de plaats niet het goed recht van de doop van kinderen in de christelijke gemeente uiteen te zetten. Het lijkt me voldoende vast te stellen, dat zij die belijdenis afleggen bijna altijd als kind gedoopt zijn, dus het teken en zegel van het verbond hebben ontvangen. Dit stelt het belijden van het geloof in een bijzonder licht.
God is de eerste
Zonder dat wij daar enige invloed op hadden, zonder onze inspraak, zonder ons vragen zelfs is de Heere met Zijn verbond en beloften in ons leven gekomen. Hij is de eerste. Hij heeft het eerste woord. Hij is van Zijn kant begonnen.
Dan is de belijdenis van het geloof eigenlijk niet anders dan ónze weerklank op Zijn woord, ónze re-actie op Zijn actie, amen zeggen op wat God zegt. Het is iets geweldigs als wij daartoe mogen komen. Want velen komen daar niet toe, de re-actie van velen is helaas die van het negeren van Gods beloften, het afwijzen van Gods liefde, het breken van Gods verbond, met alle heilloze gevolgen van dien. Maar wanneer wij goed bedenken, dat de Heere de eerste is, die in onze prilste jeugd al in ons leven kwam, mogen we de daad van de belijdenis ook enigszins relativeren. Het is wel een daad van óns, maar we moeten die niet overspannen. Het is eigenlijk slechts een terugvallen op God, een blijven bij of terugkeren tot Hem, een schuilen bij Hem wiens Naam een sterke toren is (Spreuken 18 : 10). Hij is de eerste. Hem komt de eer toe. Hij heeft ons vastgehouden, ook toen wij loslieten. Hij heeft geroepen, wij geven slechts antwoord. Het is Zijn werk in ons wanneer wij in onze belijdenis antwoord geven, onze hand in Zijn uitgestoken hand. Wij behoeven het niet van ons zelf te verwachten. De Heere kent ons. Hij weet van onze zwakheden en ontrouw, ons vergeten en verlaten. Maar Hij is getrouw. Wat is belijdenis afleggen dan anders dan zeggen: Deze trouwe God, deze genadige God is nu mijn God! Hij heeft veel meer voor mij gekozen dan ik voor Hem gekozen heb. Maar bij Hem wil ik behoren. Zonder Hem kan ik niet leven. Zijn genade heb ik nodig, elke dag. Zijn Naam en goedheid wil ik prijzen. Als wij zó op de Heere mogen zien en ons heil helemaal van Hem verwachten behoeven wij niet krampachtig te zijn. Hij zal zorgen. Hij zal leiden. Hij zal ons niet begeven of verlaten.
Verminking
Er treedt een zeer schadelijke verarming op wanneer de openbare geloofsbelijdenis wordt verengd tot het verstandelijk belijden van de waarheid. Dat is niet minder dan een verminking van alles wat de Bijbel zegt over het belijden. Dat is nooit een zaak van het verstand alleen. Hoe zou het verstand in staat zijn de openbaringswaarheid van God te aanvaarden? Is de onthulling van de diepstneerdalende liefde van God in het kruis, het lijden en sterven van Gods Zoon, dan geen ergernis en dwaasheid? In de Bijbel is belijden altijd een uiting geven van wat leeft in het hart. En alleen met het hart kunnen wij geloven. Wie hier concessies doet met het argument, dat de kerk toch lidmaten moet hebben, is wel vèr af van het belijden van Gods Naam, zo heilig, groot en goed. Maar dat komt ervan, wanneer men eerst de bijbelse visie op verbond en doop is kwijt geraakt.
Samen met anderen
Wie de Naam des Heeren belijdt, doet dat nooit alleen. In het Griekse woord voor belijden zit ook duidelijk het element van: samen doen, (met anderen) hetzelfde zeggen. Wij belijden niet in de eerste plaats wat wij nu wel geloven, maar wij zeggen van harte na wat de Heere ons voorzegt in de Schrift. Met de Kerk der eeuwen, met zo velen die ons zijn voorgegaan zeggen wij mee, dat déze God ónze God is, dat wij Hem vertrouwen en onszelf aan Hem toevertrouwen, dat Zijn liefde overweldigend is. En het is ons verlangen deze goede God te dienen, voor Hem uit te komen, voor zijn recht op te komen, welke afgoden de wereld ook dient en aanprijst.
Belijden en lijden
Het is gemakkelijker 's zondags te belijden dan door de week. 's Zondags is er immers de bescherming van de gemeente, dan ben je samen met elkaar. Maar door de week? Op school, in militaire dienst, op het werk? Dan is het veel moeilijker om voor de Heere uit te komen. Misschien ben je daar wel de enige. Maar schaam je dan toch niet voor Christus, die zich ook niet voor ons heeft geschaamd.
Het belijden kan een stuk of een stukje lijden met zich meebrengen. Een spottende opmerking, aan iets niet meedoen omdat het verkeerd is, misschien blijft een mooie baan zelfs buiten je bereik. Dat zit vaak aan het belijden vast. Dat is niets nieuws. Maar wie desondanks Zijn Naam belijdt is in goed gezelschap. In het gezelschap namelijk van Jezus Christus, die de goede belijdenis heeft betuigd (1 Tim. 6 : 13) en voor zijn belijders instaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's