In dienst genomen
Palmzondag 1980. De kerkklokken hebben zojuist hun laatste feestelijke klanken uitgestrooid over het dorp. Het is druk in de kerk. Vandaag een 'bijzondere' dienst. Een twintigtal, goeddeels jonge mensen heeft een plaats gekregen voor in de kerk. Het is vandaag de dag van de openbare belijdenis des geloofs. En jij bent één van de mensen, die straks antwoord geven zal op vragen, je door Gods dienaar uit Naam van God gesteld. Ja...! Een woordje van twee letters, klein en gemakkelijk uit te spreken, maar gewichtig en verstrekkend. Er is op de belijdeniskatechisatie over gesproken. En je hebt er biddend over nagedacht. Toch klopt je misschien het hart in de keel. Ja-zeggen is niet zo moeilijk, maar ja doen...! Zou 't wel gaan?
Ik kom even bij je zitten in deze regels, die ik schrijven mag, speciaal voor jou. Even met jou nadenken over de inhoud van dat kleine woordje, biddend, luisterend naar wat God ervan zegt in Zijn Woord. En het is vooral één ding, waar ik een ogenblikje aandacht voor vraag. Je vindt het in de titel, die ik boven dit artikel heb geplaatst: In dienst genomen.
Present...
Misschien denk je daarbij aan iets, datje helemaal niet zo prettig in de oren klinkt; een oproep voor de militaire dienst. Dat betekent immers, dat je voor ruim een jaar tot een andere staat des levens overgaat, van pak verwisselt, met oorlogsmateriaal omgaat en keurig in de rij loopt...!
Is belijdenis-doen soms ook zo iets? In zekere zin: ja! Een oproep voor de militaire dienst, een soort groot-appèl, waarbij ook jouw naam wordt afgeroepen. En jij, recruut van Koning Jezus, roept: 'present'.
In dienst van Koning Jezus. Dat is niet zo onaangenaam als het er op 't eerste gezicht uitziet. O zeker, het is hoogst onaangenaam voor iemand, die zijn eigen baas wil zijn en blijven en die geen hoger levensideaal heeft dan de dienst van zijn eigen 'ik'. Eigen heer en meester zijn en... daarmee slaafs gebonden aan zichzelf. Maar daaraan moet je dan ook ontdekt worden. Je moet er last van krijgen. Gods Geest moet je er ogen voor geven. Dan leer je zeggen tegen God: 'Heere, wat ben ik toch eigenlijk een onmogelijk en onnut mens. Wat heb ik verschrikkelijk veel met mezelf op. En wat zou ik daar graag van afkomen.' Eigen heer en meester zijn, dat is het ellendigste, dat er bestaat.
Wiens ik ben, Welke ik ook dien
Het is een zegen, als je daar iets van verstaat, wanneer je belijdenis gaat doen. Want als je niet langer zo hartstochtelijk voor jezelf kunt leven, is het dan niet iets geweldigs, als Jezus in je leven komt en jou, zo verkeerd en schuldig als je bent, zo onbruikbaar en onnut, voor Zijn rekening neemt? Dat noem ik een wonder van de hemel. En niemand, die niet langer zijn eigen baas wil zijn, vindt dat onaangenaam. Integendeel, hij zegt elke dag: 'O God hoe is dat mogelijk? ' Het eigendom van Christus zijn, dat is het heerlijkste, dat er is. Als Jezus in je leven komt, dan komt Hij om te dienen met genade en liefde, die reikt tot over graf en dood. Het is een zegen, als je daar iets van verstaat, wanneer je geloofsbelijdenis doet.
Maar als dat zo is, mag Hij dan ook niet een dringend beroep op je doen? Een Zaligmaker, Die Zijn leven gaf tot een rantsoen voor velen? Een Zaligmaker, Die zegt: 'Kom tot Mij, Ik zal je rust geven'? Een Zaligmaker, Die je in honderden preken en tientallen katechisatieuren de arm om de schouder legt en vraagt: 'Zeg het eens, wat zie je toch in Mij? ' Een Zaligmaker, Die je misschien een vrome vader en moeder gaf, in wier leven je iets ontdekte van Zijn liefelijkheid en schone dienst? Mag Hij je in Zijn dienst nemen, ja of nee? De apostel Paulus heeft eens gezegd: 'Wiens ik ben. Welke ik ook dien' (Hand. 27 : 23). Dat hoort bij elkaar. Dat kan je niet scheiden. Een hart, dat iets van het wonder der genade kent en een hand, die bereidwillig is gemaakt om te dienen. Het is een zegen, als je daar iets van verstaat, wanneer het belijdenis-uur komt. Opgeroepen tot de heilige militaire dienst van Koning Jezus. Je naam wordt afgeroepen. En jij mag zeggen: present. In dienst genomen.
Er is werk aan de kerk
Maar wat heeft Hij dan wel voor jou te doen? Wat houdt dat kleine woordje 'ja' van Palmzondag heel praktisch in? Hoe wordt jouw ant-woord op Zijn Woord en werkelijk 'verant-woordelijk' leven? Als we daar sarnen nog even over nadenken, zouden er o zoveel dingen te noemen zijn. Ik beperk me tot enkele dingen, die betrekking hebben op de gemeente en de kerk. Je naam staat straks in het lidmatenboek. En dat betekent, dat de Heere van de kerk voor jou wat heeft te doen in Zijn gemeente.
Ik heb eens gehoord van een belijdeniskatechisant, die persé wilde weten, of er voor hem als belijdend lid der gemeente ook werk was. Hij wilde niet bij het zg. passieve ledenbestand van de kerk horen. Heel terecht, erg gezond. Ik hoor ook wel eens van jonge mensen, die eigenlijk wel belijdenis willen doen, maar liever niet lid worden van een bepaalde kerk. Want die éne kerk, waarbij men zich in zijn belijdenis bewust aansluit, is toch niet de enige ware kerk op aarde? Zo denken zij. En dat is te verstaan. Toch is zoiets niet terecht en ook ongezond.
Waarom immers zou je zoveel moeite hebben met die éne kerk? De kerk, waarin je door Gods genade in aanraking bent gekomen met het Woord des Heeren. De kerk, waarin je vader en moeder je ten doop hielden. De kerk, die jou zo nodig heeft, juist omdat er zoveel mis is. De kerk, die jou zo goed gebruiken kan, juist wanneer jij meent, dat je wat hebt om anderen mee te dienen. Als je bij de Herder horen wilt, dan hoefje je toch niet te schamen om ook te behoren bij een kudde, die zo schamel en verstrooid als ze vaak is, toch door Christus' arm telkens weer vergaderd wordt. Je lost het probleem van de gescheidenheid der kerken in ieder geval bepaald niet op door in geen enkele kerk mee te doen. Integendeel, daardoor maak je dat probleem alleen maar groter.
Doe mee. Hij, de Meester heeft in Zijn gemeente ook voor jou wel wat te doen. Want als de gemeente in de Bijbel het lichaam van Christus heet en als jij dan de naam van een lidmaat draagt, wees dan, wat je bent: ledemaat. Een oog, dat omziet naar een naaste.
Een hand, die vastgrijpt, wat wankelt. Een mond, die getuigt van een geheim. Een hart, dat trilt van verwondering...!
In de gemeente bestaat geen werkelozenwet. Want er mogen geen werkelozen bestaan. Al heb je maar één talent, al ben je voor je besef gehandicapt (door ongeloof, onvrijmoedigheid en wat niet al), je wordt in dienst genomen. Niet voor een jaar of wat. Maar voor het leven. Zo gekneusd als je bent. Je bent niet afgekeurd. En een man met één talent doet voor de volle honderd procent mee, als hij dat éne talent verdubbelt door er met de inzet van al zijn krachten mee te woekeren.
Graven in het Woord en bidden om zegen
Doe mee. Er is werk aan de kerk. Ik noem zo maar enkele dingen. Graven in het Woord, elke zondag, met de man op de kansel mee. De Bijbel is een onuitputtelijk boek - een werkboek voor allen, die geloven om meer en meer in te groeien in de heerlijke gemeenschap met de drie-enige God. En dan nog iets: een biddend mens zijn. Spurgeon vertelt van een dominee, wiens kerken altijd vol waren, zodat de mensen zelfs op de trappen van de kansel zaten. Maar op een dag werd het die predikant geopenbaard, dat zijn bediening niet zozeer gezegend werd, omdat hij zo'n welsprekend man was, maar omdat er elke zondag op het trapje van de kansel een man zat, die de hemel bestormde en bad om zegen. Wees een mens van veel gebeden. Dat is ook werken aan de kerk. Bid om een doorbraak van Gods Geest. Bid, of God de gemeente krachtig doorwaait met Zijn Geest. Nooit vergeten! O ja, werk in overvloed. Het is bepaald niet zo, dat je alles al gedaan hebt, wanneer je de Generale Kas en je vrijwillige bijdrage hebt betaald. Zeker, dat wordt je ook gevraagd. En een kerk, een gemeente, die je liefhebt, zal je immers willen helpen dragen, ook met financiële offers. Op de kerk afgeven en er dan voorts niets voor uitgeven, is zo goedkoop als 't maar kan. Maar er is veel meer.
Dienen in het ambt (aller gelovigen)
Doe mee. Ieder lidmaat, wiens naam van de appèllijst wordt afgeroepen, krijgt meteen ook een opdracht. Hij komt tot op zekere hoogte in 't ambt te staan. Men zegt wel eens, dat de kerk van de toekomst er één is van louter vrijwilligers. Ik geloof dat niet. Dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen moeten er zijn en blijven. Ik waardeer die ambten als gaven van Christus' doorboorde hand. Zij zijn in elke gemeente broodnodig. Zij zijn er voor het behoud van de gemeente. En wie weet, word jij tot zo'n bijzonder ambt vroeg of laat wel geroepen. Dank aan God, als Hij je zo gebruiken wil, hoe zwaar het ook is. Maar inderdaad, vrijwilligers moeten er ook zijn. Mensen, die niet maar tijd over hebben, maar tijd vrijmaken om mee te doen. In avonduren, op vrije zaterdagen. In het algemene ambt van alle gelovigen.
Doe mee. Je hoeft niet met jezelf te koop te lopen en je overal in te dringen. Bid maar eenvoudig: 'Heere, zend ook mij!' En blijf niet thuis zitten op de manier van: Als ze me nodig hebben, merk ik het wel. Er zijn open deuren genoeg. Of is er in jouw gemeente geen jeugdvereniging, waar je niet alleen gezellig bij elkaar bent, maar waar je vooral ook fijn met elkaar over de Bijbel praat? Of een Zondagsschool, waar men dringend om leidsters en leiders verlegen zit. Of een gesprekskring, waarin je o zoveel voor elkaar kunt betekenen. Een gemeente moet, als 't goed is, bestaan uit cellen, bouwstoffen van het geloof. Of een bandrecorderdienst. Hoe dankbaar zijn de eenzamen in de gemeente, als een vriendenhand ze de preek van zondag thuisbrengt. Of een actie voor de inning van vrijwillige bijdragen, waarvoor medewerkers worden gevraagd. Of een werkgroep, die zorg draagt voor de organisatie van een chronische ziekendag. Doe mee. Wat is er eigenlijk beneden de stand van iemand, die echt gebeden heeft: 'Heere, gebruik mij!' Of een evangelisatiegroep. Moeilijk werk. Met mensen praten, die vervreemd zijn van het Evangelie. Hoe doe je dat? Met die vraag ben je nog niet klaar. Doe mee. Er is werk aan de kerk. En er zijn mensen in nood, o zoveel. Versta je roeping om een getuige te zijn. Er is een algemeen ambt aller gelovigen.
Misschien heb je er zoveel zin in, dat je je dagelijkse werkkring er wel voor zou willen laten schieten. Fijn is dat. Maar vergeet niet, dat God dat niet altijd van je vraagt en dat Hij zeker niet van je vraagt, dat je wegvlucht uit de roeping, die je 'goddelijk beroep' met zich meebrengt. Geef aan de kerk maar eenvoudig, wat je hebt; aan tijd, aan liefde, aan gaven. Want 'iemand is aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft' (2 Kor. 8 : 12).
Sta op de bres, trouw tot het einde
Ik wil afsluiten met twee dingen. Als in het oude oosten een wolf in een schaapskooi binnendrong en één van de lammeren trachtte te grijpen, gebeurde het wel, dat de herder zijn stem liet horen en zijn dieren daarmee duidelijk maakte, dat er gevaar dreigde. En wat deden dan de schapen? Zij sloten de gelederen, drongen met kracht op elkaar aan en het gelukte hen dan soms om de wolf in hun midden dood te drukken.
Zeg niet: 'Wat kan ik op mijn eentje doen?' Doe het samen met anderen. Let op de kleintjes. Waak tegen de dwaalleer. Weerspreek de leugen. Sta op de bres, met hart en ziel, voor het rotsvaste Woord van God, dat hoogst betrouwbaar is. Geen tittel of jota daaraf. En begin in eigen kring.
En dan het laatste. In Split, aan de kust van Joegoslavië staat een oude ruïne: het paleis van de grote Christenhater, de Romeinse keizer Diocletianus. Het dateert uit de derde eeuw. De muren zijn onvoorstelbaar oud en verweerd. Maar als je goed kijkt, zie je hier en daar in die oude stenen de afbeelding van een vis, daarin gegraveerd door christenen, gevangenen van Diocletianus, die vóór hun martelaarsdood eerst nog zijn paleis moesten bouwen. Zij hebben het niet kunnen laten om het symbool van hun christelijke hoop (de vis) in hun werkstuk achter te laten. Vis, oftewel in het Grieks: Ichthus - 'Jezus Christus, de Zoon van God, de Redder', betekent het.
In dienst genomen door Koning Jezus. Ook als de dagen der grote verdrukking komen.
Ook als me de mond gesnoerd en de handen geboeid zijn.
‘Mijn gaven gewillig en met vreugde aanwenden tot Gods eer en ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten' (Heid. Kat., Zondag 21)." 'In tegenwoordigheid van God en van Zijn gemeente vraag ik u... ' 'Wat is daarop Uw antwoord?' 'Ja.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's